Normaalspoor

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een stuk normaalspoor.

Met normaalspoor bedoelt men spoor- en tramwegen met een spoorwijdte van 1435 millimeter of oorspronkelijk 4 Engelse voet en 8½ Engelse duim. Dit is in de meeste Europese landen de meest voorkomende spoorwijdte. Deze spoorwijdte gaat terug tot houten sporen die in de Engelse mijnbouw werden gebruikt om de wagens te geleiden. George Stephenson gebruikte dezelfde spoorwijdte toen hij in 1825 de Stockton en Darlington spoorlijn opende. Sindsdien is deze spoorwijdte uitgegroeid tot een soort standaard voor spoorwegen, eerst in Engeland, later ook elders in Europa, waar eerst nog verschillende maten breedspoor zijn gebruikt. In enkele landen, waaronder in Spanje, Portugal en de voormalige Sovjet-Unie wordt nog steeds breedspoor gebruikt.

Normaalspoor in Nederland en België[bewerken]

In Nederland bestaan (afgezien van museumlijnen) alleen nog maar normaalsporige spoor-, metro- en tramlijnen. In België bestaan naast normaalsporige ook smalsporige tramlijnen (op meterspoor).

Toleranties[bewerken]

Bij aanleg van nieuwe lijnen wordt gebruikgemaakt van de betonnen dwarsligger type M41 (vroeger ook M31, B41 en B31) met een standaardspoorwijdte van 1437 mm. Dit is dus 2 mm meer dan de standaardspoorwijdte voor normaalspoor van 1435 mm. Op het treinverkeer heeft dit door het geringe verschil echter geen enkele invloed, want door slijtage is een spoor zelden exact 1435 mm wijd. Ook wordt er in bogen met kleine straal spoorverwijding toegepast om de slijtage van het bovenbeen terug te dringen en de krachten die er op uitgeoefend worden te beperken. Deze zouden anders een kanteling van de rail kunnen veroorzaken. De toleranties gehanteerd door ProRail en Infrabel liggen tussen 1430 en 1470 mm.