Naar inhoud springen

Chemosynthese

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Chemosynthese is een vorm van biosynthese, waarmee micro-organismen (voornamelijk bacteriën), vanuit koolstofdioxide en water, organische verbindingen kunnen assimileren met behulp van chemische energie, als fotosynthese onmogelijk is door de afwezigheid van zonlicht. De chemische energie halen de bacteriën uit de oxidatie van anorganische verbindingen, zoals ammonium (NH4+), nitriet (NO2−), waterstofgas (H2), methaan (CH4), waterstofsulfide (H2S).

Dergelijke micro-organismen worden chemo-autotroof of chemo-lithotroof genoemd; ze produceren organische verbindingen (zoals koolhydraten) onder andere uit koolstofdioxide en water. Door oxidatie van anorganische verbindingen verkrijgen ze hun biochemische energie, die ze vastleggen in adenosinetrifosfaat (ATP).

Chemosynthetische micro-organismen

[bewerken | brontekst bewerken]

Zwavelbacteriën

[bewerken | brontekst bewerken]
12H2S + 6CO2 → C6H12O6 (= glucose) + 6H2O + 12S

Nitrificerende bacteriën

[bewerken | brontekst bewerken]
2 NH3 + 3 O2 → 2 NO2 + 2 H2O + 2 H+ + energie
2 NO2 + O2 → 2 NO3 + energie

Nitriet- en nitraatbacteriën worden 'nitrificerende bacteriën' genoemd, en vormen een belangrijke schakel in de omvorming van stikstof. Organische stikstof, afkomstig van proteïne uit organische stof, wordt omgezet in anorganische stikstof die, in de vorm van nitraat, opgelost in het bodemvocht, opneembaar is voor plantenwortels.

Methanogene archaea

[bewerken | brontekst bewerken]

Een andere vorm van chemosynthese is methanogenese, die alleen bij Archaea voorkomt.

  • Bij methanogenese wordt methaan (CH4) gevormd, na oxidatie van waterstof (H2) door koolstofdioxide (CO2):
CO2 + 4H2 → CH4 + 2H2O

Een andere mogelijke redoxreactie is acetotrofie. Hierbij verkrijgt een organisme de benodigde energie door oxidatie van acetaat tot methaan.

Voorbeelden van chemosynthese

[bewerken | brontekst bewerken]
Pluizige witte bacteriële mat bedekt gele koralen en de omliggende rotsen nabij de ondiepe top van de East Diamante-vulkaan. De koralen zijn afhankelijk van zonlicht, terwijl de mat de chemische energie gebruikt van hydrothermale vloeistoffen die uit de vulkaan sijpelen. Mariana Arc-regio, westelijke Stille Oceaan, April 2004

Chemosynthese heeft, net als fotosynthese, grote impact op de hele biosfeer.

Chemo-synthetische prokaryoten (bacteriën en Archaea) komen voor in de bodem, in het inwendige van dieren en planten, op sediment en op de rotsen van de zeebodem. De belangrijkste groepen chemosynthetische bacteriën zijn de zwavel-oxiderende Gamma-proteobacteriën, ijzer-oxiderende bacteriën en bacteriën van de stam Campylobacter. Soorten van deze bacteriële stam oxideren voornamelijk waterstofsulfide (H2S) en waterstof (H2).

Behalve in de darmflora van het maag-darmstelsel worden verschillende Campylobacter-soorten ook gevonden in de diepzee, rond onderzeese hydrothermale bronnen, de black smokers, en rond koude bronnen, de cold seep. De methaan (CH4)-producerende Archaea (methanogenen) zijn net als de bacteriën die methaan gebruiken (methanotrofen) ook van groot belang voor de biosfeer. Methaan is een belangrijk broeikasgas dat bij overproductie van methanogenen of bij te lage consumptie van methanotrofen vrij kan komen uit de oceanen.

In de bodem op het land

[bewerken | brontekst bewerken]

Nitrificerende chemosynthetische bacteriën leven in bodems, waar ze ammoniak (NH3) omzetten in nitriet en nitraat, dat essentieel is voor de eiwitsynthese, en daarmee voor de groei van landplanten.

Methanogenen zijn Archaea die waterstof (H2) gebruiken als elektronenacceptor om, samen met kooldioxide (CO2), methaan (CH4) en water als bijproduct te vormen. Ze leven in de bodem, maar ook in de pensmaag van herkauwers, waar ze tot 600 liter methaangas kunnen produceren, per koe per dag.[1] Ze zijn ook te vinden in de diepzee. Bij methanogenese wordt geen zuurstof gebruikt, de aanwezigheid ervan is zelfs schadelijk voor het metabolisme van deze Archaea.

