16e Leger (Duitsland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Insigne van het Duitse 16e leger

Het 16e Leger (Duits: 16. Armee) was een onderdeel van de Wehrmacht in de Tweede Wereldoorlog. Het werd opgericht op 22 oktober 1939 en ontbonden op 8 mei 1945. Het leger vocht zowel aan het westfront als aan het oostfront.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Operatie Fall Gelb[bewerken]

Generaal Ernst Busch

Tijdens de aanval op Polen beschermde het 16de leger de westelijke grens van Duitsland. Het bevond zich achter de Westwall met als opdracht een Franse offensief af te slaan. Hoewel er enkele kleine schermutselingen waren, kwam het nooit tot een echte aanval. De Duitsers noemden deze periode de Sitzkrieg.

Tijdens de inval in Frankrijk vormde het 16e leger, bestaande uit 6 infanteriedivisies, een onderdeel van Legergroep A. Het leger beschermde de zuidelijke flank van Panzergruppe Kleist en Panzergruppe Guderian tijdens hun opmars naar de Maas. Hoewel generaal Busch niet geloofde dat het Duitse plan enige kans van slagen had, vervulde hij zijn taak nauwgezet. Na de succesvolle oversteek van de Duitse tankkorpsen bij Sedan boog het 16de leger af naar het zuiden en het concentreerde zich op het front tussen Sedan en Thionville. Generaal Busch breidde het bruggenhoofd bij Sedan uit naar Chiers. Op 15 juni 1940 omsingelden eenheden van het 16de leger Verdun en een dag later viel de stad in Duitse handen.

Na de Franse capitulatie vormde het 16de leger een deel van de bezettingsmacht in België en Nederland. In april 1941 werd het 16de leger overgebracht naar Oost-Pruisen.

Operatie Barbarossa[bewerken]

Tijdens operatie Barbarossa was het 16de leger ingedeeld bij Legergroep Noord. Het leger bestond uit 7 infanteriedivisies en zijn voornaamste taak was om de zuidelijke flank van Pantsergroep 4 te beschermen tijdens de opmars naar Leningrad. Een tweede taak was het handhaven van het contact met Legergroep Midden. Het 16de leger van generaal Busch brak door de grensverdediging en bereikte in augustus 1941 Staraya Russa, dat na twee weken van verbitterde straatgevechten werd veroverd. Slechts dankzij de steun van het 46ste Pantserkorps wist het 16de leger zich te handhaven tegen de aanvallen van het Noordwestelijk Front. In september 1941 stabiliseerde het front zich en konden de Duitsers hun strijdkrachten hergroeperen. De volgende maand hervatten ze hun offensief om Leningrad definitief te omsingelen. Het 16de leger stak de Volkhov over en op 8 november 1941 bereikte de voorhoede Tichvin. Door de verovering van dit stadje werd de laatste spoorlijnverbinding met Leningrad afgesneden en kon de stad enkel nog via het Ladogameer worden bevoorraad. Het terrein, waar het 16de leger opereerde, was echter compleet ongeschikt voor de mobiele oorlogsvoering van de Wehrmacht. Bossen en moerassen bemoeilijkten elke verplaatsing. In het gebied waren nauwelijks goede wegen te vinden. Bovendien hadden de herfstregens plaatsgemaakt voor de sneeuwbuien van de Russische winter. De Duitse verbindingslijnen waren te uitgestrekt en de troepen waren vermoeid. Sinds juni 1941 waren ze bijna voortdurend in de aanval. De uitgeputte infanteriedivisies van het 16de leger konden zich niet handhaven in Tichvin. Op 9 december 1941 moesten ze het stadje ontruimen onder druk van aanvallen van het Volkhov-front en eind december bevonden ze zich terug in hun uitgangsstellingen ten zuiden van het Ilmenmeer.

Oostfront 1942-1945[bewerken]

Bevoorrading van het omsingelde 16de leger in de Demjansk-pocket

Tijdens het Sovjet winteroffensief kreeg het 16de leger het opnieuw zwaar te verduren. Over de gehele breedte van het front gingen de Sovjets in de aanval met de bedoeling het 16de leger te omsingelen in een tangbeweging. Het noordelijke deel van de tangbeweging werd gevormd door het 11e leger en het 1ste Stoottroepenleger van het Noordwestelijk Front en het 3de Stoottroepenleger en het 4de Stoottroepenleger van het Kalininfront vormden de zuidelijke vleugel. Op 7 januari 1942 braken de Sovjets door de Duitse verdediging ten zuiden van het Ilmenmeer en op 8 februari 1942 ontmoetten de eenheden van het Noordwestelijk front en het Kalininfront elkaar nabij Salucje. Ongeveer 100 000 Duitsers waren omsingeld in de zogenaamde Demjansk-pocket. Het volledige IIde Korps en een deel van het Xde Korps bevond zich in de omsingeling. Meer naar het zuiden was er een kleinere pocket gevormd, waarbij 5 000 Duitsers waren omsingeld in Cholm. Generaal Busch kon de omsingelde troepen niet helpen, want ondertussen werd ook Staraya Russa aangevallen. Dit stadje, ten zuiden van het Ilmenmeer, was een belangrijk verkeersknooppunt en het vormde de hoeksteen van de Duitse verdediging. Als ze deze positie moesten opgeven, dan zouden de Duitsers zich moeten terugtrekken tot Luga en was de zuidflank van het 18e leger, dat Leningrad omsingelde, ongedekt. De positie van het 18de leger zou dan onhoudbaar worden en de Duitsers zouden dan de belegering van Leningrad moeten opgeven.

