Jacques Dubrœucq

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Jacques Dubrœ(u)cq (Bergen?, 1505? - aldaar, 30 september 1584) was een vooraanstaand Zuid-Nederlands beeldhouwer en architect uit de 16e eeuw. Hij wordt tegenwoordig beschouwd als één der belangrijkste kunstenaars van de hoogrenaissance in de Zuidelijke Nederlanden. Toch blijft hij als kunstenaar minder bekend, omdat zijn belangrijkste verwezenlijkingen de tand des tijds niet overleefden.

De precieze geboortedatum van Dubrœucq is onzeker (ergens tussen 1500 en 1510), maar de stad Bergen gedenkt in 2005 zijn 500e verjaardag. Ook over zijn geboorteplaats bestaat twijfel: sommigen situeren die in Sint-Omaars, anderen te Bergen. Zeker is dat hij vanaf 1535 tot aan zijn dood in deze stad heeft verbleven.

J. Dubrœucq, De Verrijzenis (Sint-Waltrudiskerk, Bergen)
J. Dubrœucq, fragmenten van het verdwenen doksaal (Sint-Waltrudiskerk, Bergen)

Tussen 1530 en 1535 verbleef hij in Italië, waar hij kennis maakte met de Renaissance, en in de eerste plaats beïnvloed werd door het werk van Jacopo Sansovino en Michelangelo. Kort na zijn terugkeer kreeg hij van de kanunnikessen van het Bergense kapittel de opdracht een doksaal in renaissancestijl te vervaardigen voor de Sint-Waltrudiskerk, waar de (toen voorbijgestreefde) gotiek nog steeds overheerste. Het doksaal zelf werd tijdens de Franse Revolutie vernield, maar enkele losse beelden en bas-reliëfs konden worden gered en zijn her en der opgesteld in de kerk. Tijdens de werkzaamheden (die tot 1549 duurden) telde hij onder zijn medewerkers ook een leerjongen, Jean de Boulogne genaamd, die later naar Italië zou trekken en er als Giambologna aan het hof van de'Medici te Florence roem zou oogsten als een der grootste meesters van het maniërisme.

Naast zijn werk te Mons kreeg Dubrœucq nog andere voorname opdrachten, voornamelijk in het graafschap Henegouwen. Jean de Hennin-Liétard, een vertrouweling van keizer Karel V en door deze aangesteld als (1e) graaf van Boussu, droeg hem op zijn kasteel van Boussu te bouwen, waarvan tijdgenoten (onder meer Lodovico Guicciardini) getuigden dat het mooier was dan dat van Chambord.
Op voorspraak van graaf de Hennin kreeg hij ook van de landvoogdes Maria van Hongarije de opdracht haar paleis te Binche en haar buitenverblijf Mariemont (in Morlanwelz) te bouwen.
De kastelen van Boussu en Binche kregen regelmatig Karel V en zijn zoon, de latere Filips II over de vloer. Deze laatste raakte er zozeer van onder de indruk dat hij er zijn eigen architect Gaspar de Vega naartoe stuurde om er inspiratie op te doen. Deze de Vega zou daarna de bouwwijze ervan imiteren onder meer in zijn koninklijke paleizen van Aranjuez en El Pardo, in de buurt van Madrid. Wegens de noodlottige oorlog die sinds 1551 Karel V en Hendrik II van Frankrijk tegen elkaar in het harnas joeg, was de kastelen van Boussu, Binche en Mariemont echter geen lang leven beschoren: tijdens de inval van de Franse troepen in 1554 werden ze alle drie op bevel van de koning vernield, nog vóór ze helemaal voltooid waren.

J. Dubrœucq, De heilige Bartholomëus (Sint-Waltrudiskerk, Bergen)

Met het vertrek van Maria van Hongarije én het overlijden van graaf de Hennin verloor Dubrœucq meteen zijn belangrijkste broodheren. Wel zorgde Maria van Hongarije vóór haar vertrek ervoor dat hij een royaal pensioen zou krijgen, alsook het gegeerde statuut van maître artiste de sa Majesté l'Empereur, een titel die hij enkel moest delen met Jean Mone en Pieter Coecke. Als bouwmeester bleef hij actief, onder meer bij de bouw van de vestingstad Philippeville (1556) en de restauratiewerken te Binche en Mariemont (1560-1565), en hij vergezelde de latere landvoogd graaf Mansfeld als adviseur naar Luxemburg en Thionville, met de bedoeling die steden efficiënter te versterken. Hij ontwierp ook plannen voor de nieuwe stadhuizen van Aat en Antwerpen. In Antwerpen viste hij echter achter het net, want de opdracht werd toevertrouwd aan Cornelis de Vriendt, maar hij bleef aan de werkzaamheden verbonden als consultant.

Na de capitulatie van Bergen in 1572 werd óók Jacques Dubrœucq verdacht van protestantse sympathieën, omdat hij had gewerkt in dienst van Lodewijk van Nassau. Om aan de ergste vervolgingen te ontsnappen verliet hij tijdelijk de stad. Slechts door openlijk het gedachtegoed van de Reformatie af te zweren kon hij zijn hachje redden. Hij werd in deze zaak verdedigd door zijn leerling Jean Boulogne (Giambologna). Als bewijs van zijn trouw aan het katholieke geloof vervaardigde hij voor het hoofdaltaar van de Bergense Sint-Waltrudiskerk een beeld van de heilige Bartholomeüs, een duidelijke verwijzing naar de Bartholomeusnacht. Kenners beweren echter dat de beeldhouwer er door enkele subtiele details zijn verholen sympathie voor de Reformatie in uitdrukte.

In 1574 overleed zijn echtgenote Jacqueline Leroy, met wie hij in 1545 getrouwd was. Zelf overleed Jacques Dubrœucq, zonder wettige erfgenaam. Hij werd op 3 oktober begraven in de Sint-Waltrudiskerk.

Zie ook[bewerken]