Dispensationalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het dispensationalisme is de geloofsopvatting die een onderscheid maakt tussen het volk van God God, namelijk Israël, en de kerk (vaak in Nederland door dispensationalisten liever met gemeente aangeduid). Bedelingenleer is de Nederlandse aanduiding voor de internationale term dispensationalisme.

Het dispensationalisme is een systematisch-theologisch kader, dat ervan uitgaat dat Gods plan met de wereld kan worden opgedeeld in verschillende bedelingen. Zij kan worden gezien als de evangelische tegenhanger van de verbondsleer, die vooral in reformatorische kringen wordt verkondigd. Zij onderscheidt zich van de verbondsleer door een sterke scheiding te maken tussen (Gods plan met) Israël en de Kerk. Ook leggen dispensationalisten meer nadruk op de scheiding tussen het oude verbond en het nieuwe verbond. De Wet van Mozes, zo geloven dispensationalisten, is gegeven aan Israël, als in een huwelijksverbond, en moet niet worden opgelegd aan heidenen. Bovendien is de Wet niet meer van toepassing volgens dispensationalisten, omdat Christus de Wet zou hebben vervuld.

Meer over dispensaties[bewerken]

Een bedeling is een periode van tijd, waarin God Zich op een bijzondere wijze bezighoudt met de mensen in betrekking tot zonde en verantwoordelijkheid van de mens. Deze tijdsperioden zijn niet (per definitie) gelijk qua duur.

Het "traditionele" model onderkent over het algemeen zes of zeven perioden:

  • Onschuld - van schepping tot zondeval;
  • Geweten - van zondeval tot zondvloed;
  • Menselijk bestuur - van zondvloed tot spraakverwarring in Babel (Noachitische wet);
  • Belofte - van de roeping van Abraham (direct na spraakverwarring) tot de Wet;
  • Wet - van de instelling van de Wet, op de Sinaï, tot de dood van Christus;
  • Genade - van de opstanding tot de wederkomst van Christus;
  • Het Messiaanse Vrederijk of Duizendjarige rijk - van Wederkomst tot het laatste oordeel.

Zowel het dispensationalisme als de verbondstheologie zijn systematische samenvattingen van de bijbel. Alle kerken waren tot voor zo ongeveer 1830 ervan overtuigd dat Gods slechts één volk had. Het dispensationalisme, of de bedelingenleer heeft zich daarna ontwikkeld. De reformatorischen waren altijd aanhangers van de verbondsleer en evangelischen (als de term geïnterpreteerd wordt vanuit de Nederlandse traditie) waren aanhangers van de bedelingenleer. Uitzonderingen waren in Nederland tot de zeventiger jaren van de 20ste eeuw zeldzaam.

Vanaf 1948 begonnen evangelischen vanuit Noord-Amerika vragen te stellen over hun traditie en opener te zijn over leerstellingen vanuit de verbondstheologie. Met vertraging zijn er ook in Nederland steeds meer evangelischen die geheel of gedeeltelijk afstand doen van het dispensationalisme.

Verbondstheologen ontkennen met stelligheid, dat men onderscheid kan maken tussen twee volken van God. Het is foutief om te denken dat verbondstheologen zich tegen een onderscheid in dispensaties zouden verzetten. Maar wanneer dispensationalisten een toekomstige dispensatie voorzien voor alleen joden, voortkomend vanuit hun interpretatie van de bijbel, stuiten zij op verzet van de verbondsleergelovigen.

Oorsprong[bewerken]

Velen geloven dat het systeem ontwikkeld is door J.N. Darby. Sommige aanhangers van het dispensationalisme ontkennen dit en wijzen er op dat deze gedachten al veel eerder bestonden, zij het in primitieve vorm. Darby was één van de grondleggers van de Vergadering van gelovigen. Dispensationalisten zelf verwijzen natuurlijk, net als overtuigde verbondsleergelovigen, naar de bijbel als oorsprong van hun opvattingen. In de bijbel, en de interpretatie die beide groeperingen aan haar geven, vinden wij het hart van deze discussie.

