Taaislijmziekte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

(Doorverwezen vanaf Mucoviscidose)
Ga naar: navigatie, zoeken
     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts
Taaislijmziekte
Cystische Fibrose
Mucoviscidose
ICD-10 E84
ICD-9 277
OMIM 219700
DiseasesDB 3347
MedlinePlus 000107
eMedicine ped/535
   Geneeskunde

Taaislijmziekte (ook: cystische fibrose (CF), medisch: mucoviscidose of fibrosis cystica (FC)) is een recessief overerfbare erfelijke ziekte, waarbij slijm dat op diverse plaatsen in het lichaam wordt afgescheiden abnormaal taai is.

Inhoud

[bewerk] Algemene kenmerken

De belangrijkste plaatsen waarin het taaie slijm wordt gevormd zijn de longen, het maagdarmkanaal, de lever, de pancreas en de testes. De incidentie van CF is het hoogst in het Kaukasische ras (1 op de 2500 levend geborenen). In Nederland heeft 1 op de 3600 nieuwgeborenen CF. De symptomen kunnen zich al tijdens de zuigelingenleeftijd manifesteren, veelal door groei-achterstand en chronische luchtweginfecties. Vooral door de luchtweginfecties hebben patiënten een duidelijk geringere levensverwachting dan normaal. De verminderde productie van pancreas enzymen veroorzaakt daarbij een vertraagde groei, vettige diarree en tekort aan vet-oplosbare vitaminen. Bij jongens kan onvruchtbaarheid optreden. Bij pasgeborenen is vaak sprake van een een stofwisselingsstoornis, aangeduid als meconium ileus (zie verder).

[bewerk] Verklaring van de namen

CF is een aandoening van de exocriene klieren, gekenmerkt door de afscheiding van taai (viskeus) slijm (mucus), vandaar de naam muco-viscidose of taai-slijmziekte. De Engelstalige benaming cystic fibrosis (CF) die vaak wordt 'vertaald' naar het taalkundig minder juiste cystische fibrose, verwijst naar de toename van bindweefsel (fibrose) in de slijmvliezen die bezet worden door met kleverig vocht gevulde holten (cysten).

[bewerk] Voorgeschiedenis

Foto van  Dorothy Hansine Andersen (National Library of Medicine picture)
Foto van Dorothy Hansine Andersen (National Library of Medicine picture)

In 1938 publiceerde Dorothy Hansine Andersen een artikel over CF [1]. Hierin beschreef zij de kenmerken van de ziekte zoals deze zich in de pancreas, de longen en spijsvertering openbaarde. Zij uitte daarbij ook de veronderstelling dat CF een recessief erfelijke ziekte is, en gebruikte voor het eerst pancreas enzym om kinderen te behandelen. In 1952 ontdekte Paul di Sant' Agnese afwijkingen in het zweet elektroliet van CF patiënten. In het volgende decennium werd een zweettest ontwikkeld, en verder verbeterd [2]. Interessant is dat reeds omstreeks 1700 in Duitse en Zwitserse handboeken werd gewaarschuwd: "Wehe dem Kind, das beim Kuß auf die Stirn salzig schmekt, er ist verhext und muss bald sterben," dat vertaald luidt: "Wee het kind dat bij kussen van de wenkbrauw zout proeft, want het is gedoemd en zal snel sterven", waaruit bleek dat men al vroeg het verband inzag tussen de ziekte en het hoge zoutgehalte van het zweet.

Carl von Rokitansky beschreef een geval van foetale dood ten gevolge van meconium peritonitis. Hierbij ontstaat een ontsteking van het buikvlies (peritonitis) door een breuk in de darmwand. Dit is een complicatie van meconium ileus (darmobstructie door meconium), dat met CF is geassocieerd. Meconium ileus werd het eerst in 1905 beschreven door Karl Landsteiner.[3] In 1936, publiceerde Guido Fanconi een artikel waarin het verband werd beschreven tussen meconium ileus, fibrose van de pancreas en bronchiëctasie[4]

In 1988 werd de eerste mutatie van CF, ΔF508 op chromosoom 7 ontdekt door Francis Collins, Lap-Chee Tsui en John R. Riordan. In daaropvolgend onderzoek vond men wel 1000 verschillende mutaties die konden leiden tot CF. In 1989 vond een team van onderzoekers onder leiding van Lap-Chee Tsui in het Hospital for Sick Children in Toronto het gen dat CF veroorzaakt. Hierbij lokaliseerden zij met behulp van eiwitmarkers en gen linkage studies de mutatie in het CF gen op chromosoom 7. Daarna werd tenslotte met speciale technieken het gen geïdentificeerd en zijn DNA sekwentie vastgesteld [5]

Mogelijke uitkomsten van twee ouders die dragers zijn van het recessieve CF gen
Mogelijke uitkomsten van twee ouders die dragers zijn van het recessieve CF gen
Afbeelding van het CF gen op chromosoom 7
Afbeelding van het CF gen op chromosoom 7

[bewerk] Erfelijkheid

Het is de meest voorkomende autosomaal recessieve genetische aandoening in onze streken: ongeveer 1 op 32 personen van de blanke bevolking is heterozygoot drager van de ziekte zonder het zelf te weten. Bij een drager treden dan ook geen ziekteverschijnselen op. Ouders die beide drager zijn hebben een kans van 1 op 4 dat zij een kind krijgen met cystic fibrosis. Op grond van deze getallen zou bij blanke bevolkingsgroepen 1 op 4096 (1/32 × 1/32 × 1/4) geboorten worden getroffen. Mede door erfelijkheidsadvisering en zwangerschapsonderbreking komt CF in de praktijk minder voor, nl. 1 op 4750. In Nederland worden per jaar ongeveer 40-45 mensen met deze aandoening geboren.

