Open access

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Open Access-logo, ontworpen door de Public Library of Science

De Open Access-beweging (ook bekend onder de namen Open Access-publishing en free online scholarship) wil een grote verscheidenheid aan actuele wetenschappelijke informatie vrij toegankelijk beschikbaar maken. Dit Open Access-model legt dus de nadruk op het zonder beperkingen beschikbaar stellen van culturele en wetenschappelijke verwezenlijkingen, in het bijzonder het gratis online beschikbaar stellen ervan. Dit houdt in dat de auteur instemt met het verspreiden van zijn werk, maar ook dat er een geschikte technische uitrusting is om die verspreiding te ondersteunen.

In tegenstelling tot het Open Content-idee, dat verondersteld wordt toestemming te geven tot het aanpassen en wijzigen van werkstukken, beperkt Open Access zich tot vrije beschikbaarheid zonder meer. Dit is vooral van belang in de wetenschappelijke wereld, waar het onveranderd houden van de inhoud van een werkstuk als referentie voor verder werk van groot belang is.

Algemeen[bewerken]

De Open Access-beweging ontstond onder impuls van de nieuwe technische mogelijkheden van het wereldwijde web (www). Het grote succes van de eerste gratis online wetenschapsarchieven, zoals arXiv.org, stimuleerde verdere ontwikkelingen. Vele onderzoekers waren namelijk begonnen onafhankelijk van elkaar preprints op hun sites te zetten. Deze nieuwe situatie vereist geschikte inrichtingen voor de steeds verder toenemende hoeveelheden vrij beschikbare informatie. Het CiteSeer-project is een voorbeeld van een dienst die, naast het verzamelen van onderzoekswerk, ook de classificatie ervan, kruisverwijzingen en beschikbaarheid in verschillende bestandsformaten inhoudt. Klassieke wetenschappelijke vaktijdschriften zijn vaak slecht toegankelijk voor een breed publiek, onder meer doordat de abonnementsgelden hoog zijn. Via Open Access kan wel een breed publiek worden bediend – hetgeen op zijn beurt dan weer geringere belangstelling voor papieren tijdschriften oplevert.

Door het onveranderlijk karakter en de auteursvermelding van de publicatie, wordt de verantwoordelijkheid van de auteur voor zijn artikel gegarandeerd. Dit is belangrijk voor wetenschappelijke publicaties. Ook mag niet vergeten worden dat Open Access-publicaties nog steeds een strenge kwaliteitscontrole ondergaan (door middel van onder meer peer review). Tegenwoordig worden de elektronische Open Access-tijdschriften gewoonlijk ondersteund door bekende uitgevers die het selecteren van publicaties en het nakijken door referees organiseren. Open Access stimuleert het beheren van informatie door publieke of non-profitorganisaties zoals overheidsinstellingen en universiteiten.

Open Access versus Open Content[bewerken]

“Open inhoud of open content is een verzamelnaam voor creatief werk (zoals tekst, afbeeldingen, geluid en video) dat wordt gepubliceerd onder een niet-restrictieve licentie dat het kopiëren van die informatie en (afhankelijk van de gekozen licentie) ook het bewerken en verspreiden expliciet toestaat.” Hiermee is het belangrijkste over Open Content gezegd. Personen die een tekst schrijven, een tekening maken, een muziekstuk componeren, ... en willen dat dit verspreid wordt zonder dat hierop copyright kosten moeten betaald worden (zowel van beide kanten) hebben een Open Content document aangemaakt. Dit betekent niet noodzakelijk dat dit overal vrij mag gebruikt worden voor om het even wat. Daarvoor zijn er de Creative Commonslicenties opgesteld, die ervoor zorgen dat een auteur voorwaarden kan toevoegen, zoals naamsvermelding.

“De Open Access-beweging (ook bekend onder de namen Open Access-publishing en free online scholarship) wil een grote verscheidenheid aan actuele informatie gratis beschikbaar maken. Dit Open Access-model legt dus de nadruk op het zonder beperkingen beschikbaar stellen van culturele en wetenschappelijke verwezenlijkingen, in het bijzonder het gratis online beschikbaar stellen ervan.”