Geschiedkundigen verwijzen naar Edward Irving als de vader van het dispensationalisme en naar het visioen van een 14-jarig meisje, Margaret McDonald, die de "opname-gedachte", die in het dispensationalisme een niet onbelangrijke rol speelt, door middel van een profetie heeft geopenbaard. Irving was bij de ontwikkeling van de bedelingenleer, met vooral als belangrijkste punt het onderscheid tussen "Israël en de kerk". Zijn gedachten aangaande zijn eschatologie en hiermee ook zijn kerkleer veranderden door een vriend Hatley Frere en Colleridge. Deze veranderde hem van een post-millenniallist, naar een pre-millennialist. Veel invloed kwam in de jaren voor 1820 uit een boek van een Spaanse jezuïet, Emmanuel Lacunza, die het boek onder het pseudoniem Rabbi Ben-Ezra publiceerde. Het boek is door Irving vertaald. Het feit dat het Margaret McDonald was die met de opname van de grote verdrukking kwam is leesbaar in het boek van Robert M. Norton "The Restoration of Apostles and Prophets; In the Catholic Apostolic Church" (1861). Norton schrijft dat in het voorjaar van 1830, Margaret, een gedeeltelijk gehandicapt meisje, beperkt was tot haar ziekbed, toen ze de gave van profetie ontving. Haar genezing daaropvolgend veroorzaakte geen kleine opwinding. Het was dan ook Irving die in zijn bomvolle kerk, die op dat moment ook bezocht werd door Darby, dit verhaal en de profetie van Margaret McDonald verspreidde. Al snel hebben anderen getracht bijbelteksten in lijn te brengen met Margarets profetie.

Gesteld wordt dat het doel van het boek "De Komst van de Messias in Glorie en Majesteit" (1812) het bestrijden was van de in de Reformatie aangehangen gedachte dat de Paus de anti-Christ was. Dit wordt onder andere aangehangen door Dave MacPherson in zijn boek "The Unbelievable Pre-Trib Origin". Deze jezuïet had volgens sommigen als doel aan te tonen, vanuit de Bijbel, dat de Anti-Christ nog moest komen, zodat men open zou gaan staan voor de katholieke kerk. Dit is zeer aannemelijk omdat de orde van de Jezuïeten in zijn ontstaan precies dit doel had. En dat Emmanuel Lacunza dit boek baseerde op het boek van de Jezuïet Francisco Ribera uit 1585, die dit een kleine tijd na het ontstaan van de Jezuïeten schreef. Deze Ribera had een paar eeuwen daarvoor al een golf van premillennialistisch gedachtegoed (doch geen dispensationalistisch gedachtegoed) gecreëerd.

Darby's volgelingen, die Darby meer willen toekennen dan geschiedkundig mogelijk is, zeggen dat de opname pas 1831 en 1833 werd onderwezen, op de in Engeland gehouden "Powerscourt Conferenties," waar de pré-millianistische visie, die in de bedelingenleer een grote rol speelt, bestudeerd werd. Irving, die ook aanwezig was bij deze bijeenkomsten, zou dáár voor het eerst over deze opvattingen, ingebed in de bedelingenleer, gehoord hebben. Deze zouden door Darby zijn geïntroduceerd. Een erg rare conclusie, omdat Henry Drummond de financieerder van al deze conferenties in 1825 Irving gevraagd had te spreken bij de Continental Society's rally. Eigenlijk waren deze "Powerscourt Conferenties" niets meer dan een voortzetting van de eerder genoemde conferenties! Darby is geheel foutief benoemd als de vader van het dispensationalisme, wat hij niet was! Zoals hierboven beschreven was dit Edward Irving!

Darby heeft net als ieder tijdgenoot in Groot-Brittannië kennisgenomen van Irvings opvattingen, en was bekend met de op dat moment zeer beroemde boeken van Irving. De "Irvingites" (volgelingen van Irving) vertegenwoordigen een andere geestelijke stroming, maar het blijft in de eerste plaats het eerste genootschap dat geheel gewonnen was voor het dispensationalisme. In sommige opzichten leek deze beweging in zijn eerste 20 jaar op de Pinksterbeweging met onder meer profetie en genezingen, meer dan de "Plymouth Brethern" (in Nederland bekend als de Vergadering van Gelovigen). Dit omdat Irving door Colleridge ook gewezen werd op de gaven van de Geest. Deze zijn in tegenstelling tot het dispensationalisme wel gedurende de hele kerkgeschiedenis teruggevonden in het N.T. Dit is buiten de eerste eeuw zichtbaar in bijvoorbeeld de Donatisten. Het is pas na ongeveer 1830 dat veel mensen meenden dat het dispensationalisme ook teruggevonden kon worden in het N.T. die een heel andere visie op deze zaak aangingen. Reeds in 1840 waren de opvattingen van Irving juist omdat hij zo beroemd was (ook) al bekend in de Verenigde Staten. Dit is dus niet aan de nog vrij onbekende Darby te wijten.

