John Mayall's Bluesbreakers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

John Mayall's Bluesbreakers is een Britse bluesband, waarvan de samenstelling meerdere keren gewijzigd is.

De band is in 1963 in Londen opgericht door John Mayall, met de hulp van Alexis Korner. In de beginjaren 60 was de blues onder Engelse popmuzikanten enorm populair. Veel Amerikaanse soldaten die in Engeland gestationeerd waren, hadden bluesmuziek bij zich, die ze in diverse clubs lieten horen. Hierdoor ontstond de beroemde British Blues Boom een stroming waarbinnen heel veel Engelse muzikanten van diverse pluimage elkaar troffen. Jeff Beck, Rod Stewart, Ron Wood, Alan Price, Bill Wyman, Eric Clapton, Keith Richards, Manfred Mann, Mick Jagger, Brian Jones, Long John Baldry, Jimmy Page en vele anderen kon men in de Londense clubs als de The Marquee Club en The Flamingo aantreffen, waarin in diverse gelegenheidsformaties bluesjamsessions plaatsvinden.

De Bluesbreakers van John Mayall kan gezien worden als een kweekvijver voor heel wat bekende gitaristen. De geschiedenis van de band is onlosmakelijk verbonden met de oprichter en bandleider John Mayall, zijn gitaristen en de albums die werden opgenomen.

Geschiedenis[bewerken]

De eerste Bluesbreakers bestonden uit Roger Dean op gitaar, John McVie op bas en Hughie Flint op drums. Het livealbum John Mayall plays John Mayall flopte en ze gingen in 1965 weg bij DECCA. Het leek erop dat John Mayall als bluespurist geen brede erkenning zou krijgen.

Met Eric Clapton[bewerken]

Maar dat veranderde toen hij twee voor hem belangrijke mensen tegenkwam. De eerste was Mike Vernon, een aankomend producer. De tweede was Eric Clapton, een jonge gitarist, die bij de Yardbirds speelde.

Eric was ontevreden over de muzikale richting die de Yardbirds uitgingen, en nam de uitnodiging van John aan om bij de Bluesbreakers te komen spelen.

John gaf hem langspeelplaten van Freddie King, Otis Rush, Buddy Guy en andere Chicago bluesmuzikanten. Daarna ging het snel. De Bluesbreakers bestonden toen uit Eric Clapton op gitaar, Jack Bruce op bas, Hughie Flint op drums en John Mayall op orgel en mondharmonica. Toen op 22 juli 1966 het album Blues Breakers with Eric Clapton uitkwam, speelde John McVie op basgitaar. Het album bevatte veel covers, o.a. van Otish Rush, Freddie King, Robert Johnson en Ray Charles, en daarnaast een paar composities van John Mayall zelf. Het snoeiharde overstuurde geluid van Clapton was voor die tijd opvallend. Hij speelde in dezelfde stijl als Freddie King. De Gibson Les Paul Sunburst aangesloten op een Marshall-combo-gitaarversterker, zoals Eric dat had gezien op een LP-hoes van Freddie King, werd voor veel gitaristen de standaarduitrusting.

Dankzij Mike Vernon, die DECCA overhaalde om weer contact op te nemen met de Bluesbreakers, werden de gangbare opvattingen binnen de Britse opnamestudio's over muziekregistratie overboord gegooid en werd er voldaan aan Erics wens om de gitaar te laten klinken en op te nemen zoals hij dat wilde. Het album bereikte de 6e plaats in de LP-charts in Engeland en zou daar 17 weken blijven. Eric verliet hierna de band om met Jack Bruce en Ginger Baker zijn eigen bluesband op te richten: het later wereldberoemde trio Cream.

Met Peter Green[bewerken]

Tijdens een optreden van de Bluesbreakers nodigde John Mayall Peter Green uit om mee te doen. Eric Clapton keerde echter terug voor een korte periode, en pas toen Clapton de Bluesbreakers voorgoed verliet, vroeg John Mayall op 17 juli 1966 Peter Green opnieuw om tot de Bluesbreakers toe te treden. Reeds op 17 februari 1967 kwam het album A Hard Road uit, waarop de melodieuze gitaarlijnen van Green sterk aanwezig zijn. De drummer was inmiddels Aynsley Dunbar.

Het album bevatte veel composities van John Mayall. Ook op dit album maakt John op een aantal nummers weer gebruik van blazers, en speelt hij, naast mondharmonica, orgel en piano, ook zelf gitaar: in Someday After a While (You'll Be Sorry) en in Leaping Christine.

Elmore James werd herdacht in Dust My Blues. Hierin spelen John en Peter, duidelijk herkenbaar aan hun eigen stijl, beiden gitaar.

Peter Green liet in de instrumental The Stumble van Freddie King horen dat hij minstens net zo'n goede gitarist als Eric Clapton is. Er stonden ook twee composities van Peter Green op. In The Super-Natural kun je al horen hoe hij later bij Fleetwood Mac zal gaan klinken.

Op 15 juni 1967 verliet Peter Green de Bluesbreakers om de legendarische groep Fleetwood Mac op te richten. John McVie blijft bij de Bluesbreakers.

Met Mick Taylor[bewerken]

Mick Taylor, 1968

Opnieuw stond John Mayall voor de opgave om een goede gitarist te vinden. Die vond hij in de persoon van Mick Taylor, een tiener die een keer voor Eric Clapton inviel toen deze om de een of andere reden niet kwam opdagen. Hij bleek alle partijen die Clapton speelde uit zijn hoofd te kunnen naspelen. De gitarist had echter na de gig in Hatfield (Hertfordshire, Engeland) zijn naam niet achtergelaten, en na maanden zoeken plaatste John uiteindelijk een advertentie in Melody Maker. Mick Taylor las dat hij gezocht werd, en trad direct toe tot de Bluesbrekers. Aynsley Dunbar verliet de groep en Keef Hartley nam de drums over.

