Beatrix van Brabant

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Beatrix van Brabant of Beatrix van Kortrijk (Leuven, omstreeks 1225 - Kortrijk, 13 november 1288) was een dochter van Hendrik II van Brabant. Zij was gehuwd met landgraaf Hendrik Raspe en met graaf Willem II van Vlaanderen. Beatrix nam het initiatief tot de oprichting van de Groeningeabdij in Kortrijk.

Levensloop[bewerken]

Beatrix was het derde kind en de tweede dochter van hertog Hendrik II van Brabant en Maria van Zwaben.

In 1241 huwde zij met Hendrik Raspe, die in dat jaar zijn vader Herman I van Thüringen opvolgde als landgraaf van Thüringen. Voor de landgraaf was het zijn derde huwelijk nadat zijn vorige twee huwelijken kinderloos bleven. In 1246 werd Raspe verkozen tot tegenkoning van keizer Frederik II van het Heilige Roomse Rijk. Ook dit huwelijk bleef kinderloos en Hendrik stierf op 16 februari 1247.

In augustus van datzelfde jaar hertrouwde Beatrix met Willem III van Dampierre, de oudste zoon en toekomstig opvolger van Margaretha van Constantinopel die gravin van Vlaanderen en van Henegouwen was. In 1248 namen ze samen met kruis op om aan de Zevende Kruistocht te beginnen maar op vraag van haar echtgenoot bleef Beatrix achter in Vlaanderen. Willem keerde in 1250 terug maar overleed het jaar nadien in 1251 aan de verwondingen die hij opliep tijdens een steekspel in Trazegnies. Ook dit huwelijk bleef kinderloos en zijn jongere broer Gwijde van Dampierre werd de nieuwe troonopvolger van zijn moeder.

Voor de tweede maal weduwe geworden, trok Beatrix zich terug op haar kasteel in Kortrijk waar zij haar dagen doorbracht in gebed en zich toewijdde aan de literatuur en de kunst. Haar kasteel werd een toevluchtsoord voor de troubadours die zij een warm hart toedroeg.

Omstreeks 1260 besloot Beatrix om de gesloten abdij van Marke over te brengen naar het gebied Groeninge, dicht bij de Kortrijkse stadswallen. Door de onenigheid met de Sint-Maartenskerk en de Onze-Lieve-Vrouwekerk kreeg de abdij het moeilijk om zichzelf te bewijzen en zou het nog jaren duren eer er een overeenkomst zou bereikt worden zodat tot de bouw zou kunnen overgegaan worden. Het complex werd gebouwd in de periode 1285-1286 met de financiële steun van Beatrix die haar bezittingen in 1284 door bemiddeling van Karel van Anjou had kunnen veilig stellen na de aanspraak die de nieuwe graaf van Vlaanderen, haar schoonbroer Gwijde van Dampierre, erop maakte. Voor de oprichting van de Groeningeabdij kreeg Beatrix de steun van Paus Honorius IV. Hij schonk haar in 1285 het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Groeninge, troosteres der bedrukten.

Toen zij in 1288 stierf werden haar hart en haar ingewanden begraven in de abdijkerk waar een praalgraf voor haar was gebouwd. Na de sluiting van de abdij door de Franse Revolutie werd haar hart en het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Groeninge overgebracht naar de Sint-Michielskerk.

Literatuur[bewerken]

  • M. GASTOUT, Béatrix de Brabant. Landgravine de Thuringe, Reine des Romains, Comtesse de Flandre, Dame de Courtrai (1225?-1288), Leuven, 1943
Bronnen, noten en/of referenties