Huidskleur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
1rightarrow blue.svg Zie Biologisch pigment voor een algemene bespreking van de organische stoffen die planten en dieren hun kleuren geven.
Dit portret van een familie 'kleurlingen' uit Zuid-Afrika toont een deel van het spectrum van lichte tot donkere huid

Huidskleur is de kleur van de menselijke huid, die varieert van bijna zwart en donkerbruin tot vrijwel kleurloos, wat lichtbeige of -roze lijkt.

Iemands huidskleur is het product van de genen van beide biologische ouders. Huidpigmentatie ontstond als een evolutionaire adaptatie om de nadelige effecten van ultraviolet-straling te beheersen. In donkere huid dringt deze straling in mindere mate binnen. Donkere huid ontwikkelde zich op droge en zonnige plaatsen, terwijl bleke huid, die vitamine D aanmaakt op basis van kleine hoeveelheden zonlicht, zich later opnieuw ontwikkelde als adaptatie voor mensen die in noordelijker streken waren gaan wonen.

De uiteindelijke huidskleur van een individu wordt beïnvloed door tal van stoffen, waarvan het pigment melanine veruit de belangrijkste. Melanine maakt de huid donkerbruin. Lichte huid krijgt zijn kleur voornamelijk door het blauwachtig witte bindweefsel onder de dermis en door de hemoglobine in de bloedvaten van de dermis. De rode kleur van het bloed kan toenemen door lichaamsbeweging of stimulatie van het zenuwstelsel. Iemands huidskleur is niet overal op het lichaam gelijk. Zo is de huid op de handpalmen en voetzolen doorgaans lichter dan andere plaatsen. Bovendien kan de huidskleur van een individu tijdelijk donkerder worden (bruinen) door blootstelling aan zonlicht. Vrouwen hebben gemiddeld een iets lichtere huidskleur dan mannen.

In veel samenlevingen is huidskleur een belangrijke indicator van groepslidmaatschap of sociale status. Racisme wordt vaak op verschillen in huidskleur gestoeld. Al eeuwenlang geniet bleke huid de voorkeur in Europa en later – door kolonisatie en globalisatie – ook elders in de wereld. Bij blanken zelf wordt een licht gebruinde huid dan weer vaak als aantrekkelijk beschouwd.

Genetische factoren[bewerken]

Huidskleurkaart volgens R. Biacutti met data van vóór 1940 op basis van de kleurenschaal van Renatto Luschan

De kleur van de huid wordt bepaald door de hoeveelheid en het type pigment (melanine) in de huid. Er zijn twee typen melanine, te weten feomelanine (rood tot geel) en eumelanine (donkerbruin tot zwart). Van beide soorten wordt de hoeveelheid en het type bepaald door vier tot zes genen. De mens erft één zo'n gen van de vader en één van de moeder. Van deze genen komen diverse allelen voor, wat resulteert in een grote variëteit van verschillende huidskleuren.

Een donkere huid beschermt tegen huidkankers die worden veroorzaakt door mutaties in huidcellen door ultraviolet licht. Mensen met een lichte huid hebben daardoor een tienmaal grotere kans om te overlijden aan huidkanker dan mensen met een donkere huid onder gelijke zon-omstandigheden. Ook beschermt een donkere huid tegen de vernietiging van het essentiële vitamine-B foliumzuur door UV-A straling. Foliumzuur is noodzakelijk voor DNA-synthese bij celdeling, en een te lage hoeveelheid foliumzuur kan bijvoorbeeld bij zwangere vrouwen leiden tot geboorteafwijkingen.

Hoewel een donkere huid aan de ene kant de degeneratie van vitamine-B tegengaat, kan het ook leiden tot een gebrek aan vitamine-D. Het voordeel van een lichte huid is dat deze huid het zonlicht niet zo effectief blokkeert als de donkere huid, hetgeen leidt tot een hogere productie van vitamine D3, de vitamine die noodzakelijk is voor kalkopname en botgroei.

Van de evolutie van de diverse huidskleuren wordt gesteld dat ze is ontstaan doordat de behaarde voorouders van de mens, zoals mensapen, een lichtgekleurde huid onder hun lichaamshaar hadden. Toen ze door evolutie hun inmiddels nutteloos geworden lichaamsbeharing kwijtraakten ontwikkelden ze een donkerder huid, om het niveau van foliumzuur aanvaardbaar te houden (ze leefden immers in het zeer zonnige Afrika). Vanaf het moment dat de mens naar minder zonnige regionen migreerde werd het lage vitamine D3 niveau een probleem en werd de huid weer lichter.

De Inuit en de Yupik zijn uitzonderingen, zij hebben ondanks het feit dat ze in een extreem zon-arme omgeving leven hun relatief donkere huid behouden. Dit kan wetenschappelijk worden verklaard door het feit dat hun voedingspatroon (het zijn vleeseters) traditioneel veel vitamine-D bevat.

Albinisme is een aandoening die wordt gekenschetst door de afwezigheid van melanine, hetgeen resulteert in een witte huid en wit haar. Albinisme is een genetische mutatie.

Ras[bewerken]

De huidskleur en de variaties hierin worden soms gebruikt als een (controversiële) poging om iemands ras te bepalen, zie hierover ook het lemma racisme.

Zie ook[bewerken]