Helmuth Plessner

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Helmuth Karl Otto Gustav Bernhard Plessner (Wiesbaden, 4 september 1892Göttingen, 12 juni 1985) was een Duitse filosoof en socioloog. Hij had eigen neokantiaanse, fenomenologische en levensfilosofische ideeën. Hij emigreerde in 1933-34 toen Adolf Hitler aan de macht kwam naar Groningen en schreef een belangrijk boek over zijn kijk op het nationaalsocialisme. Ook werd hij hoogleraar en ontving hij verscheidene eredoctoraten waaronder in 1964 een eredoctoraat aan de Rijksuniversiteit Groningen..

Leven[bewerken]

Helmuth Plessner was het enige kind van Fedor Plessner en Elisabeth Eschmann. Zijn ouders leidden een particulier sanatorium voor zenuwzieken in Wiesbaden; dit werd vanaf ongeveer 1900 een kosmopolitisch kuuroord. Helmuths vader was joods maar bekeerde zich later tot het lutheranisme. Hij bezocht het gymnasium en studeerde medicijnen. Deze studie maakte hij echter niet af want hij ging ineens biologie studeren.

In die tijd had hij al veel interesse voor filosofie en sociologie. Doordat hij een studie filosofie publiceerde kreeg hij toegang tot de gesprekskring van Max Weber. Daardoor leerde hij ook nog vele andere beroemdheden kennen. In de Eerste Wereldoorlog wilde hij zich aanmelden voor het Duitse leger maar hij werd geweigerd vanwege een zwakke rechterarm. Plessner besloot zijn studie voort te zetten in de filosofie.

Filosoof en socioloog Max Scheler probeerde Plessner onbelangrijk te houden omdat hij hem als een bedreiging zag voor zijn baan als hoogleraar filosofie en sociologie in Keulen. Daarnaast stonden filosofen als Heidegger met hun boeken (Sein und Zeit) veel meer in de belangstelling. Zij overschaduwden het werk van Plessner. Dit gebeurde rond 1928. Helmuth Plessner wilde onder andere het probleem van de scheiding tussen lichaam en geest oplossen, volgens hem is een mens tegelijk binnen en buiten zichzelf, je bent en je hebt een lichaam, dit heet excentriciteit.

Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam betekende dit voor Plessner dat hij niet meer les mocht geven (hij zou bijna hoogleraar worden) omdat hij halfjoods was. Helmuth besloot te emigreren naar Nederland. Hij werd eerst privaatdocent aan de universiteit en later hoogleraar sociologie aan het Sociologisch Instituut Groningen, dat speciaal voor hem opgericht was. Financieel had hij het echter nog steeds niet zo breed.

Nu kon hij wel goed als buitenstaander colleges geven over de politieke situatie in Duitsland, daar maakte hij ook een boek over dat later in Duitsland een groot succes zou worden, “Die Verspätete Nation. Über die politische Verführbarheit bürgerlichen Geistes”.

Duitsland viel Nederland binnen. Dit betekende in het begin nog niet zoveel voor Plessner. In 1943 werd hij vanwege zijn joodse wortels echter weer ontslagen. Er begon een nomadisch leven langs verschillende adressen in Utrecht en Amsterdam. Hierbij werd hij gesteund door het studentenverzet. Na de oorlog werd hij weer hoogleraar (dit keer in de filosofie) in Groningen. Maar hij kreeg heimwee en zocht weer een baan in Duitsland. Daar kreeg hij een baan als hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Göttingen. Dit zou hij tot 1962 blijven doen, een tijd waarin hij ook allerlei bestuursfuncties bekleedde.

Hij bekleedde nog een jaar de Theodor Heuss-leerstoel te New York en bleef veel contact met Nederland houden. In 1963 verhuisde hij naar Zürich en schreef tot op hoge leeftijd boeken. In 1973 ging hij weer terug naar Göttingen. Daar bleef hij wonen totdat hij op 92-jarige leeftijd, in 1985, overleed.

Filosofie[bewerken]

Plessner heeft een filosofische biologie en antropologie ontwikkeld die neerkomt op een schriftverklaring van de natuur. Het leven drukt zich uit in termen van zelfbewuste levensvormen, doet dat via de zintuigen, om de waarneming van materiële bestanddelen te verstrekken. (ter vervanging van het Kantiaanse cognitieve idealisme van de categorieën en intuïties. Geproduceerd door ideale persoonlijkheden als een filter, door middel van spontaniteit voor ervaring van de wereld). Plessner paste het idee, van Husserl en Scheler, van de opzet van het bewustzijn, vanaf de behoefte aan een ideaal ego van een bewuste waarneming aan. En zet het in plaats daarvan, in het gedrag van ontdekkende organismen aan de grond als het realiseren van grenzen, die het punt vertegenwoordigt waar de impulsen van de groei van organismen in hun milieu’s, worden gerealiseerd in de handeling van het zelf plaatsen samenkomen.

Die worden gerealiseerd in de handeling om zichzelf te positioneren. Dit zijn de toepassingsgebieden van de actie en het inzicht die het bewustzijn definiëren en tegelijkertijd de grond in de materiële wereld van de natuur. In termen van planten, hun eigen expressie is volstrekt open - hun grenzen worden bepaald door slechts zeer eenvoudige vormen van terugkoppelen, en de plant heeft geen mogelijkheden te bieden om opzettelijke voorkeuren ten aanzien van haar omgeving uit te drukken; dieren, aan de andere kant, zijn zich bewust van hun eigen grenzen en binnen hen constant worden teruggedrukt, waardoor Waarbij een gesloten soort intentionaliteit, gevangen door zijn eigen grenzen wordt opgesloten, dit is de grens van hun uitdrukking; tot slot wisselen de mensen af tussen open en gesloten intentionaliteit, waarbij wat wordt vertegenwoordigd wij als bewustzijn kennen in zijn dialectische dans door onze eigen expressiviteit. Voor Plessner, kan onze eigen persoonlijkheid worden begrepen in termen van de expressieve materialen in de natuur, en onze ervaring en de relatie met haar.

Werken[bewerken]

  • Die wissenschaftliche Idee, ein Entwurf über ihre Form (1913)
  • Krisis der transzendentalen Wahrheit im Anfängen (1918)
  • Die Einheit der Sinne. Grundlinien einer Ästhesiologie des Geistes (1923)
  • Grenzen der Gemeinschaft. Eine Kritik des sozialen Radikalismus (1924)
  • Die Stufen des Organischen und der Mensch. Einleitung in die philosophische Anthropologie (1928)
  • Macht und menschliche Natur. Ein Versuch zur Anthropologie der geschichtlichen Weltansicht (1931)
  • Zur Anthropologie des Schauspielers (1948)
  • Lachen und Weinen. Eine Untersuchung der Grenzen menschlichen Verhaltens (1941)
  • Das Lächeln (1950)
  • Die verspätete Nation. Über die politische Verführbarkeit bürgerlichen Geistes (1959, ursprünglich 1935)
  • Die Frage nach der Conditio humana (1961)
  • Die Emanzipation der Macht (1962)
  • Anthropologie der Sinne (1970)

Referenties[bewerken]

  • Kai Haucke: Plessner zur Einführung, Hamburg: Junius, 2000, ISBN 3-88506-326-3
  • Kockelkoren, Petran. 'The Mouse in the Cat's Claws', in W. Zweers & J.J. Boersema (eds.), Ecology, Technology and Culture; Cambridge: White Horse, 1994.
  • Carola Dietze: Nachgeholtes Leben. Helmuth Plessner 1892-1985. Göttingen: Wallstein, 2006.

Externe links[bewerken]