Open Access is een term die veel, maar niet altijd juist gebruikt wordt. Vaak wordt over Open Access gesproken als men het heeft over databanken waar al de artikelen fulltext staan, en iedereen deze zomaar in het wilde weg mag gebruiken. Dit is fout, daar het dan over open content documenten gaat. Open access betekent dat je toegang hebt tot artikelen via databanken, die niet noodzakelijk gratis zijn. De prijs van deze banken valt meestal wel mee, als er al een kostprijs wordt berekend. Op deze documenten, veelal artikelen, is er wel degelijk een bescherming voor de auteur. Wie uit deze documenten wil citeren moet een duidelijke auteursvermelding geven, en deze artikelen mogen zeker niet klakkeloos overgenomen worden. Daar is het grote verschil met Open Content. De artikelen zijn gratis of goedkoop beschikbaar, maar zijn niet vrij voor elk gebruik. De artikelen in een Open Access databank mogen geraadpleegd worden, maar niet aangepast worden. Bij Open Content is het dan weer net de bedoeling om bewerkt te worden, en zo tot een juister, esthetischer of meer verspreid resultaat te komen.

De gevolgen van Open Access voor het bibliotheekwezen[bewerken]

Warning icon.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.

De gevolgen van de Open Access-beweging zullen groot zijn vooral de universiteitsbibliotheken. Wetenschappelijke bibliotheken zullen veel goedkoper, en daardoor dus meer databanken kunnen aanbieden met wetenschappelijke informatie [bron?].

Niet enkel in de wetenschappelijke bibliotheek zal dit zijn gevolgen hebben, ook de openbare bibliotheek krijgt te maken met Open Access. Deze kunnen zo ook gespecialiseerde databanken aanbieden, die anders veel te duur waren [bron?]. Momenteel wordt er nog getwijfeld aan de wetenschappelijke juistheid van sommige bronnen uit Open Access databanken, maar dit is vooral uit onwetendheid. Als Open Access meer bekend en gekend wordt zullen deze databanken en repositories even hoog aangeschreven staan als de dure databanken.

Door de Open Access beweging wordt niet enkel het raadplegen goedkoper, of zelfs gratis, maar ook het publiceren van artikelen. Daardoor zullen veel wetenschappers de resultaten van hun onderzoeken kunnen publiceren zonder dat ze hiervoor een groot budget nodig hebben. Hierdoor kan er meer gepubliceerd worden, en is er meer informatie beschikbaar. Met die informatie kan weer verder gewerkt worden, zodat er nieuwe informatie bijkomt, die gepubliceerd wordt [bron?].

Zo krijgen bibliotheken de beschikking over meer en meer informatie, voor minder geld [bron?]. Waar bibliotheken echter op moeten letten is dat het zoeken in de databanken gericht gebeurt, want door de vele informatie zal het moeilijker worden om precies die informatie uit de databank te halen die nodig is. Maar naast dit negatieve punt, biedt Open Access enkel voordelen. Zowel voor openbare bibliotheken, wetenschappelijke bibliotheken en particulier gebruik.

Nederlandse Open Access initiatieven[bewerken]

In Nederland werken meerdere organisaties samen om ervoor te zorgen dat Open Access steeds meer aandacht krijgt. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), SURFShare, de Nederlandse universiteiten en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) hebben begin 2006 de database NARCIS opgezet.