Het relatief vaak vóórkomen van heterozygoot dragerschap van het CF-gen wordt waarschijnlijk verklaard door een positief selectie-effect, waardoor dragers een evolutionair voordeel hebben. Er bestaat een vermoeden zij een kleinere kans hebben aan diarreeziekten (zoals cholera) te overlijden.

[bewerk] Oorzaak op moleculair niveau

Besmetting met een doorgaans onschuldige Aspergillus fumigatus kan bij CF een levensbedreigende longontsteking veroorzaken
Besmetting met een doorgaans onschuldige Aspergillus fumigatus kan bij CF een levensbedreigende longontsteking veroorzaken

De afwijking wordt veroorzaakt door een defect in een eiwit dat het transport van chloride-ionen door de celmembraan regelt. (Cystic Fibrosis Transmembrane conductance Regulator (CFTR)). Dit eiwit bevindt zich in de membranen van slijmproducerende cellen en zorgt normaal voor het transport van chloride-ionen. (Het CFTR-eiwit is een cAMP-gereguleerd Cl-kanaal.) Als dit transport wel normaal functioneert gaat er water mee met de getransporteerde ionen (osmotisch effect) waardoor het door de cel afgescheiden slijm dunner blijft. Verlies van de CFTR-functie leidt tot afscheiding van taaier slijm (verhoogde viscositeit), wat er op zijn beurt toe leidt dat de trilharen in de luchtwegen in dat slijm minder goed werken (verminderde mucociliaire klaring), waardoor gemakkelijker bacteriële infecties ontstaan.

Het gen voor de mucoviscidose-transmembraanregulator ligt op de lange arm van chromosoom 7 (7q31). Meestal (in 70% van de gevallen) gaat het om een deletie van een fenylalanine-codon op positie 508 (ΔF508).

[bewerk] Symptomen en beloop

CF-patienten hebben regelmatig vergrote vingers. Hier is een extreem geval zichtbaar
CF-patienten hebben regelmatig vergrote vingers. Hier is een extreem geval zichtbaar

Klinische symptomen worden gezien in organen waarbij slijmproductie een rol speelt, zoals de long, het maag-darmkanaal en urinevormende- en geslachtsorganen. De patiënten ontwikkelen bronchitis of longontsteking. Ook kunnen de afvoergangen van de pancreas verstopt raken wat voor spijsverteringsstoornissen zorgt. Hierdoor is vetopname in het spijsverteringskanaal minder goed mogelijk. Om dit te compenseren moet een CF-patiënt meer eten dan gemiddeld om op lichaamsgewicht te blijven. Ook vitamineopname kan zijn verstoord wat een verslechterde conditie tot gevolg heeft. Een van de vroegste openbaringen van de ziekte is een verstopping van de darmen (ook wel ileus genoemd) door meconium. Dit is de eerste ontlasting van het pasgeboren kind.

Verder hebben patiënten een te grote zoutafscheiding in het zweet (normaal wordt met zweet verloren chloride actief teruggepompt, wat bij CF niet goed lukt) en verlies van glucose in de urine. De belangrijkste doodsoorzaak bij deze patiënten is ademhalingsfalen veroorzaakt door infectie met Pseudomonas aeruginosa-bacteriestammen. Deze stammen ondergaan een mucoïde conversie ('verandering van het slijm'): in de longen worden biofilms gevormd die ondoordringbaar zijn voor witte bloedcellen van het polymorfonucleaire type. Ook intensieve antibioticatherapie werkt dan steeds minder goed. De mucoïde conversie betekent een verergering van de ziekte en verslechtering van de prognose. Antibiotica uit de groep van de macroliden (azitromycine, claritromycine e.a.) zijn niet in staat om de Pseudomonas te doden maar verstoren de Quorum sensing van de Pseudomonas (naast een aantal andere effecten). Door Quorum sensing is de bacterie in staat om te bepalen hoeveel andere bacteriën in de buurt zijn. Bij voldoende grote aantallen is dit een signaal tot onder meer het veranderen van het metabolisme en de productie van biofilms. Door het verstoren van deze Quorum sensing wordt de mucoïde conversie afgeremd en wordt de biofilm deels afgebroken.[6][7] Hierdoor verbetert de overleving van CF patiënten met een chronische Pseudomonas infectie.