Langzaam kregen de Duitsers de situatie terug onder controle. Dankzij het hardnekkige verzet van de 280ste infanteriedivisie in de bosrijke heuvels ten zuiden van het Ilmen-meer was de aanval op Staraya Russa eerst vertraagd en ten slotte vastgelopen. Het strategische verkeersknooppunt Staraya Russa bleef in Duitse handen. Het front van het 16de begon zich te stabiliseren. Ondanks verwoede pogingen van vier Sovjetlegers om de Demjansk-pocket te vernietigen, bleven de omsingelde Duitsers standhouden. Het Duitse Opperbevel plaatste alle troepen in de omsingeling onder bevel van het IIde Korps en alle eenheden buiten de Demjansk-pocket vormden het Xde Korps. Dit vereenvoudigde aanzienlijk coördinatie en bevelsstructuur van het leger. Bovendien slaagde de Luftwaffe er in om de omsingelde troepen te bevoorraden en de gewonden af te voeren. Het succes van de luchtbevoorrading bij Demjansk zou later indirect bijdragen tot de nederlaag bij Stalingrad.

In het voorjaar van 1942 kregen de Duitsers terug het initiatief. Op 20 april braken eenheden van het 16de leger door de omsingeling en ze openden een smalle landcorridor naar het belegerd IIe Korps. Ondanks verwoede pogingen konden de Sovjets deze bevoorradingslijn niet afsnijden. Nadat het beleg van Demjansk was gebroken, slaagden de Duitsers erin op 5 mei 1942 ook hun troepen in Cholm te ontzetten.

Vanaf midden 1942 concentreerden de Sovjets zich voornamelijk op de sector rond Leningrad en kreeg het 16de leger enkel secundaire aanvallen te verduren, waarbij de Sovjets zich voornamelijk op de herovering van Staraja Russa concentreerden. Begin 1944 was de relatieve rust aan het front voorbij. Tijdens het Leningrad-Novgorod offensief verdreven de legers van het Leningradfront en het Volkhovfront het Duitse 18de leger uit zijn stellingen rond de belegerde stad. Na de nederlaag van zijn noordelijke buur was ook de positie van het 16de leger onhoudbaar geworden en generaal Hansen trok zich terug over de Lovat naar PoestosjkaOstrov. Om het 18de leger te helpen, kreeg hij bevel om zijn noordelijke flank tot Pskov uit te strekken. Hij beschikte niet over voldoende troepen om deze nieuwe linie te verdedigen. Langs zijn gehele frontlijn stond het 16de leger onder druk. Op 17 maart 1944 moesten ze de stellingen bij Poestosjka ontruimen. Een eerste aanval nabij Pskov werd afgeslagen, maar op 17 april viel ook deze stad in handen van de Sovjets. Langzaam week het 16de leger terug naar het westen, maar het was niet snel genoeg. Op 22 juni 1944 ontketende het Rode Leger operatie Bagration. Voor het eerst in de geschiedenis werd een volledige Duitse legergroep vernietigd. Na de nederlaag van Legergroep Centrum stortte ook de Duitse verdediging van Legergroep Noord ineen. Het Baltische offensief dreef een wig tussen de Duitse legergroepen en op 9 oktober bereikte het 2de Baltische front de kust van de Oostzee nabij Memel. Het 16de leger en het 18de leger waren opgesloten op het schiereiland Koerland. Ondanks een zestal pogingen van het 2de Baltische front om hen te vernietigen, hielden de beide legers stand op het schiereiland, waar ze ten slotte op 8 mei 1945 capituleerden.

Commandanten[bewerken]

Rang Naam Begin Eind
Generaal der Infanterie Ernst Busch 23 oktober 1939 12 oktober 1943
Generaal der Artillerie Christian Hansen 12 oktober 1943 3 juli 1944
Generaal der Infanterie Paul Laux 3 juli 1944 30 augustus 1944
Generaal der Infanterie Carl Hilpert 3 september 1944 10 maart 1945
Generaal der Infanterie Ernst-Anton von Krosigk 10 maart 1945 16 maart 1945
Generaal der Bergtroepen Friedrich-Jobst Volckamer von Kirchensittenbach 16 maart 1945 8 mei 1945

Het 16de leger was het enige leger waarbij twee commandanten sneuvelden. Het vliegtuig van generaal Paul Laux werd op 29 augustus 1944 neergeschoten tijdens een verkenningsvlucht en generaal von Krosigk sneuvelde tijdens een luchtaanval op zijn hoofdkwartier.

Bronnen[bewerken]

  • Hiltermann, G.B.J. - Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog
  • Bauer, Eddy - Lekturama - Duitsland verliest op alle fronten
  • Beevor, Antony – Berlijn: De Ondergang 1945
  • Mitcham, - The German defeat in the east 1944-1945