NARCIS is een database die ontwikkeld is om de zichtbaarheid en vindbaarheid van Nederlands wetenschappelijk onderzoek te vergroten. In NARCIS is zowel het DAREnet (de repository's van de Nederlandse universiteiten) en de Nederlandse Onderzoeks Databank (NOD) geïntegreerd. Door deze koppeling biedt de database toegang tot wetenschappelijke informatie waaronder (open access) publicaties afkomstig van alle Nederlandse universiteiten, KNAW, NWO en een aantal wetenschappelijke instellingen.[1] De NARCIS-database bevat ruim een half miljoen publicaties waarvan tweehonderdduizend open acces publicaties zijn. De reden waarom sommige wetenschappers nog niet de publicaties Open Access publiceren is omdat wetenschappers vaak afhankelijk zijn van bekende en gerenommeerde tijdschriften. Het publiceren in bekende tijdschriften is bij subsidieverstrekker als de overheid vaak zelfs een vereiste. Het tegenstrijdige hiervan is dat door deze manier van publiceren andere wetenschappers en het publiek minder makkelijk toegang krijgen tot onderzoek dat vaak met belastinggeld is betaald.

Open access en HBO[bewerken]

Op donderdag 26 november 2009 heeft SURF samen met hogescholen een seminar over open toegang tot onderzoeksresultaten georganiseerd. Tijdens dit seminar werd er verder gebouwd op een werkconferentie die eind maart over dit onderwerp werd gehouden. Bovendien werd er tijdens het seminar ook de “Berlin Declaration on Open Access” ondertekend.[2] Dit gebeurde door de HBO-raad, de overkoepelende vereniging van hogescholen in Nederland, in de persoon van de voorzitter van de HBO-raad, Doekle Terpstra. Doordat de hogescholen een sterke band hebben met het bedrijfsleven is het onderzoek van de hogescholen sneller praktijkgericht dan onderzoeken uit de wetenschappelijke wereld. Hiernaast hebben ze ook een intentieverklaring getekend samen met de Koninklijke Bibliotheek (KB) voor het archiveren van digitale publicaties uit het hoger beroeps onderwijs in het e-Depot van de KB. In dit depot wordt permanente toegang tot digitale informatiebronnen nagestreefd.

Berlin Declaration on Open Access[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Verklaring van Berlijn over vrije toegang tot kennis in de wetenschappen en geesteswetenschappen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Berlin Declaration on Open Access is een verklaring die onderzoekers adviseert om hun materiaal te publiceren in open access, zodat de resultaten kosteloos toegankelijk worden gemaakt voor het publiek. Het gaat hierbij niet uitsluitend om de onderzoeksresultaten, maar de verklaring roept onderzoekers ook op ruwe data en ander materiaal te publiceren zodat anderen dit kunnen raadplegen, gebruiken en verder verspreiden. De enige eis die de verklaring hieraan stelt is dat de naam van de oorspronkelijke auteur wordt vermeld en er geen plagiaat mag worden gepleegd. De verklaring is in oktober 2003 in Berlijn tot stand gekomen tijdens een conferentie op initiatief van het onafhankelijke Max-Planck-Gesellschaft voor wetenschappelijk onderzoek. Inmiddels hebben een groot aantal wetenschappelijke organisaties in de hele wereld, waaronder alle Nederlandse universiteiten, de KNAW en NWO, de verklaring ondertekend.

Europese Open Access initiatieven[bewerken]

De Europese Commissie ondersteunt de beweging voor Open Access. Wetenschappers die EU-subsidie ontvangen worden gestimuleerd om hun artikelen conform de Open Access normen te publiceren. Daarnaast wordt er een pilotprogramma gevoerd waarbij gesubsidieerde onderzoeksresultaten verplicht via de digitale weg vrijelijk beschikbaar moeten worden gemaakt.[3] Naar aanleiding van het succesvolle Nederlandse DARE (Digital Academic Repository)-project, waar universiteiten en een aantal wetenschappelijk organisaties een netwerk hebben opgezet waarbinnen al het landelijke wetenschappelijke onderzoeksmateriaal kan worden opgeslagen en langdurig bewaard, heeft de Europese Commissie de DRIVER-, en daarna de DRIVER 2-projecten opgestart. DRIVER staat voor Digital Repository Infrastructure Vision for European Research, en is eigenlijk een Europese versie van het DARE-project. Het doel van DRIVER is het creëren van een netwerk waarbinnen al het Europese wetenschappelijke materiaal opgeslagen, bewaard en toegankelijk gemaakt wordt. Bestaande landelijke of institutionele netwerken worden gekoppeld aan dit Europese project.[4]

