René Veenstra

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
René Veenstra
Rene-Veenstra2.jpg
Persoonlijke gegevens
Volledige naam David René Veenstra
Geboortedatum 16 oktober 1969
Geboorteplaats Groningen
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Werkzaamheden
Vakgebied Sociologie
Universiteit Rijksuniversiteit Groningen
Promotor Jules Peschar en Tom Snijders
Beroep Hoogleraar
Website
Portaal  Portaalicoon   Onderwijs

David René (René) Veenstra (Groningen, 16 oktober 1969) is een Nederlands socioloog en hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Biografie[bewerken]

Veenstra studeerde in 1994 af in de Onderwijskunde en Algemene Pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. In 1999 promoveerde hij bij Jules Peschar en Tom Snijders op het proefschrift Leerlingen – klassen – scholen: Prestaties en vorderingen van leerlingen in het voortgezet onderwijs.[1] Van 2000 tot en met 2004 werkte hij als postdoc en datamanager bij TRAILS. In 2005 werd hij benoemd tot universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen, waarna hij in 2011 benoemd is tot hoogleraar sociologie. In de Gezondheidskrant pleitte Veenstra onder meer voor het stoppen van de wildgroei van anti-pestprogramma's in scholen, omdat heel wat programma's niet werken of zelfs een averechts effect hebben.[2] In 2010 voerde Veenstra in opdracht van het Ministerie van Justitie een onderzoek uit naar de effectiviteit van de penitentiare inrichtingen van Vught en De Schie die in 2006 waren opgericht.[3] In 2015 ontving hij van de NWO een Vici Beurs voor het onderzoek Anti-bullying programs 2.0: Tailored interventions to minimize bullying. Datzelfde jaar werd hij ook genomineerd voor de Huibregtsenprijs voor vernieuwend wetenschappelijk onderzoek.[4] In 2016 gaf hij onder de titel "De pest aan pesten" een kindercollege over zijn onderzoek.[5]

Veenstra is hoofd van de vakgroep Sociologie en wetenschappelijk directeur van het Interuniversitair Centrum voor Sociaal-Wetenschappelijke Theorie en Methodologie (ICS),[6] een gezamenlijke graduate school van de Rijksuniversiteit Groningen, de Universiteit van Utrecht, de Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit van Amsterdam.[7] Hij was van 2010 tot 2016 redacteur van het Journal of Research on Adolescence.[8]

Onderzoek[bewerken]

Veenstra onderzoekt en geeft leiding aan onderzoek naar de sociale ontwikkeling van adolescenten. Onderwerpen die worden onderzocht zijn prosociaal en antisociaal gedrag en pesten.[9] Deze onderzoekslijn verklaart het menselijk gedrag vanuit een goal-framing benadering. Om meer inzicht in de ontwikkeling van gedrag te krijgen, worden longitudinale datasets gebruikt, zoals TRAILS (TRacking Adolescents’ Individual Lives Survey, een onderzoek dat sinds 2001 een groep Noord Nederlandse jongeren volgt in hun ontwikkeling. Ruim 2500 jongeren krijgen elke twee jaar vragenlijsten, interviews en andere tests. Zo onderzoekt TRAILS zowel hun lichamelijke als geestelijke ontwikkeling.)[10], SNARE en KiVa (een Fins programma dat door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) effectief bevonden is bij het voorkomen en oplossen van pesten op basisscholen.[11] KiVa legt de nadruk op de rol van de hele groep bij het voorkomen en tegengaan van pesten.)[12][13][14] In 2018 werkte hij mee aan een onderzoek naar de effectiviteit van tien veelgebruikte anti-pestprogramma's. Daaruit bleek dat PRIMA, KiVA en Taakspel en Alles Kidzzz goed werken. De eerste drie zijn universele programma's waarbij de hele klas wordt betrokken. Alles Kidzzz is een individueel programma voor kinderen met een agressieprobleem. Zijn onderzoeklijn maakt gebruik van verschillende analysetechnieken, inclusief sociale-netwerkanalyse technieken zoals p2 en Siena, programma's ontwikkeld door collega's van Veenstra in Groningen.[15] Het onderzoek 'Wat werkt tegen pesten?' wordt in een kennisclip uitgelegd.

Publicaties (selectie)[bewerken]

  • Proefschrift (1999) Leerlingen – klassen – scholen: Prestaties en vorderingen van leerlingen in het voortgezet onderwijs.[16]
  • Oratie (2013) Groepsprocessen bij jongeren: Over pesten en ander probleemgedrag.[17]
  • Veenstra R., Lindenberg S., Oldehinkel A.J., De Winter A.F., Verhulst F.C., ... (2005) Bullying and victimization in elementary schools: a comparison of bullies, victims, bully/victims, and uninvolved preadolescents. (circa 500 keer geciteerd)[18]
  • Veenstra, R., Lindenberg, S., Munniksma, A., & Dijkstra, J. K. (2010). The complex relation between bullying, victimization, acceptance, and rejection: Giving special attention to status, affection, and sex differences.[19]
  • Veenstra, R. & Steglich, C. (2012). Actor-based model for network and behavior dynamics.[20]
  • Veenstra, R., Dijkstra, J. K., Steglich, C., & Van Zalk, M. H. W. (2013). Network-behavior dynamics.[21]
  • Veenstra, R., Lindenberg, S., Huitsing, G., Sainio, M., & Salmivalli, C. (2014). The role of teachers in peer-reported bullying: the relation between antibullying attitudes, efficacy, and efforts to reduce bullying.[22]
  • Veenstra, R., Dijkstra, J.K., & Huitsing, G. (2016). Sociale ontwikkeling en groepsprocessen in de klas. In: B. Eidhof, M. van Houtte, & M. Vermeulen (red.), Sociologen over onderwijs: Inzichten, praktijken en kritieken (pp. 309–325). Antwerpen/Apeldoorn: Garant.[23]
  • Volk, A.A., Veenstra, R., & Espelage, D.L., (2017). So you want to study bullying? Recommendations to enhance the validity, transparency, and compatibility of bullying research. Aggression and Violent Behavior, 36, 34-43.[24]
  • Veenstra, R., Dijkstra, J.K., & Kreager, D.A. (2018). Pathways, networks, and norms: A sociological perspective on peer research. In W.M. Bukowski, B. Laursen, & K.H. Rubin (eds.) Handbook of peer interactions, relationships, and groups, 2nd edition (pp.45-63). New York: Guilford.[25]
  • Orobio de Castro, B., Mulder, S., Van der Ploeg, R., Onrust, S., Stoltz, S., Buil, M., De Wit, I., Buitenhuis, L., Cillessen, T., Veenstra, R., Van Lier, P., Dekovic, M., & Scholte, R. (2018). Wat Werkt Tegen Pesten? Effectiviteit van kansrijke programma’s tegen pesten in de Nederlandse onderwijspraktijk. Den Haag: Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek.[26]