Een extra complicatie van de mucoïde conversie is het ontstaan van mutante bacteriestammen die resistent worden tegen antibiotica. Er bestaat een kans dat CF patiënten elkaar hiermee besmetten. Om die reden is sinds 2005 in navolging van het buitenland een segregatiebeleid van kracht. Hierbij wordt CF patiënten sterk ontraden onderling fysiek contact te hebben of bij onderlinge ontmoetingen strenge hygiëneregels aan te houden. Voor contact met gezonde mensen gelden geen speciale hygiëneregels omdat cystic fibrosis geen besmettelijke ziekte is.

Door nieuwe inzichten en verbeterde behandeling is de levensverwachting de laatste decennia wel sterk verbeterd: van de patiënten in de jaren 50 geboren haalden slechts 10% de volwassen leeftijd; van degenen die in de jaren 70 werden geboren haalden ca. 60% hun 25e verjaardag. De gemiddelde levensverwachting van de totale groep patiënten laat nog steeds een stijgende trend zien en is momenteel (2007) 35 tot 40 jaar, doch met grote verschillen per patiënt.

Al maken pasgeborenen met CF tegenwoordig een redelijke kans oud te worden, Cystic Fibrosis blijft een ernstige ziekte met een sterk verschillend beloop. Er kan prenatale diagnostiek worden gedaan, met de mogelijkheid in het geval van een aangedane vrucht tot abortus te besluiten. Waarschijnlijk wordt hierdoor in Nederland per jaar momenteel (2005) de geboorte van ongeveer 10 nieuwe gevallen voorkomen. Het opnemen van een betrouwbare CF-test als onderdeel van de hielprik bij pasgeborenen is nog steeds onderwerp van discussie en onderzoek. Het aantal volwassen patiënten in Nederland bedraagt inmiddels 600 (2007).

[bewerk] Behandeling

Hoewel CF een van de eerste ziekten is waarbij werd gedacht aan toepassing van gentherapie is dit nog niet gelukt; een van de problemen is dat het benodigde gezonde gen zo groot is dat het niet in een van de nu gebruikte virusvectoren past.

Behandeling van CF met een ademhalingsvest (THAIRapy Vest) en vernevelaar masker
Behandeling van CF met een ademhalingsvest (THAIRapy Vest) en vernevelaar masker

De behandeling is er vooral op gericht de longen zo schoon mogelijk te houden en het slijm zo goed mogelijk te verwijderen. Dit kan door middel van sporten en fysiotherapie. Ook activiteiten als huifbedrijden kunnen het ophoesten vergemakkelijken. Daarnaast is het zaak infecties in een vroeg stadium te signaleren en bestrijden. De meeste CF-patiënten worden zoveel mogelijk thuis behandeld. Bij terminaal longfalen wordt soms een longtransplantatie overwogen. In een onderzoek bij meer dan 500 van dergelijke gevallen publiceerden Amerikaanse onderzoekers echter in 2007 dat longtransplantatie bij kinderen met mucoviscidose slechts in zeer weinig gevallen (5/514, < 1%) een levensverlengend effect had[8].

Met een calorierijk dieet en aanvullende spijsverteringsenzymen kan een minder effectieve spijsvertering voor een groot deel worden gecompenseerd. Hiermee wordt getracht te voorkomen dat een patiënt in een neerwaartste spiraal van infecties-verminderde eetlust-ondervoeding-meer infecties etc. terecht komt.

[bewerk] Referenties

Referenties:
  1. ^ Andersen DH. Cystic fibrosis of the pancreas and its relation to celiac disease: a clinical and pathological study. Am J Dis Child 1938; 56:344–399
  2. ^ Di Sant' Agnese PA, Darling RC, Perera GA, et al. Abnormal electrolyte composition of sweat in cystic fibrosis of the pancreas: clinical implications and relationship to the disease. Pediatrics 1953; 12:549–563.
  3. ^ Busch R. On the history of cystic fibrosis. Acta Univ Carol [Med] (Praha). 1990;36(1-4):13-5. PMID 2130674
  4. ^ Fanconi G, Uehlinger E, Knauer.C. Das coeliakiesyndrom bei angeborener zysticher pankreasfibromatose und bronchiektasien. Wien Med Wschr 1936; 86:753–756.
  5. ^ Rommens JM, Iannuzzi MC, Kerem B, Drumm ML, Melmer G, Dean M, Rozmahel R, Cole JL, Kennedy D, Hidaka N, et al. Identification of the cystic fibrosis gene: chromosome walking and jumping.Science. 1989 Sep 8;245(4922):1059–65. PMID 2772657
  6. ^ Kobayashi, H. Airway biofilm disease: its clinical manifestation and therapeutic possibilities of macrolides. Journal of Infection and Chemotherapy 1995, 1–15.
  7. ^ Tateda, K., Comte, R., Pechere, J. C., Kohler, T., Yamaguchi, K., VanDelden, C. Azithromycin inhibits quorum sensing in Pseudomonas aeruginosa. Antimicrobial Agents and Chemotherapy 2001:1930–3.
  8. ^ Liou TG, Adler FR, Cox DR, Cahill BC. Lung transplantation and survival in children with cystic fibrosis. N Engl J Med. 2007 Nov 22;357(21):2143-52.

[bewerk] Externe links

[bewerk] Zie ook

 
Persoonlijke instellingen