Erfzonde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Erfzonde. Schilder: Bertram von Minden. Kunsthalle Hamburg

De erfzonde of oorsprongszonde is, volgens de christelijke leer, de zondigheid die ieder mens door zijn geboorte aankleeft als gevolg van de zondeval van het eerste mensenpaar.[1] Vrijwel alle christelijke kerken onderschrijven dit leerstuk. De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (mormonen), de joodse theologie en de islam erkennen het begrip niet. Niet-christenen gebruiken in dit verband soms de termen "menselijke imperfectie" of "het menselijk tekort".[2]

Erfzonde in de Hebreeuwse Bijbel[bewerken | brontekst bewerken]

Het begrip erfzonde komt zelf niet in de Bijbel voor, maar is volgens de christelijke leer gevolg van de zondeval.[3] In het Bijbelverhaal van de zondeval waren Adam en Eva de eerste paradijsbewoners, aan wie het door God verboden was te eten van de Boom van de kennis van goed en kwaad. Op aanraden van een slang - die traditioneel door de christenen in navolging van de rabbijnen gelijk wordt gesteld aan Satan[4] - aten zij toch van die boom. Hierdoor verwierven ze kennis van goed en kwaad en werden zij onderworpen aan zonde en dood. Door deze eerste zonde werd de gehele mensheid sterfelijk en behept met een zondige natuur.[5] Deze zondige en sterfelijke aard wordt, volgens het christendom, door ieder mens in de lijn van de geslachten 'geërfd' van de eerste voorouders.

Het leerstuk is naast de geschiedenis van de zondeval ook gegrond op andere bijbelteksten, bijvoorbeeld Psalm 51:7[6] en Romeinen 5:12-19.[7]

Historie van het erfzondebegrip[bewerken | brontekst bewerken]

De val van Adam en Eva, een werk van Antonio Rizzo, in 1476 dat het kapiteel van de zuidwestelijke hoek van het Palazzo Ducale in Venetië siert.

De leer van de erfzonde is gebaseerd op het werk van de kerkvaders, onder wie Augustinus. Augustinus stelde dat de mens zo was geschapen dat hij kon zondigen (posse peccare). Door de zondeval kan de mens niet níet zondigen (non posse non peccare). Wanneer Jezus wederkomt en de mensen leven op de nieuwe aarde, zal men nooit meer kunnen en willen zondigen (non posse peccare). Deze laatste staat van de mens overtreft de staat van de mens in het paradijs voor de zondeval overtreffen.

De leer van de erfzonde is op verschillende concilies vastgesteld, bevestigd en toegelicht. De concilies van Carthago (418) en Orange (529) keerden zich beide tegen de leer van Pelagius, het zogeheten pelagianisme dat de erfzonde ontkent. Op grond daarvan heeft de christelijke kerk het pelagianisme als dwaalleer veroordeeld. De leer is opnieuw bevestigd en toegelicht op de concilies van Florence (1439) en Trente (1545-1563).[8]

De erfzonde geldt, volgens het christendom, voor het gehele menselijke geslacht. Er is volgens de Rooms-Katholieke Kerk een uitzondering: Maria, de moeder van Jezus. Zij is zondeloos geboren. Dit is vastgelegd in het leerstuk van de onbevlekte ontvangenis. Op grond daarvan kon ook Jezus zonder zonde worden geboren. Protestantse christenen kennen de leer van de onbevlekte ontvangenis niet. Wel is ook volgens hen Jezus zonder erfzonde geboren.

De leer van de erfzonde is binnen het gereformeerde protestantisme onder andere vastgelegd in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Volgens artikel 15 hebben alle mensen een zondige natuur en wordt de erfzonde niet teniet gedaan door de doop.

De ideologieën van de 19e en 20e eeuw, liberalisme, socialisme, nationaalsocialisme en communisme, zijn stelsels die expliciet uitgaan van de aardse vervolmaakbaarheid van de mens en zijn daarmee openlijk strijdig met het leerstuk van de erfzonde. Mensen met een conservatieve levensopvatting, ook niet-christenen, hebben vaak waardering voor de leer van de erfzonde. Voorbeelden hiervan zijn: J.L. Heldring en Theodore Dalrymple. In een open brief aan Václav Havel heeft Joseph Brodsky het belang van dit leerstuk benadrukt.[9]

Erfzonde in de christelijke dogmatiek[bewerken | brontekst bewerken]

De leer van de erfzonde is een centrale leerstelling in de christelijke dogmatiek. Het is een hoeksteen van de verzoeningsleer. De erfzonde veroorzaakt een verwijdering tussen mens en God en maakt een verzoening noodzakelijk. De erfzonde veroorzaakt tevens sterfelijkheid en lijden van de mens waardoor de zondige mens verlossing nodig heeft. Deze verlossing van de mens, tevens verzoening tussen mens en God, is gekomen, volgens het christendom, met de kruisdood en opstanding van de in Jezus Christus vleesgeworden God.

In de rooms-katholieke leer wast het doopsel de erfzonde af, maar er blijven sporen in de mens achter waardoor de geneigdheid tot zonde blijft bestaan, de zgn. 'begeerlijkheid'.[8] Protestanten beschouwen de doop als een symbolische afwassing van de zonde van de mens.

Het leerstuk van de erfzonde zegt dat de geneigdheid tot het kwaad niet wordt veroorzaakt door externe, sociale instituties, maar in het hart van de mens zelf ligt. Reinhold Niebuhr sprak van de zonde bij de mens als 'onvermijdelijk, hoewel niet noodzakelijk'.[10]

De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen leert dat de mens voor zijn eigen zonde wordt gestraft en niet voor Eva's overtreding.

De erfzonde wordt wel onderscheiden in erfschuld en erfsmet.

Maatschappelijke gevolgen[bewerken | brontekst bewerken]

Het dogma van de erfzonde had in de jaren zestig van de 20e eeuw gevolgen voor de begrafenis van doodgeboren en dus ongedoopte kinderen van katholieke ouders. Ongedoopte kinderen moesten worden begraven in ongewijde aarde, omdat de erfzonde niet door de doop was afgewassen. Begin 21e eeuw werden deze graven op sommige kerkhoven alsnog gewijd. Ook was er sprake van nooddopingen bij baby's die dreigden te sterven.

De leer van de erfzonde betekent in de praktijk dat mensen of christenen zonde en kwaad niet bij één mens of groep mogen parkeren. In de grond van de zaak zijn immers alle mensen zondig, de een is niet beter dan de ander.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]