Foto van een van de grootste waargenomen concentraties van de reusachtige kokerworm Riftia pachyptila, met anemonen en mosselen die dicht bij elkaar koloniseerden. Van de NOAA Galapagos Rift-expeditie van 2011

Het leven in de diepzee is voor een groot deel indirect afhankelijk van zonlicht. Het gaat dan om leven dat zich voedt met organisch materiaal van dode organismen, die of fotoautrotoof (van fotosynthese gebruik maakten) of heterotroof (zich voedend met planten of andere dieren) waren en waarvan de resten naar beneden dwarrelen, de zogeheten zeesneeuw. Deze resten worden verteerd doordat ze uit het water gefilterd worden of omdat erop 'gegraasd' wordt.

In 1977 werden er heetwaterbronnen in de diepzee ontdekt. Deze bronnen bevinden zich boven het magma, daar waar de tektonische platen uiteen drijven, en kunnen temperaturen van meer dan 400°C bereiken. Het leven rond deze bronnen is geheel onafhankelijk van zonlicht. In en rond deze vulkanische schoorstenen (black smokers), maar ook rond de koudere cold seeps, die in 1984 ontdekt werden, leven chemosynthetische bacteriën, die hun energie uit anorganische stoffen halen. Deze bacteriën vormen matten, maar ze kunnen ook, zoals de chemosynthetische zwavelbacteriën, symbiose aangaan met verschillende ongewervelden, waaronder de reusachtige kokerworm (Riftia pachyptila) of sommige tweekleppigen, de Lucinidae[1][2] De symbiose bestaat in het geval van de kokerworm uit de afgifte van organische carbohydraten of ATP door de bacteriën aan de gastheer, die daarvoor in ruil direct waterstofsulfide (H2S) verschaft of het via zijn wortels omhoog pompt voor de symbiotische zwavelbacteriën.

Het benthische filter in de sedimenten van de oceaanbodem bestaat uit methanotrofen, die methaan oxideren. Dat vermindert de hoeveelheid methaangas die uit de bodem vrijkomt. Het 'filter' bestaat uit matten met methanotrofen die op deze wijze de hoeveelheid methaan die vrijkomt bedwingen. Dit filter bepaalt hoeveel methaan er naar het oppervlak rijst en in de atmosfeer terechtkomt.[3] Het filter bestaat uit verschillende alfa- en gammaproteobacteriën.

In de oceaankorst

[bewerken | brontekst bewerken]

Ook de oceaankorst van meerdere kilometers dik herbergt talrijke soorten anaerobe Archaea en bacteriën, die leven van waterstof (H2) en kooldioxide (CO2). Deze korst zou daarmee het eerste ecosysteem zijn dat gebaseerd is op chemische energie in plaats van zonlicht. In 3,5 miljoen jaar oude basalt-rotsen, 300 meter diep onder de oceaanbodem, zijn sporen gevonden van zwavelbacteriën en methanogene Archaea. Het ging om sporen van levende prokaryoten, want onder bepaalde condities kwam er methaan vrij uit dit gesteente.[4][5]

Er wordt geschat dat het leven ongeveer 1 Ga (Giga annum; 1 miljard jaar) na het ontstaan van de aarde een begin gemaakt heeft. Een populaire hypothese is dat het leven ontstaan is bij hydrothermale bronnen, zowel op het land als op de zeebodem.[6] De evolutie van leven wordt beschreven door de hypothesen die aan de basis staan van abiogenese en met het ontstaan van protocellen. De hydrothermale bronnen en dan vooral de bronnen met serpentinisatie, die veel koeler zijn dan de black smokers, vormen een continue toevoer van waterstof (H2). De energie die daarmee bij reductie van CO2 vrijkomt is hoog genoeg om methaan (CH4) en korte carbolhydraten te vormen. Transitiemetalen zoals het nulvalente ijzer en nikkel (Fe0, Ni0) werden experimenteel gebruikt als reductor van CO2 en katalysator voor de vorming van CH4 en mierenzuur (CH2O2), het eenvoudigste carbonzuur. Deze reacties zouden wel eens de abiogenesische voorlopers geweest kunnen zijn van de productie van CH4 door microben met gebruik van het acetyl-coenzym A voor fixatie van CO2.[7][8] De eerste micro-organismen die deze reactie meer dan 3,5 Ga geleden eigen maakten zijn hoogstwaarschijnlijk methanogene Archaea geweest.

Vervolgens zijn ook de anaerobe, chemosynthetische bacteriën geëvolueerd die ook in staat zijn energie te onttrekken aan anorganische stoffen. Deze eerste ecosystemen op de oceaanbodem, waar veel geologische warmte aanwezig is, hadden waarschijnlijk temperaturen die veel hoger lagen gedurende de eerste miljard jaar sinds het ontstaan van de Aarde. De gereduceerde chemische stoffen werden door het geothermale uitgassen verspreid naar door zonlicht bereikte wateren. Er moet ook gedurende de overgang van het hadeïcum naar het archeïcum, zo'n 3 Ga geleden, een substantiële vermindering van de thermale activiteit geweest zijn, waardoor er voor heterotrofen en fotosynthetische micro-organismen nieuwe mogelijkheden ontstonden.[9]