Schemeroorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een veelvoorkomende Britse poster tijdens de schemeroorlog
Vreugdevolle inwoners van Warschau bij de Britse ambassade kort na de Britse oorlogsverklaring aan Duitsland

De Schemeroorlog of Spookoorlog, ook bekend als Sitzkrieg (Duits voor 'zittende oorlog'), drôle de guerre (Frans voor 'vreemde oorlog') of phoney war (Engels voor 'nepoorlog'), was een periode uit de Tweede Wereldoorlog waarin nauwelijks een militaire actie aan het westelijk front werd ondernomen. Het is een begrip dat werd geïntroduceerd door Amerikaanse verslaggevers om de politieke en militaire situatie in West-Europa tussen 6 oktober 1939 en 8 april 1940 te beschrijven. De Nederlandse term "Schemeroorlog" verwijst naar de term Twilight War die de latere premier van Groot-Brittannië, Winston Churchill, gebruikte.

Op 1 september 1939 viel het Duitse leger in Polen binnen. Hierop verklaarden Groot-Brittannië en Frankrijk op 3 september 1939 de oorlog aan Duitsland, maar deze landen boden geen feitelijke militaire steun aan Polen.

De Schemeroorlog begon op 6 oktober 1939, de dag toen het Poolse leger zijn verzet tegen de Duitse invasie moest opgeven. In de nacht van 8 op 9 april 1940 vielen de Duitsers in een gecombineerde aanval Denemarken en Noorwegen aan (Operatie Weserübung). Dit wordt gezien als het einde van de Schemeroorlog.

Een Britse expeditiemacht, de zogenaamde British Expeditionary Force, werd verscheept naar Noord-Frankrijk om de Fransen bij te staan bij een eventuele Duitse invasie. Tezamen met de Fransen konden deze Britse troepen geen stellingen innemen in België en Nederland daar deze beide regeringen zich neutraal opstelden in het conflict tussen Duitsland en Polen. De weinige acties die plaatsvonden op het Westelijk Front, na de Duitse invasie in Polen waren:

Chamberlain (Britse premier), de grote voorvechter van de appeasementpolitiek, verzocht de RAF (Britse luchtmacht) de Luftwaffe zo min mogelijk te prikkelen, uit angst voor represailles. Over en weer werden inderdaad geen strategische bombardementen uitgevoerd en zelfs nauwelijks tactische. De troepen lagen maanden tegenover elkaar: de Duitsers in hun Siegfriedlinie, de Fransen in hun Maginotlinie. De Britten namen de verdediging van Noord-Frankrijk voor hun rekening. Daar waren echter maar een paar bunkers; men was van plan in de Lage Landen op te rukken, maar geheime onderhandelingen met België en Nederland leidden niet tot een goede afstemming met het Belgische oorlogsplan en al helemaal niet met het Nederlandse.

De Britten kenden een groot, wellicht zelfs overtrokken gewicht toe aan hun zeeblokkade. Die had immers in de Eerste Wereldoorlog ook een grote bijdrage geleverd aan de Duitse ineenstorting van 1918. Ze meenden dat de Duitse strategische voorraden genoeg waren voor hooguit enkele maanden oorlogvoering. Bovendien was het energieverbruik door de motorisering van de krijgsmacht zodanig toegenomen, dat men verwachtte dat Duitsland sneller door zijn benzine en andere grondstoffen heen zou raken. Men kan denken aan het brandstof- en materieelverbruik van een moderne luchtmacht of pantserdivisie. Duitse schepen werden tegengehouden en geïnterneerd, en schepen onder de vlag van neutrale landen werden vastgehouden en gecontroleerd, wat irritatie bij deze landen opleverde. De Britten meenden echter het ethische gelijk aan hun kant te hebben: ze 'beschermden Europa' tegen een dictatuur. Wellicht droeg de overschatting van de blokkade bij aan de passieve geallieerde houding tijdens de Schemeroorlog. Men had echter geen rekening gehouden met het feit dat Duitsland een handelsverdrag met de Sovjet-Unie sloot en Oost-Europa economisch geknecht had, waardoor het onder andere Roemeense olie kon afnemen. Bovendien waren de Duitse strategische voorraden door de Britten te laag ingeschat.

Initieel ondernam ook Hitler niets, deels omdat hij verwachtte dat zowel Groot-Brittannië als Frankrijk een compromis zou sluiten zoals in de periode toen het Sudetenland werd ingelijfd door Duitsland. Doch, Hitler en z'n militaire entourage (het OKW) bedachten Fall Gelb, een aanvalsplan om Frankrijk te treffen en zo de nederlaag van de Eerste Wereldoorlog recht te zetten. Deze plannen werden telkens herzien en verschoven. Op 9 november vond het Venlo-incident plaats. Op 10 januari 1940 maakte een Duits militair vliegtuigje een noodlanding bij Maasmechelen in België. De inzittenden probeerden in paniek papieren te verbranden; deze papieren bevatten het plan Fall Gelb, het Duits offensief tegen Frankrijk, België en Nederland. De papieren vielen in Belgische handen. De Nederlandse inlichtingendienst veronderstelde dat deze manoeuvre een misleidingsoperatie was, zeker toen er weer niets gebeurde. Hitler en zijn Generale Staf hadden echter besloten te wachten en nieuwe plannen te maken.

Een winter stilzitten, waarbij sommige Fransen bovendien in de sombere catacomben van de Maginotlinie opgesloten zaten, deed het moreel naar een dieptepunt dalen. Overigens gold dit voor de Duitse troepen niet minder; van groot enthousiasme, zoals aan het begin van de Eerste Wereldoorlog, was nergens sprake. Daar stond tegenover dat de hoeveelheid geproduceerd materieel enorm toenam.

Vervolgens begon op 10 mei de Slag om Frankrijk toen de Duitsers via Nederland en België een omtrekkende beweging om de Maginotlinie maakten en hiermee het geallieerde front doorbraken op een zwakke sector. De bewegingsoorlog was ook in het westen weer begonnen.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Burke, J., An Illustrated History of England (Londen, 1974)