Op de eerdere albums had John Mayall slechts tijdelijk van blazers gebruikgemaakt. Nu besloot John de groep met twee vaste blazers uit te breiden, zodat de Bluesbreakers een 6-mansformatie werd: Chris Mercer op tenorsax en Rip Kant op baritonsax.

Op 1 september 1967 kwam het zeer volwassen album Crusade uit. De Bluesbreakers klinken als een big band, zeker door de verrassende arrangementen die Mayall schrijft voor de band. Er stonden slechts vier composities van Mayall en Taylor op. De andere waren bewerkingen van nummers van o.a. Albert King (Oh, Pretty Woman), Buddy Guy (My Time After A While), en Eddie Kirkland (Man Of Stone).

Hoogtepunt van het album was Freddie Kings Driving Sideways, waarin Mick Taylor liet horen dat hij een nog virtuozer gitarist was dan Green en Clapton. John Mayalls boogiewoogiepiano en de stuwende blazers maken dit nummer tot een bruisend feest.

Een ander, emotioneel hoogtepunt was Mayalls eigen compositie The Death Of J.B. Lenoir. In dit aangrijpende nummer, dat een ode was aan de op dat moment recent overleden bluesgitarist J.B. Lenoir, is de hoofdrol voor de treurende bluesharp en tenorsax.

Twintig dagen later stond de LP in de LP-charts, bereikte de achtste plaats, en bleef er veertien weken staan.

Mick Taylor was de langstblijvende gitarist, en met hem werden er nog veel albums gemaakt:

  • Blues from Laurel Canyon [DECCA] (1968)
  • Bare Wires [Deram] (1968)
  • Diary of a Band, Vol. 1 & 2 [DECCA] (1968)
  • Laurel Canyon [DECCA] (1969)
  • Return Of The Bluesbreakers, [AIM] 1985/LP, 1993/cd

Ook later zou Mick Taylor, nadat hij in 1969 door Mick Jagger werd overgehaald om bij de Rolling Stones te komen, nog veel met John Mayall blijven spelen.

John Mayall solo[bewerken]

John Mayall 1971

Ondanks zijn drukke studio- en podiumsessies met steeds wisselende bandformaties benutte John Mayall de spaarzame uren die overbleven om een aantal soloprojecten uit te voeren. Normaliter stalen zijn gitaristen de show en stond hijzelf als muzikant niet echt in het middelpunt. Daar kwam verandering in toen hij in één dag op 1 mei 1967 het album The Blues Alone opnam, waarop hij zelf alle instrumenten bespeelt: orgel, piano, 6- & 9-string gitaar, basgitaar en mondharmonica. Keef Hartley speelt drums.

Het album was van grote klasse en liet een veelzijdige John Mayall horen in ballads en up-tempo nummers. Ook experimenteerde hij met diverse klanken en geluiden.

In het nummer No More Tears liet hij een versnelde gitaar horen met een opnametechniek die eerder door Les Paul in de jaren 1940 werd toegepast.

Sony Boy Blow was een ruige mondharmonicastamper begeleid met een honkytonkpiano.

In het gevoelige Broken Wings liet hij zijn virtuositeit op een Hammond B3-orgel horen.

Don't Kick Me, een blues-rocknummer met een Jimi Hendrixachtige slaggitaar (ongeveer zoals in Foxy Lady ) en een scheurend Hammondorgel. Dit nummer besluit het album.

Met Walter Trout[bewerken]

Walter Trout werd door John in 1984 gevraagd om met de Bluesbreakers te spelen. Walter had daarvoor al in Canned Heat als vervanger van Henry Vestine gefungeerd. Hij had een heel andere stijl dan de eerdere gitaristen. Hij speelde razendsnel en zat dicht tegen de hardrock aan. John Mayall had weer een stergitarist aangetrokken en begon met de nieuwe Bluesbreakers aan zeer succesvolle tournees door Europa. Walter bleef vijf jaar bij de Bluesbreakers spelen.

  • Behind The Iron Curtain, 1985 Crescendo (Recorded live Hungary 6 June 1985)
  • Chicago Line, 1987 Island cd
  • Power Of The Blues, 1987 Charly cd
  • Live At Iowa State University, 1987 dvd
  • Life In The Jungle, 1987/1988 Charly cd
  • Blues Breaker, 2000 NEON
  • Blues Power, 1999 Recall Records 2-cd

In 1986 trad John Mayall's Bluesbreakers met Walter Trout op in Den Haag op het North Sea Jazz Festival in de Carroussel zaal1 van het Congresgebouw[1].

Externe link[bewerken]

  1. North Sea Jazz Festival, Vrijdag 11 juli 1986 van 00:15 tot 01:15, Carrousel zaal1 Congresgebouw
Bronnen, noten en/of referenties
  • Trynka, Paul (1998), CD inlay, John Mayall: Blues Breakers with Eric Clapton (DERAM), pp. 1-4.
  • Tracy, John (1987), CD inlay, A Hard Road (LONDON), pp. 6-8.
  • Tracy, John (1987), CD inlay, Crusade (LONDON), pp. 4-7.
  • Peel, John (1967), CD inlay, The Blues Alone (LONDON), pp. 1-4.
  • Tracy, John (1987), CD inlay, The Blues Alone (LONDON), pp. 4-8.