Massilia

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Massalia)
Ga naar: navigatie, zoeken

Massilia is de Latijnse benaming van de Griekse kolonie Massalía (Grieks: Μασσαλία), die door de Ioniërs van Phocaea in 600 v.Chr. werd gesticht. De kolonie was gelegen aan de zuidelijke kust van Gallië en beheerste op haar hoogtepunt het gebied van wat nu ongeveer Zuid-Frankrijk is, met als kerngebied de huidige Provence, en de noordwestelijke kuststreken van de Middellandse zee. Massilia ontwikkelde zich in de loop der tijd tot de moderne stad Marseille.

Geschiedenis[bewerken]

De stichting (begin 6e eeuw v.Chr.)[bewerken]

De Phocische[1] kolonie Massalia werd op Ligurisch gebied gesticht (nl. dat van de Salluvii) op een glooiend terrein dat gelijkenissen vertoont met de situatie in steden zoals Ephese, Milete en Phocaea zelf. De baai van Lacydon (Vieux Port) was ideaal voor de vestiging van een maritieme handelsstad. Zowel archeologische bevindingen als antieke schrijvers lijken 600 v.Chr. als jaartal van de stichting te bevestigen. De Griekse geschiedschrijver Timaios bijvoorbeeld situeert het ontstaan van de kolonie 120 jaar voor de slag bij Salamis.

Volgens een andere traditie, zou 540 een betere hypothese zijn. Dit is de periode waarop Phocaea door de Perzen werd veroverd, waarna een emigratiegolf zou zijn veroorzaakt naar reeds verkende gebieden. Hoewel dergelijke theorieën over een latere stichting van Marseille opzijgeschoven mogen worden, verhindert niets de mogelijkheid dat de jaren die volgen op de inname van Phocaea, een tijd waren van diepe veranderingen of zelfs versnelling van de bloei van Massalia, die wegens de “vermaardheid van haar wapenfeiten, de overvloed aan haar rijkdommen en de glorie van haar jonge krachten” een belangrijke, vooral commerciële, rol zou spelen in het westelijke deel van de Middellandse zee. De stichtingsmythe, die volgens Athenaeus al in de IVe eeuw door Aristoteles was gekend, verhaalt over het huwelijk van de inheemse prinses Gyptis met Protis, jonge Phoceeër en stichter van de Griekse kolonie.[2] Dit verhaal wordt het uitvoerigst beschreven door Pompeius Trogus.[3]

Ontwikkeling tot het midden van de 3e eeuw v.Chr.[bewerken]

Invloedssferen in de westelijke Middellandse Zee rond 300 v.Chr.

Marseille dankte haar groei aan de gunstige ligging voor commerciële activiteiten en de controle op de handel in metalen. Vanaf de begintijden van de kolonie, knoopten de Griekse inwoners van het oude Marseille handelscontacten aan met de aangrenzende Ligurische gebieden en met het Iberisch schiereiland. Ceramiek werd zowel uit Korinthe, oostelijk Griekenland (onder andere Chios) en Attika, als uit Etruskische gebieden ingevoerd. In de loop van de 6e eeuw v.Chr. wordt de eigen vaatwerkvervaardiging steeds belangrijker. De productie en export van wijn worden tevens van groot belang. De oudst bekende munten die in Marseille zelf werden geslagen dateren uit 530 v.Chr.. Een schenking aan het heiligdom van Delphi in 525 v.Chr. (nl. het zgn. "Schathuis van Massalia") toont hoe welgesteld Marseille reeds in die tijd moet geweest zijn. Na een tijd van vermoedelijke stagnatie op politiek en economisch vlak (vanaf het einde van de 6e eeuw tot in de 5e eeuw v.Chr.), teweeggebracht door de expansie van Carthago, ziet men tekenen van expansie terugkeren.

In de 5e en 4e eeuw v.Chr. stichtten de inwoners van Massalia een groot aantal kolonies om de handelsroutes en de aanvoer van edele metalen en tin veilig te stellen. Volgens Strabo dienden ze ook als bescherming tegen de barbaren.[4] Aan de kust van Iberië werd het Griekse Ἐμπόριον, door de Romeinen omgedoopt in Emporiae gesticht (vandaag Empúries); aan de Gallische kusten o.a. Olbia (Hyères), Antipolis (Antibes), en Nikaia (Nice); en in het Ligursche binnenland o.a. Avennion (Avignon) en Kabaillon (Cavaillon). Door deze vestigingen werd een groot deel van Gallië economisch en cultureel verbonden met het Mediterrane gebied. Massilia droeg op die manier bij tot de verspreiding van het Hellenisme.

Rond 400 v.Chr. slaagde Massalia erin om de Carthaagse vloot te verslaan. Nadat de stad haar economische positie had versterkt, werd in de 4e eeuw v.Chr. door Pytheas van Massalia een grote ontdekkingsreis ondernomen tot aan de Britse eilanden, terwijl Euthymenes de Afrikaanse kusten tot Senegal zou hebben verkend.

Instituties, cultuur en zeden in de Griekse periode[bewerken]

Cicero sprak met lof over de constitutie en de politieke wetten van de Marseillaanse polis en haar politeia.[5] Massalia had een zeer aristocratische en conservatieve politieke traditie. De monografie over Massalia van Aristoteles is niet tot ons overgeleverd, maar dankzij Strabo weet men dat de raad van deze handelsoligarchie bestond uit 600 voor het leven gekozen timouchoi, voorgezeten door 15 ‘wijzen’, die voor het feitelijke bestuur instonden en die op hun beurt onder een driemanschap stonden.[6]

Dezelfde Strabo verwijst naar de aanwezigheid van heiligdommen van de moedergodin Artemis Ephesia en van Apollo Delphinius.[7] De kalenders van Lampsakos, een zusterstad, en Phocaea vernoemen nog andere godheden; Dionysos, Apollon Thargelios, Leukothea en Cybele.