Omdat de leer zich verder evolueerde in die tijd, is met zekerheid te stellen dat Irving niet alle gedachten heeft geïntroduceerd, doch wel is het merendeel zoals een toekomstige anti-christ en een toekomstige grote verdrukking en het opdelen van de 70 jaarweken, voor het eerst in het protestantisme door Irving geïntroduceerd. De mensen die op deze conferenties kwamen hadden deze gedachten uit de vertaalde Jezuïtische boeken al met geloof aanvaard. Darby, en later Scofield, hebben echter de gedachten die hier leefden in meerdere andere kerken geïntroduceerd, kerken die niet bij de Katholiek Apostolische Kerk of haar afsplitsingen behoorden. Het zou kunnen, dat er knopen op deze conferenties werden doorgehakt die niet eerder in de Jezuïtische boeken stonden, noch eerder door Irving zijn geleerd, maar de grondbeginselen stonden in deze boeken. De opname echter was ook in 1830 in de kerk van Irving voor het eerst verklaard in het openbaar.

Uit de vroege kerkgeschiedenis zijn voorbeelden van Pre-millennialisten, zij die geloofden dat het millennium nog moet komen. Zij beleden ook dispensaties of bedelingen. En de verbondsleer gelovigen hebben geen moeite met deze feiten. Voorbeelden zijn Justinus, Irenaeus, Clemens van Alexandrië en zelfs Augustinus van Hippo. Ryrie wordt geciteerd in "The Moody Handbook of Theology" en schrijft hier onder andere over. Als dispensationalist die tracht zijn beweging te laten zien als in de kerkgeschiedenis geworteld, voegt hij hier aan toe: "We willen niet de suggestie wekken dat de vroege kerkvaders dispensationalisten waren en terecht wordt geconstateerd dat zij [niet meer dan] een primitieve vorm van dispensationalistische concepten leerden".

Zijn eerlijkheid stellen verbondsleergelovigen in dit geval erg op prijs, want dit is een correcte vaststelling. Dispensationalisten geloven in het onderscheid van Israël en de kerk. Wanneer echter Ryrie zou aantonen dat dit onderscheid (tussen Israël en kerk) voorkomt ruim voor 1830, zou het een krachtig argument zijn.

Hier zijn nog wat bekende mensen die ook in dispensaties geloofden, van wie overigens niet aangetoond kan worden dat zij ook het onderscheid van Israël en de kerk erkenden.

Populariteit[bewerken]

Het dispensationalisme werd vooral populair gemaakt door Dr. C.I. Scofield, auteur van de Scofield Reference Bible (meer dan 12 miljoen verkochte exemplaren). Het traditionele dispensationalisme zoals dit door onder andere Darby en Scofield werd onderwezen, heeft veel aanhang onder Baptisten, Pinksterchristenen, Vergadering-gemeenten en de Maranatha-beweging. Het wordt ook binnen sommige reformatorische kringen aangetroffen.

Hedendaagse verdedigers van het dispensationalisme zijn Tim Lahaye en Charles Ryrie. In Nederland wordt het dispensationalisme tegenwoordig vooral verkondigd in de kringen van het Nederlands Bijbelstudie Centrum, Israël en de Bijbel en Het Zoeklicht. Laatstgenoemde organisatie geeft ook veel boeken uit over de eindtijd, hetgeen een belangrijk onderwerp is voor veel dispensationalisten.

Ultradispensationalisme[bewerken]

Een variant van het dispensationalisme is het zogeheten ultradispensationalisme, ook wel hyperbedelingenleer genoemd, waarin nog meer bedelingen worden onderscheidden. Ultradispensationalisten maken onderscheid tussen de vroege en de late brieven van de apostel Paulus en geloven dat alleen de late brieven van toepassing kunnen worden gebracht op de kerk. Zij geloven dat sacramenten als het avondmaal en de doop niet horen bij de kerk van de huidige bedeling. In Nederland zijn vooral uitgeverij Everread en het bijbelstudietijdschrift AMEN promotor van het ultradispensationalisme.

De Doop en het dispensationalisme[bewerken]

De doop door onderdompeling wordt door sommigen gekoppeld aan het dispensationalisme. Sommigen zeggen dat omdat de kerk ontstaan zou zijn met pinksteren, zo zou ook een andere toetredingsrite gekozen moeten worden. Van besnijdenis, een toetredingsrite bij joden, zou men zo gegaan zijn naar een volwassendoop door onderdompelen bij christenen. Deze gedachte wordt niet door alle dispensationalisten gedeeld. Het kent ook geen relatie met het dispensationalisme in de enge zin. Wel zijn veel aanhangers van de volwassen- of geloofsdoop tevens (gedeeltelijk) aanhanger van veel gedachten uit de bedelingenleer.

Omgekeerd vindt het ook plaats dat de verbondsleer wordt gebruikt om de kinderdoop juist te verklaren, doch niet alle verbondstheologen kiezen hiervoor. Er zijn er die zowel de verbondsleer en de doop door onderdompeling aanhangen.