Kiesdrempel
Bij verkiezingen volgens een systeem van particratische vertegenwoordiging is er steeds een kiesdrempel. Dit betekent dat partijen die minder dan een bepaald percentage van de stemmen (de kiesdrempel) halen, geen enkele zetel in het verkozen orgaan krijgen. Op deze wijze hoopt men in het algemeen een al te sterke versplintering, waarbij vele kleine partijen optreden, te voorkomen.
In België geldt sinds de parlementsverkiezingen van 2003 een kiesdrempel van 5%. Deze kiesdrempel wordt bepaald per kiesomschrijving, die momenteel samenvalt met de provincie. Voor de provincie Brabant had men vanwege Brussel een uitzondering gemaakt (kiesomschrijving per arrondissement), met het gevolg dat de regeling door het Arbitragehof ongrondwettig (- schending van het gelijkheidsbeginsel -) werd genoemd. Dit is sindsdien een doorslaggevend argument voor de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde. En toch heeft het CGKR de verkiezingen van 13/06/10 niet gerechtelijk aangevochten.
In Duitsland, Letland en Polen geldt eveneens een kiesdrempel van 5%. Een nog hogere kiesdrempel van 10% geldt in Turkije. In Oostenrijk, Slovenië en Zweden geldt een kiesdrempel van 4% en in Griekenland van 3%.
Nederland kent formeel geen kiesdrempel, al is er wel een regel dat een partij die geen reguliere zetel heeft gehaald ook geen kans op een restzetel maakt, wat dus (voor de Tweede Kamerverkiezingen) equivalent is aan een kiesdrempel van 0,667%.
Ook als er wettelijk geen kiesdrempel bestaat, is een de facto kiesdrempel het aantal stemmen dat men per kiesomschrijving moet behalen om één zetel te behalen. Verkeerdelijk wordt aangenomen dat die feitelijke kiesdrempel altijd overeenkomt met het aantal stemmen gedeeld door het aantal zetels (bij 10 zetels bijvoorbeeld 10%), maar dat is niet zo. De feitelijke kiesdrempel hangt af van het gebruikte kiessysteem en van het aantal deelnemende partijen: als je geconfronteerd wordt met één partij die alle andere stemmen haalt, is het het moeilijkst om je eerste zetel te halen; als de andere stemmen gelijk verdeeld zijn over partijen die even zwak zijn als jezelf, is het het makkelijkst. Zo zijn er telkens twee feitelijke kiesdrempels: onder een bepaald percentage kun je nooit een zetel halen, boven een ander percentage ben je zeker één zetel te halen, ertussenin hangt het af van de uitslag voor de andere partijen.
Een voorbeeld: bij vijf zetels en de toepassing van de delerreeks D'Hondt is de "bovenste" feitelijke kiesdrempel (zeker zijn van één zetel) 16,67% (en niet 20%). Immers: als ik als kleinste partij geconfronteerd wordt met één partij die alle andere stemmen wegkaapt (de voor mij meest ongunstige positie en dus de "bovenste" feitelijke kiesdrempel), dan zal deze partij meer dan vijf keer groter moeten zijn dan ik (of meer dan 5/6e van alle stemmen moeten halen) om de vijfde en laatste zetel binnen te halen. Als ik als kleinste partij meer dan 1/5e van de stemmen van de grootste haal (of 1/6e van het totaal), dan ben ik zeker de laatste zetel te halen.
In hetzelfde voorbeeld maar met de delerreeks Imperiali is de "bovenste" feitelijke kiesdrempel 25% (méér dan 20%). Met andere woorden: een uitslag die perfect in zetels kan omgezet worden (20% en 80% stemmen → 1 en 4 zetels) zal Imperiali toch omzetten in een andere zeteluitslag; Imperiali wordt daarom wel gezien als een systeem van nog minder evenredige vertegenwoordiging.
Veel kleinere en nieuwe partijen zijn tegen de kiesdrempel, omdat deze het hun onmogelijk maakt om correct zetels te vergaren. Soms gaan partijen een coalitie(-s) aan om ervoor te zorgen dat stemmen die anders niet mee zouden tellen terechtkomen bij politiek gelijkgezinden. Sommige eerder extreme standpunten van de kleinere partij kunnen hiermee een belang verlenen in de gezamenlijke politiek. Zo werd de gematigde Belgische CD&V in een kartel met de Vlaams-nationalistische N-VA na 2007 gedwongen een extreme [bron?] koers te varen. Hoewel ze de federale verkiezingen wonnen kon de partij dan ook geen stabiele coalitie vormen (waarvoor Waalse partijen nodig zouden zijn). Bovendien werden ook de andere partijen gedwongen extreme (en in het federale België contraproductieve)standpunten aan te nemen in de hierop volgende 'burenruzie'.
[bewerken] Overzicht België
- Gemeenteraadsverkiezingen: Systeem Imperiali
- Regionale verkiezingen: Systeem d'Hondt
- Federale verkiezingen: Systeem d'Hondt
De de facto bovengrens is het percentage dat een politieke partij moet halen om 100% zeker te zijn van minstens 1 zetel. De de facto ondergrens is het percentage dat een politieke partij een zetel kan opleveren afhankelijk van de score van de andere partijen. (Concreet: als er 2 kleine partijen zijn met een score van 4,8% en 5,8% in Limburg, dan zal de partij met 4,8% uit de strijd vallen voor de zetels en zo de de facto kiesdrempel verlagen voor de partij met 5,8%.)
| verkiezingen Vlaams Parlement | ||||
|---|---|---|---|---|
| kiesdistrict | zetels | wettelijke kiesdrempel (%) |
de facto ondergrens (%) |
de facto bovengrens (%) |
| 33 | 5 | 5 | 5 (3) | |
| 16 | 5 | [5 - 6,25[ | 6,25 | |
| 27 | 5 | 5 | 5 (3,7) | |
| 20 | 5 | 5 | 5 | |
| 22 | 5 | 5 | 5 (4,55) | |
| 6 | 5 | [5 - 16,67[ | 16,67 | |
| verkiezingen Federaal parlement: de Kamer | ||||
| 24 | 5 | 5 | 5 (4,17) | |
| 12 | 5 | [5 - 8,33[ | 8,33 | |
| 20 | 5 | 5 | 5 | |
| 16 | 5 | [5 - 6,25[ | 6,25 | |
| 22 | geen | ]x - 4,55[ | 4,55 | |
| 7 | geen | ]x - 14,29[ | 14,29 | |
| verkiezingen Federaal Parlement: de Senaat | ||||
| 25 | 5 | 5 | 5 (4) | |
| 15 | 5 | [5 - 6,67[ | 6,67 | |
| kiesdistrict | zetels | wettelijke kiesdrempel | de facto kiesdrempel ondergrens | de facto kiesdrempel bovengrens |
Daarenboven is het vanaf de middelgrote steden bij de gemeenteraadsverkiezingen als deelnemende partij al minimum noodzakelijk twee raadszetels te verwerven om er daadwerkelijk één raadslid te bekomen. Bijvoorbeeld in Sint-Niklaas waar 39(41) raadsleden te kiezen zijn is dit reeds het geval.
- tussen BHV en Leuven en BHV en Waals-Brabant geldt er een lijst apperentering.
- in BHV kan men stemmen voor het Nederlandstalige en Franstalige kiescollege.