Naar inhoud springen

Pachycostasaurus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Pachycostasaurus
Status: Uitgestorven
Fossiel voorkomen: Midden-Jura
Pachycostasaurus
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Reptilia (Reptielen)
Superorde:Sauropterygia
Orde:Plesiosauria
Familie:Pliosauridae
Geslacht
Pachycostasaurus
Cruickshank et al., 1997
Typesoort
Pachycostasaurus dawni
Skelet van Pachycostasaurus
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Pachycostasaurus op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

Pachycostasaurus[1][2] (wat 'dikgeribde hagedis' betekent) is een geslacht van uitgestorven pliosauroïden uit de Oxford Clay-formatie van Peterborough, Engeland.

Geschiedenis en naamgeving

[bewerken | brontekst bewerken]

Het holotype fossiel van Pachycostasaurus werd begin jaren negentig ontdekt door Alan Dawn, een amateur-geoloog en museumvrijwilliger, in wat nu een steengroeve in Peterborough is, de Kings Dyke Brick Pit. Het fossiel werd in 1997 als een apart taxon benoemd door de paleontologen Arthur Cruickshank, David Martill en Leslie Noè, vanwege de verschillende kenmerken die niet aanwezig zijn bij de tijdgenoten, de pliosauriden Liopleurodon en Simolestes.

De geslachtsnaam verwijst naar de dikke botwanden van de ribben. De soortaanduiding eert Dawn als ontdekker.

De typesoort Pachycostasaurus dawni wordt vertegenwoordigd door een enkel bijna compleet exemplaar (PETMG R338) dat ongeveer drie meter lang was en driehonderd kilogram woog.

Misschien wel het meest bepalende kenmerk van dit geslacht zijn de grote, dikbuikige ribben en gastralia die in profiel worden beschreven als 'worstachtig'. Pachyostose is bekend van een aantal pliosauride geslachten (bijvoorbeeld Monquirasaurus) en is aanwezig bij moderne dieren als Sirenia (doejongs en lamantijnen). De robuuste, tonvormige torso, in combinatie met een relatief korte nek en kleine zwemvliezen, geven aan dat het geen behendige zwemmer was. Histologische secties van deze elementen laten zien dat ze ook osteosclerotisch zijn (gecombineerd vertegenwoordigt dit de toestand pachyosteosclerose).

Het holotype van voren bezien

Het holotype-exemplaar bezat vijf stevige en conische tandparen op de mandibulaire symphysis (waarvan de lengte een duidelijk kenmerk is van het geslacht in vergelijking met andere even oude pliosauriden Simolestes en Liopleurodon). Zijn kop had ongeveer twintig procent van de totale lichaamslengte, typisch voor de meeste pliosauriden van zijn tijd. Het specimen had tenminste dertien halswervels, deze wervels hadden verkorte centra en een vergroot ruggenmergkanaal, die niet zwaar verbeend waren behalve in het gebied van de wervelbogen (de doornuitsteeksels zelf waren niet versmolten met de centra, wat suggereert dat het exemplaar niet volgroeid was; dit zou echter ook een pedomorfe eigenschap kunnen zijn). De borstvinnen van het exemplaar hebben een driehoekige omtrek en de dorsale vertebrale centra zijn zwaar verbeend, met onduidelijke subcentrale foramina en vlakke voor- en achtervlakken. De voorste en achterste zygapophyses op de ruggenwervels zijn verkleind, maar de doornuitsteeksels zijn verdikt, met aan de middenlijn voorste en achterste uithollingen. Dit is een van de andere hoofdkenmerken van het geslacht. De opperarmbeenderen van Pachycostasaurus zijn kort, klein in vergelijking met zijn lichaamsgrootte en licht geconstrueerd.

Er is gesuggereerd dat hoewel het holotype-individu een juveniel of jongvolwassen individu lijkt te zijn, zijn leeftijd waarschijnlijk niet alleen verantwoordelijk is voor deze ongebruikelijke botstructuren.

Paleobiologie

[bewerken | brontekst bewerken]

Afgaande op zijn anatomie was Pachycostasaurus hoogstwaarschijnlijk een bodemroofdier. De relatieve grootte en vorm van zijn tanden duiden op een dieet dat varieert van zachte teuthoïden, zoals belemnieten, tot beenvissen en misschien enkele van de grotere reptielen. Pachycostasaurus heeft een licht geconstrueerde schedel, een korte, vrij zwakke kaaksymfyse en ventrale ballast voor stabiliteit die rolweerstand zou hebben geboden. Het is dus twijfelachtig of Pachycostasaurus een met een draaiende beweging vlees uit zijn prooi scheurende twist feeder was zoals andere even oude pliosauriden.

De zeldzaamheid van het dier in de formatie kan erop wijzen dat Pachycostasaurus allochtoon was. Resten van dinosauriërs uit de steengroeve werden waarschijnlijk door zoet water meegesleurd in het aanwezige zeebekken, wat impliceert dat het holotype-exemplaar een zoetwater- / estuariene bewoner kan zijn geweest die door rivieren naar het mariene milieu is gedreven. De kust- en quasi-mariene sedimenten van de formatie hebben echter nog geen andere plesiosauriërresten opgeleverd. Een andere, misschien minder waarschijnlijke verklaring is dat Pachycostasaurus een diepzee-bewoner was van verder uit de kust, en vóór de fossilisatie naar de ondiepe mariene locatie was afgedreven of gezwommen.