De zeden in de stad worden gekenmerkt door een eenvoud in de smaak, een grote zin voor discipline en ook door de strenge orde en naleving van de oude archaïsche traditie. In de Griekse periode begon zich ook de intellectuele en wetenschappelijke traditie te ontwikkelen, die in de Romeinse periode zou blijven doorleven. De artistieke cultuur schijnt echter minder prominent te zijn geweest. De taal is gedurende een lange tijd zeer dicht bij Archaïsch-Ionisch dialect gebleven, die zich onderscheidde van de gemeenschappelijke hellenistische taal. De antroponymie werd gekenmerkt door het vaak voorkomen van namen afgeleid van goden of rivieren van Aeolië.

Massalia en Rome (van de 3e eeuw tot 49 v.Chr.)[bewerken]

Zilveren munt van Massilia met het opschrift MAΣΣA-ΛIΗTΩ[N] aan de keerzijde.

Terwijl de band met Griekenland bleef bestaan, werden connecties met Rome aangeknoopt. Economische contacten tussen Campania en Massalia worden vanaf de 3e eeuw geattesteerd. Rome en Marseille werden door hun gemeenschappelijke concurrent Carthago naar elkaar gedreven. Tijdens de Tweede Punische Oorlog (218-201) kozen de Massalioten de zijde van Rome en verzetten ze zich tegen Hannibal, die hen evenwel niet aanviel. Hun vloot speelde tevens een belangrijke rol. Het bondgenootschap gaf Marseille enige diplomatieke invloed, zoals in 197 bij de voorspraak in de Senaat ten gunste van Lampsakos. Door een gelijkaardige diplomatische tussenkomst werd Phocaea ca. 130 v.Chr. van de verwoesting gespaard, (wat aanleiding gaf tot de vergoddelijking van de personificatie Massalia in de moederstad). Maar Rome zou uiteindelijk het meest van deze alliantie profiteren.

In 181 riepen de Massalioten de hulp van Rome in om zich van de Ligurische piraten te bevrijden en in 154 werd de consul Quintus Optimus gestuurd om de Ligurische volkeren te bestrijden die Nikaia en Antipolis bezetten. Het belang voor Rome lag vooral in het veiligstellen van de weg tussen Italië en de twee Spaanse provincies. Een derde interventie in 125 tegen de naburige volkeren , die nu Massalia zelf bedreigden, zou leiden tot de onderwerping van de gehele regio door de consuls Marcus Fulvius Flaccus en Gaius Sextius Calvinus. De nieuwe provincie, Gallia Transalpina (na de stichting van Narbonne omgedoopt tot Gallia Narbonensis), verzwakte de handelspositie van Massalia en maakte haar steeds meer afhankelijk van Rome. De diplomatieke relaties bleven echter goed. Gaius Marius verleende de rechten over een kanaal ten oosten van de Rhônedelta aan de inwoners van de Hellenistische enclave en Pompeius kende hen Gallisch gebied toe.

Massilia na 49 v.Chr.[bewerken]

In 49 v.Chr. brak er een burgeroorlog tussen Pompeius en Caesar uit waarbij Massilia zich echter neutraal opstelde. Maar Domitius Ahenobarbus, de nieuwe proconsul van Gallia Narbonensis met zijn zetel in Massilia, was een bondgenoot van Pompeius en hij begon de stad te versterken en weigerde Caesar vrije doortocht op zijn weg naar Hispania wat Pompeius thuisbasis was. In 49 belegerde Julius Caesar de stad, die volgens hem de kant van Pompeius gekozen had (zie Beleg van Massilia). In een paar maanden tijd maakte hij een einde aan de welvaart en de onafhankelijkheid van Massalia. De stad behield haar theoretische status van civitas foederata, maar moest afstand doen van haar vloot, van de krijgskas en van een groot deel van haar chora (territorium). Na de overgave zou Marseille geen belangrijke politieke rol meer spelen. De stadstaat maakte geen deel uit van de Gallische Provincie, maar wel van het Imperium Romanum (als bondgenoot) en de lokale aristocratie handelde nu ad maiorem Romae gloriam. Op economisch vlak moest de stad nu leven in de schaduw van Narbo Martius (Narbonne) en Arelate (Arles).

Hoewel Massilia tijdens het Keizerrijk moeilijker te onderscheiden werd van andere Romeinse gemeenten, behield ze een ‘hellenistische’ reputatie tot in de 5e eeuw. In de loop van de tijd werd afstand gedaan van het systeem van de traditionele magistraten (de 600, de 15 en de 3) om het Romeinse systeem tegen de 2e eeuw in te voeren.

De stad bleef een belangrijk cultureel centrum dat zoals Athene Romeinse studenten en intellectuelen aantrok. De medische school van Massilia zou een paar bekende artsen voortbrengen. Een van hen was Crinas, werkzaam aan het hof van Nero, die uit eigen zak de stadswallen van Marseille liet heropbouwen. Het is achter deze muren dat Maximianus, die het keizerschap opnieuw ambieerde, zich in 307 tegen Constantijn zou verdedigen.

In de 2e eeuw n.Chr. kwam het Christendom op in Marseille, zoals in Lyon en in Vienne. De stad kwam rond 476 onder controle van de Visigoten.

Zichtbare restanten[bewerken]

Het oude centrum van Marseille. De blauwe lijn is de oude kustlijn met haven van Massilia. De stad lag op het goed verdedigbare hogere gebied ten noorden van de haven. 1=Jardin des Vestiges

Heden zijn nog resten te zien van de Griekse stad in het park Jardin des Vestiges.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]