Zwarte els
| Zwarte els | ||||||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Soort | ||||||||||||||||||
| Alnus glutinosa (L.) Gaertn. (1790) | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
| Afbeeldingen op | ||||||||||||||||||
| Zwarte els op | ||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||
Zwarte els (Alnus glutinosa) is een plantensoort uit de berkenfamilie (Betulaceae). De soort kan uitgroeien tot boom. Ze komt vooral voor op vochtige tot zeer natte standplaatsen en is inheems in Europa en Azië.
Naamgeving
[bewerken | brontekst bewerken]De soortaanduiding glutinosa betekent kleverig en dat heeft betrekking op de knoppen en de jonge bladeren. De toevoeging 'zwarte' duidt op de donkerbruine schors van jonge bomen, in tegenstelling tot de schors van witte els.
Determinatie
[bewerken | brontekst bewerken]
Zwarte els is een eenhuizige plant die doorgaans uitgroeit tot boom, soms tot struik. Ze kan een hoogte bereiken van 25–30(–35) m. De stam is recht en gaat ver tot in de kroon door. De twijgen zijn kaal. Relatief vaak is zwarte els meerstammig doordat ze makkelijk uitlopers vormt. De schors is eerst glad, glanzend grijsbruin met een vroege vorming van de donkergrijze tot zwartbruine, schubbige, gegroefde schors. De soort is gemakkelijk te herkennen aan de grote omgekeerd eironde bladeren. De top is stomp, uitgerand en de randen zijn grof dubbel gezaagd. De bladeren worden 4–11 cm lang en hebben 5–6 (8) nervenparen. De onderzijde is kaal met uitzondering van de nerfoksels (de hoeken van de nerven). De stelen zijn 2–3,5 cm lang. De jonge delen zijn kleverig. De knoppen zijn kaal en staan op een steeltje. De houtige, mannelijke katjes vallen niet uiteen bij rijpheid zoals bij berken (Betula). Ze zijn langwerpig, 6–12 cm lang. Tijdens de bloei hangen ze slap. Het stuifmeel wordt door de wind verspreid. De vrouwelijke vruchtkatjes zijn ovaal, roodbruin en zitten met drie tot vijf stuks samen en zijn gesteeld. De elzenproppen worden gevormd door de vrouwelijke bloemen. Het zijn de schutbladeren van deze bloemen die houtig geworden zijn. In hun oksels zitten de vruchtjes.
Ecologie
[bewerken | brontekst bewerken]Zwarte els is een winterharde, lichtminnende soort die voorkomt op alle bodemtypen (klei, veen en zand). Ze heeft haar ecologisch optimum in nattere milieus. De soort groeit goed op plaatsen waar water stagneert en relatief weinig zuurstof beschikbaar is in het substraat. Hoe lager de pH en de trofiegraad, hoe lager de plant blijft. Op dergelijke gronden wortelt ze ondiep en blijft voor een boom klein. Op dieper doorluchte, kalkrijke en vruchtbaardere gronden wortelt de plant dieper en zal eerder uitgroeien tot boom met een recht stam. Vooral op kalkarme bodems is zwarte els droogtegevoelig.[1] De plant kan een vrij oppervlakkig wortelgestel waarmee ze veel water uit de grond trekken. De soort kan zich makkelijk vegetatief vermeerderen.
De inheemse elzen leven in symbiose met de bacterie Frankia alni die zorgt voor de binding van stikstof uit de lucht. Deze symbionten bevinden zich in knolletjes aan de wortels. Hierdoor kan de els leven op oorspronkelijk arme bodem, waarbij de bodem verrijkt wordt. Deze verrijking met stikstofverbindingen heeft weer invloed op de ondergroei, waarin vooral eutrafente tot mesotrafente soorten optreden.
Elzen trekken kenmerkende fauna aan, onder meer sijzen (op de elzenpropjes) en insecten (zoals het elzenhaantje en Hemichroa crocea). Ook zijn er tal van paddenstoelen die afhankelijk zijn van zwarte els.

Syntaxonomie
[bewerken | brontekst bewerken]
In de syntaxonomie staat zwarte els binnen de bosformatie te boek als (transgrediërende) preferente kensoort voor de klasse van elzenbroekbossen, de orde van elzenbroekbossen en het verbond van elzenbroekbossen. Daarnaast komt ze ook veel voor in het verbond van els en vogelkers, waarvoor ze als belangrijke differentiërende soort geldt binnen de klasse van eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond. Binnen de struweelformatie komt zwarte els vooral voor in de klasse van wilgenbroekstruwelen.
Verspreiding
[bewerken | brontekst bewerken]Het verspreidingsgebied van zwarte els is groot. Het strekt zich uit van West-Europa, over de Kaukasus, Siberië tot in Japan en verder ook in Noord-Afrika. De soort is algemeen in België en Nederland. Minder algemeen in het bergland.
Gebruik
[bewerken | brontekst bewerken]Het hout van zwarte els is zeer bestand tegen verrotting als het volledig in water ondergedompeld blijft (bijvoorbeeld bij het gebruik als heipaal).
Cultivars
[bewerken | brontekst bewerken]Door kwekers zijn verschillende cultivars ontwikkeld:
- A. glutinosa 'Aurea' is een zwakkere groeier dan de gewone zwarte els. De jonge schors is oranje. De bladeren zijn geel, vooral bij het uitlopen in het voorjaar.
- A. glutinosa 'Imperialis' is meer een struik met ranke stammen dan een boom. Hij groeit trager dan de soort. De bladeren zijn diep ingesneden, met lijnvormige lobben en gaafrandig.
- A. glutinosa 'Laciniata' blijft lange tijd een kleine struik met zeer kleine bladeren. Het is een zeer zwakke groeier. De bladeren zijn stomp gelobd.
- A. glutinosa 'Pyramidalis' heeft een zuilvormige groeiwijze, en is kleiner en smaller dan de soort. Misstaat ook in een kleinere natte tuin niet.
Fotogalerij
[bewerken | brontekst bewerken]- Bladeren van de zwarte els
- Blad en mannelijke (langwerpig) en vrouwelijke (gesteeld) katjes
- Elzenproppen (de vrouwelijke bloeiwijzen)
- Katjes van de zwarte els in het najaar
- De gegroefde bast van de zwarte els
- Mannelijke katjes in het voorjaar
- Bloeiende mannelijke katjes in het voorjaar
Verwante soorten
[bewerken | brontekst bewerken]- witte els (Alnus incana)
Op plaatsen waar zwarte en witte els samen voorkomen vindt men regelmatig bastaarden: Alnus ×pubescens. Die bomen zijn herkenbaar door hun intermediaire kenmerken.
Externe links
[bewerken | brontekst bewerken]- Zwarte els op Ecopedia
- Zwarte els in het Nederlands Soortenregister
- Verspreiding in Nederland volgens NDFF Verspreidingsatlas
- Kaarten met waarnemingen:
- ↑ Westhoff, Bakker, Van Leeuwen, Van der Voo (1971). Wilde Planten. Vereniging tot behoud van natuurmonumenten in Nederland, Deel III, p. 339.