Conservatorium

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Conservatorium van Sint-Petersburg.

Een (muziek)conservatorium is een school in het hoger onderwijs waar men zich kan laten opleiden tot professioneel musicus of danser.

Historische achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

De benaming 'conservatorium' is afgeleid van het Latijnse 'conservare' (='bewaren'). De naam gaat terug op de weeshuizen, 'bewaar'-plaatsen (opvangplaatsen) voor ouderloze kinderen, in Italië. Reeds Paus Gregorius I (ca. 600) rekruteerde voor de zangersknapen jongens uit deze instellingen. Sinds de 16e eeuw werd het een vaste regel dat deze knapen, indien ze een goede stem en muzikaal gevoel hadden, een zangersopleiding kregen ten behoeve van de koren van de kathedralen en andere grote kerken. Pas tegen het eind van de 18e eeuw ontstonden ook in andere landen muziekscholen buiten deze weeshuizen om, maar de naam bleef tot in onze tijd in praktisch alle landen behouden.

De voornaamste conservatoria werden opgericht in Napels (1537: het Santa Maria di Loreto, de voorganger van het huidige Conservatorio di San Pietro a Majella di Napoli), Stockholm (1771), Stuttgart (1775), Parijs (1784), Milaan (1807), Praag (1811), Brussel (1813), Wenen (1822), Londen (1822), Den Haag (1826), Madrid (1830), Genève (1835), Boston (1853), Sint Petersburg (1862), Moskou (1866), Amsterdam (1862) en Antwerpen (1897).

Eind 20e eeuw kregen tal van Nederlandse en Belgische plaatsen de wettelijke status van 'Conservatorium' voor hun muziekschool. De vroegere beperktheid van het aantal muziekvakken dat aan een conservatorium werd onderwezen is bovendien aanzienlijk uitgebreid.

Opleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Structuur[bewerken | brontekst bewerken]

Tot aan de invoering van het Bachelor-master stelsel (BaMa) in 2002 was een conservatoriumopleiding als volgt opgebouwd:

  • Diploma Docerend musicus (DM) voor alle hoofdvakstudies instrumenten en zang, duur 4 jaar; met dit diploma was men bevoegd om les te geven aan muziekscholen.
  • Diploma Uitvoerend Musicus (UM) voor alle hoofdvakstudies instrumenten en zang, duur 2 jaar en aansluitend op de opleiding Docerend Musicus; alleen voor de meeste getalenteerde studenten.
  • Praktijkdiploma's en Einddiploma's voor de studies Orkestdirectie, Compositie, Schoolmuziek (muziekdocent in basis- en voortgezet onderwijs), Theorie der Muziek, Jazz en Popmuziek / Lichte Muziek.
  • Diverse Praktijkdiploma's die men als aanvullende studie naast de hoofdvakstudie kon doen zoals Kerkmuziek (Kerkelijk koorleider en Kerkelijk orgelspel) en Directie HaFaBra (Harmonie, Fanfare en Brassband).

Vanaf 2002 is de opleiding verdeeld in opleidingen voor de internationaal erkende academische titels:[1]

  • Bachelor of Music of Bachelor Music in Education (BMus / BEd): 2 basisjaren, daarna 2 jaar specialisatie Profiel Performer Allround of Profiel Performer Educator, gericht op muziekonderwijs.
  • Master of Music (MMus): 2 specialisatiejaren aansluitend op de bacheloropleiding voor de meest getalenteerde studenten, gericht op de internationale beroepspraktijk; met als extra mogelijkheid zich te specialiseren in bijvoorbeeld Opera of Oude muziek. Een scriptie maakt onderdeel uit van de opleiding.
  • Beide studies kunnen aangevuld worden met een Minorstudie: een samenhangend vakkenpakket, verdeeld over een of meerdere jaren dat parallel aan de hoofdstudie wordt gevolgd, zoals bijvoorbeeld kamermuziek, ensembleleiding, zang, compositie (voor instrumentalisten), barokke speeltechnieken (voor strijkers) en flamencomuziek, tango of wereldmuziek.
  • Bij sommige conservatoria bestaat de mogelijkheid om muziektheoretische vakken te volgen aan een universiteit waarmee wordt samengewerkt.

Tot 2014 waren de graden van universitaire opleidingen ongelijk aan die van het hoger beroepsonderwijs. De graad Bachelor/Master of Arts was alleen toegestaan voor universitaire opleidingen. Sinds 1 januari 2014 is het wettelijk mogelijk gemaakt dat ook hogescholen deze graden mogen uitreiken. De Bachelor/Master of Arts-titel komt dan in de plaats van de Bachelor/Master of Music-titel.[2]

Bij zowel de oude als de nieuwe structuur is er sprake van een propedeusejaar. Dit jaar is oriënterend en selecterend van karakter, en dient men met voldoende resultaten af te sluiten om toegelaten te worden tot de Hoofdfase.

Toelating[bewerken | brontekst bewerken]

Om aan een conservatorium te worden aangenomen moet eerst een toelatingsexamen afgelegd worden, dat bestaat uit een schriftelijk en/of mondeling theoretisch deel en een praktisch deel, een auditie. Om het vereiste aanvangsniveau te bereiken is het nodig dat men al een groot aantal jaren les heeft gehad op het betreffende instrument van een beroepsdocent, die zelf ook een conservatoriumdiploma heeft. Dat kan via een privé-docent of bij een docent aan een muziekschool. In Vlaanderen kan men ter voorbereiding op het conservatorium ook deeltijds kunstonderwijs volgen, of kunstsecundair onderwijs voor de studierichting Muziek of Woordkunst.