Ten slotte heeft ook de European University Association (EUA) een werkgroep voor Open Access opgericht. Binnen deze werkgroep wordt het gebruik van Open Access in de wetenschappelijke wereld bediscussieerd. In janurari 2008 is deze werkgroep met een "Statement on Open Access"[5] gekomen. Er wordt onder meer bekeken of Open Access-publicaties aan de wetenschappelijke normen voldoen en of peer reviewing binnen Open Access een voldoende kwaliteitswaarborg biedt. De 'peers' die het artikel lezen en becommentariëren moeten zelf ook onder enige vorm van toezicht staan, zodat het reviewen door capabele mensen wordt gedaan. Bij papieren tijdschriften is deze waarborg er al. Wil Open Acces volgens de werkgroep een succes worden dan moet het reviewen binnen die methode op een wetenschappelijk niveau plaatsvinden. Uit het statement blijkt ook dat de werkgroep vindt dat er aandacht moet worden besteed aan de vraag wat de positie is van het (nationale) auteursrecht bij Open Access publiceren, en moeten er voldoende waarborgen zijn dat de informatie die beschikbaar wordt gemaakt authentiek en integer is. Tot slot moet een Open Access netwerk mogelijkheden bieden tot goede indexering van de opgenomen publicaties zodat zoeken eenvoudig is.

Het nut van deze Europese initiatieven zit voor al in de uniformiteit van de manier waarop de publicaties beschikbaar worden gemaakt. Zou iedere lidstaat zijn eigen Open Access netwerk hebben dan is het voor wetenschappers uit de overige lidstaten moeilijker om toegang te krijgen tot de benodigde informatie. Zij moeten dan namelijk niet met één, maar met meerdere netwerken verbinding hebben om al het Europees wetenschappelijk onderzoeksmateriaal te doorzoeken.

Een van de laatste ontwikkelingen op Open Access gebied in Europa is OpenAIRE.[6] OpenAIRE is een initiatief dat tot doel heeft het onderzoek binnen het FP7 kaderprogramma (Het FP7 kaderprogramma is bedoeld om onderzoek en technologische ontwikkeling binnen Europa te ondersteunen en is het belangrijkste instrument van de Europese Unie voor het financieren van onderzoek in Europa[7] ) zo veel mogelijk in de Open Access sfeer te laten plaatsvinden. Het streven van OpenAIRE is om ongeveer 20% van het FP7 budget te laten investeren in Open Access publicaties. Dit doet zij door het aanleggen van structuren waardoor het voor onderzoekers makkelijker en toegankelijker wordt om Open Access te publiceren. Centraal hierbij staan de zogenaamde ‘Open Access Liaison Offices/verbindingsbureaus’ (waar onder meer de universiteit Utrecht onderdeel van uitmaakt), die verspreid over 27 landen samenwerken om dit te realiseren. Onderdeel is ook het bieden van mogelijkheden tot ‘peer-review’ (collegiale toetsing) en publicatie via een ICT-structuur.[8] OpenAIRE is gestart op 1 december 2009 en loopt tot 1 december 2012.

