Ganzen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Sneeuwgans
Sneeuwgans
Kolgans
Kolgans
Grauwe gans
Grauwe gans
Taigarietgans
Taigarietgans
Indische gans
Indische gans
Grote Canadese gans
Grote Canadese gans
Groep ganzen in Amsterdam Zuid Oost
Groep ganzen in Amsterdam Zuid Oost

Ganzen zijn grote, zwaargebouwde watervogels uit de familie Anatidae (zwanen, ganzen en eenden). Hierbinnen behoren ze tot de onderfamilie Anserinae (zwanen en ganzen). Ganzen zijn gespecialiseerd in het grazen en leven meer op het land dan andere Anatidae. Daarvoor hebben ze sterke, vrij lange poten, die midden onder het lichaam geplaatst zijn. Hierdoor kunnen ze goed lopen. In Europa leven twee geslachten: Anser (Grijze ganzen) en Branta (Zwart-witte ganzen).

Het woord gans wordt ook gebruikt voor een vrouwelijke gans. Het mannetje noemt men ganzerik of gent.

Inhoud

[bewerk] Anatomie

Ganzen hebben een middellange hals en een krachtige kegelvormige snavel. Aan de bovensnavel zit een zaagrand. In vergelijking met de zwanen zijn ganzen kleiner en compacter. Ten opzichte van de halfganzen en de eenden zijn ze echter groter.

Volwassen vogels ruien alle slagpennen tegelijkertijd en kunnen daardoor ongeveer 1 maand niet vliegen. De rui valt meestal samen met de periode waarin de jongen zich in het nest bevinden. Anders dan bij eenden hebben bij ganzen de mannetjes en vrouwtjes eenzelfde verenkleed.

Ganzen kunnen tot 30 jaar oud worden, maar ze zijn pas vruchtbaar vanaf hun 3de levensjaar. Het verschil tussen een mannetje en een vrouwtje is merkbaar opdat het vrouwtje een grotere hangbuik (onderaan de gans) heeft dan een mannetje. In de broedtijd is dit zeker te zien!

[bewerk] Gedrag

Het voedsel bestaat uit plantaardig materiaal. Ganzen trekken in familieverband of grote troepen. Ze vliegen in V-vormige formaties of golvende linies. Ook in het overwinteringsgebied leven ze in groepen, ook wel toom genoemd.

Door in V-formatie te vliegen hebben de vogels een grotere vliegcapaciteit. De ganzen die volgen maken gebruik van de lift die volgt uit de vleugelslag van de voorganger. Tijdens het vliegen praten de ganzen met elkaar. De achterste ganzen moedigen de voorste aan om op snelheid te blijven.

Als een gans ziek wordt of gewond raakt en daardoor niet meer in staat is mee te vliegen dan zullen twee ganzen bij de zieke gans blijven totdat deze hersteld is of overleden. Samen zullen de ganzen trachten hun groep in te halen.

Ganzen zijn monogaam: de paren blijven hun hele leven bij elkaar. Het nest bevindt zich op de grond. De vrouwtjes bekleden het met dons, dat ze uit hun eigen borst plukken. De jongen zijn nestvlieders en verlaten het nest dus al spoedig na het uitkomen. De ouders houden ze nog wel warm en bewaken ze. Voedsel zoeken doen ze echter zelf.

Ganzen zijn zeer waaks en kunnen lelijk met hun vleugels slaan. Bij naderend gevaar zullen ganzen luid gakken. Om deze reden werden ganzen vroeger als waakvogel gehouden.

[bewerk] Gebruik en consumptie

Er wordt op vele plaatsen intensief op wilde ganzen gejaagd. Hierdoor worden ze schuw en oplettend. Hun tamme soortgenoten worden in de bio-industrie vetgemest, o.a. voor het verkrijgen van ganzenlever. Ook worden tamme ganzen gebruikt om te plukken. De donsveren worden gebruikt als vulling van dekbedden. Tamme ganzen kunnen 2 tot 3 keer per jaar geplukt worden.
Tamme ganzen leggen 40 tot 60 eieren per jaar. Deze zijn geschikt voor consumptie. In verband met salmonella moet een ganzenei 15 minuten worden gekookt.
De slagpennen van de gans werden al in de oudheid gebruikt om mee te schrijven.[1]

[bewerk] Symboliek

In de christelijke iconografie is een gans het attribuut van Martinus van Tours en de heilige Veerle van Gent.

De gans komt ook voor op schilderijen met als onderwerp Philemon en Baucis en de Ganzen van broeder Filippo.[2]

[bewerk] Ganzensoorten

De Nijlgans lijkt op een gans maar behoort tot een andere familie: Tadorninae (halfganzen).

[bewerk] Links

[bewerk] Afbeeldingen

[bewerk] Zie ook

[bewerk] Referenties

  1. ^ Nijkamp J., Rook R., Slijper H. en Zweers K. (1976). De 12 maanden van het jaar. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum.
  2. ^ Hall, J. (2000). Hall's Iconografisch Handboek. Leiden: Primavera Pers.
 
Persoonlijke instellingen