Als men nog onvoldoende theoretische kennis heeft maar wel voldoende muzikaliteit heeft laten zien bij de auditie, kan men toegelaten worden tot de Vooropleiding (deeltijdstudie). In dit jaar leert men alle benodigde theoretische kennis en wordt tevens gekeken of de muzikale ontwikkeling van de student voldoende is om toegelaten te worden tot het eerste jaar.

Inhoud studie[bewerken | brontekst bewerken]

Bij instrumentale hoofdvakken en het hoofdvak zang ligt de nadruk op musiceren. De student krijgt wekelijks een uur les van de hoofdvakdocent. Daarnaast zijn er ook (instrumentale) groepslessen, lessen met begeleiding van een pianist of lessen in ensemblespel. De student wordt geacht zo'n 3 tot 6 uur per dag te studeren op zijn instrument, afhankelijk van het type instrument. Bij zangers en blaasinstrumenten is het aantal uren lager i.v.m. de fysieke belasting die ermee gemoeid is.

Naast de instrumentale vakken zijn er voor alle studenten lessen muziekgeschiedenis, algemene muziekleer en solfège. Voor de pedagogische studies zijn er ook lessen in methodiek en ontwikkelingspsychologie. Daarnaast kennen verschillende hoofdvakken specifieke aanvullende lessen, zoals orgelbouw en improviseren voor organisten, harmonieleer, contrapunt en vormleer voor componisten, of Italiaans en Alexandertechniek voor zangers. Verschillende conservatoria geven daarnaast lessen in de zakelijke aspecten van het ZZP-erschap ter voorbereiding op de praktijk.

Ontwikkeling[bewerken | brontekst bewerken]

Over het algemeen geldt dat de student tijdens de hele opleiding (zoals bij elke kunstopleiding) voldoende artistieke ontwikkeling moet tonen om te mogen afstuderen. Als deze ontwikkeling stagneert of men de potentie niet waar weet te maken, kan een bindend studieadvies tot stoppen volgen. De bedoeling is dat de student aan het eind van de opleiding blijk geeft van een groot muzikaal voorstellingsvermogen en deze ideeën kan realiseren door alle geleerde kennis betreffende toonvorming op het instrument en interpretatie, zelfstandig en op een juiste manier op muziekstukken in verschillende stijlen toe te passen. Daarnaast weet de musicus met zijn instrument te communiceren naar een publiek toe en geeft hij/zij blijk van een eigen, herkenbare artisticiteit, waarmee de musicus zich van anderen onderscheidt.

Overige studies[bewerken | brontekst bewerken]

Voor geïnteresseerden die niet aan een conservatorium terecht kunnen, hetzij omdat zij afgewezen zijn bij de toelatingsexamens, hetzij omdat ze te oud zijn voor een reguliere opleiding, bestaat de mogelijkheid om via een staatsexamen in het bezit te komen van een bachelordiploma. Men volgt dan meestal de theoretische vakken bij een instituut dat daarin gespecialiseerd is (zoals de Schumann Akademie), en de praktische vakken bij een private docent.

Naast de pop- en jazzopleidingen aan de reguliere conservatoria zijn er ook gespecialiseerde Rock- en Popacademies die op HBO-niveau popmuziek als studierichting aanbieden.

Het is ook mogelijk aan een universiteit musicologie te studeren. In deze studie ligt de nadruk op theoretische vakken en onderzoeksvaardigheden, en niet op de instrumentvaardigheid.

Werkveld[bewerken | brontekst bewerken]

Afgestudeerden kunnen gaan werken als privédocent of docent aan een muziekschool. Bespelers van orkestinstrumenten kunnen solliciteren op vacatures bij ensembles en symfonieorkesten, of een eigen ensemble starten om mee op te treden. Pop- en jazzmusici kunnen een eigen band oprichten of als studiomuzikant meewerken aan opnames van anderen. Zeer getalenteerde musici kunnen door een impresariaat gescout worden, waarna de impresario optredens gaat regelen. Jonge net afgestudeerde solisten kunnen meedoen aan concoursen, om zo naamsbekendheid te verwerven als men een prijs wint. De top van de Nederlandse solisten kan zich, met hetzelfde doel, aanmelden voor de Nederlandse Muziekprijs.

Afgestudeerden met een conservatoriumdiploma kunnen ook werk vinden in aanverwante beroepen zoals in de organisatie van muziekfestivals, concertzalen en poppodia, als impresario, orkestinspiciënt of artistiek leider, als muziekrecensent of redacteur van een (vak-)tijdschrift, of een studie tot muziektherapeut volgen. Soms worden musici instrumentenbouwers, -stemmers of -reparateurs. Vaak heeft men als ZZP-er een gemengde beroepspraktijk, waarbij ook deeltijdbanen buiten de muziek worden genomen om het inkomen aan te vullen.

Over het algemeen geldt dat het moeilijk is om als musicus werk te vinden, tenzij men zeer getalenteerd is. Volgens de beoordeling van de Nationale Beroepengids (2021) zijn de baankansen voor musici "slecht".[3] Volgens onderzoek van EWMagazine (2021) verdienen musici na 10 jaar gewerkt te hebben bruto €27.639,- per jaar / €23,39 per uur (mediaan) en behoren daarmee tot de laagst verdienende HBO-opgeleiden.[4]

Conservatoria[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de pagina's Conservatoria in Nederland, Conservatoria in België en Lijst van conservatoria voor een overzicht van alle (internationale) opleidingen.

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

Andreas Dorschel, 'Die Idee des Konservatoriums', in: Mendelssohns Welten, ed. Laurenz Lütteken (Kassel - Basel - London: Bärenreiter, 2010), 89-108.