Uitdagingen[bewerken]

Open Access blijft een onderwerp van discussie. In mei 2009 is er door de International Publishers Association (IPA) mede namens de International Association of Scientific, Technical and Medical Publishers (STM) in samenwerking met de International Federation of Library Associations and Institutions (IFLA) een oproep gedaan tot temperen van emoties en het voeren van een meer rationele discussie over open access.[9] De kritiek op Open Access lijkt voornamelijk uit de hoek van de (wetenschappelijke) uitgevers te komen. Een van de belangrijkste zorgen ziet op de kwaliteit van de Open Acces gepubliceerde informatie. Deze kritiek is tweeledig. Ten eerste is er de stelling dat Open Access publiceren ten koste gaat van de peer review.[10][11] Critici, waaronder Peter Banks, stellen dat het merendeel van de peer review wordt geïnitieerd door de uitgevers zelf. Zij voorzien dat de uitgevers dit achterwege zullen laten omdat de opbrengsten de kosten niet zullen dekken. Ten tweede is er de kanttekening dat de veelzijdigheid van informatie die beschikbaar komt bij een grootschalige cultuur van Open Access publicatie de kwaliteit zal doen stagneren. Beide stellingen worden aangevochten door voorstanders als Jan Velterop en Peter Suber met de argumenten dat beide stellingen niet worden ondersteund door voldoende onderzoek en stellen dat peer review onafhankelijk is van prijs, medium en financieringsmodel van een tijdschrift. Dit zelf is al één van de garanties voor kwaliteit.

Auteursrecht[bewerken]

Een andere uitdaging die Open Access dient aan te gaan is die van het Auteursrecht. Dit komt echter eerder voort uit de ‘digitale omgeving’ dan uit het principe van Open Access. Lawrence Lessig gaf op 9 januari 2010 ter gelegenheid van zijn eredoctoraat aan de UvA een lezing over auteursrecht in de digitale omgeving.[12] Hij noemt het auteursrecht 'the elephant in the room'. Het probleem met auteursrecht in een digitale omgeving is dat in deze omgeving de ‘kopie’ centraal staat. Daarmee is nagenoeg elke handeling rond een werk auteursrechtelijk relevant en daarmee problematisch. Arnoud Engelfriet heeft in zijn blog 'ius mentis' de problematiek (en de oplossing) die Lessig beschrijft uiteengezet.[13]

Een toonaangevend voorbeeld van de auteursrechtproblematiek uit zich in Google Books. Ongeveer 84 procent van de boeken is auteursrechtelijk beschermd. Bij het grootste deel daarvan zijn de rechthebbenden niet getraceerd. Via een schikking, het Google Book Settlement (die overigens pas na het openbaarmaken is getroffen) werd geregeld dat 20% van dit soort boeken openbaar mocht worden gemaakt. Voor de rest dient te worden betaald via een bibliotheek of online boekhandel. Grootste bezwaar op het Google Book Settlement is dat een groot deel van de wereldliteratuur aan Google wordt gelicentieerd. Daarnaast krijgt Google het recht tot het uitbaten van vele miljoenen niet meer in druk verschijnende boeken. Werken waarvan de eigenaar niet meer te traceren is (verweesde werken) mogen door Google worden vermarkt. Privacy is het laatste punt van zorg op het Settlement. Het zou ongewenst zijn als Google een database zou bijhouden met informatie over wie wat leest. Naast alle kritiek op het Settlement is er ook veel steun. Door het Settlement zal veel kennis voor het publiek beschikbaar komen die een groot cultureel en wetenschappelijk doel dient.[14]

Het Settlement, de schikking, wordt op de lange termijn gezien als problematisch (onder andere door Engelfriet en Lessig) omdat bibliotheken en boekhandels volledige toegang nodig hebben. Ook is de vraag of een auteur altijd zijn eigen keuze zal kunnen blijven maken. Kan een auteursrechthebbende steeds besluiten of hij een werk wel via open access beschikbaar wil stellen? Het risico is aanwezig dat die keuzemogelijkheid in werkelijkheid verdwijnt. Een collectieve rechtenorganisatie, vergelijkbaar als BUMA voor naburige rechten, zal dan de vergoeding ontvangen en verdelen over de auteurs. Opgemerkt dient te worden dat de schikking enkel in de VS effect heeft. Het internationale karakter van internet en de pluriformiteit van (auteurs)wetgeving is hier een sta-in-de-weg om ook deze dienst in andere landen aan te bieden.[15]

Zie ook[bewerken]

Open access-projecten[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties