Seldensate

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Poorthuis Seldensate

Seldensate is een landgoed gelegen ten zuidwesten van het dorp Middelrode in de Nederlandse gemeente Sint-Michielsgestel. Op het landgoed stonden vroeger een hoeve, een poortgebouw met duiventoren, een bierbrouwerij en een speelhuis genaamd Seldensate. Momenteel bestaan alleen het poortgebouw met oprijlaan, de duiventoren en een gedeelte van de brouwerij nog. De hoeve bestaat niet meer en van het kasteeltje rest slechts een ruïne omgeven door een gracht.

Het woord Seldensate is afkomstig van de oude term "seldene zathe", hetgeen zich ongeveer laat vertalen als "bijzonder landgoed" of "bijzondere buitenplaats".

Seldensate is vermoedelijk ontstaan in de 14e eeuw. Aanzet was de oprichting van de Gewatse hoeve rond het jaar 1300, nabij een doorwaadbare plaats (gewad) in de rivier de Aa in Middelrode. Het speelhuis werd rond 1440 gebouwd als uitbreiding van de Gewatse Hoeve. In de loop der tijd groeide het speelhuis uit tot een omgracht kasteeltje, met daarbij een duifhuis, een kapel en een brouwerij. De geschiedenis van Seldensate houdt direct verband met de ontwikkeling van de nabijgelegen stad 's-Hertogenbosch. Het kasteeltje vormde een buitenverblijf voor rijke bewoners van de stad 's-Hertogenbosch die de stank van de stad in de zomermaanden ontvluchtten. Nadat een groot deel van de katholieke adel na de Tachtigjarige Oorlog de Meijerij verliet, raakte het landgoed gestaag in verval. Na zestig jaar leegstand kwam Seldensate rond 1830 in bezit van de Bossche lakmoesfabrikant Jan Cornelus Bosch. Na zijn overlijden liet zijn zoon Valerius het gebouw in 1890 afbreken. De gracht werd grotendeels gedempt. De entree bleef echter gehandhaafd. Op de oude fundamenten herrees een wit herenhuis met een stompe toren en witte zandlopers op groene luiken. Het kasteeltje was voorzien van een eigen waterleiding, centrale verwarming, elektrische verlichting, tennisbaan en ijskelder, die onder een hoge zandheuvel lag. Na het overlijden van Bosch erfde zijn dochter Constantia rond 1909 het landgoed. Vanwege echtscheiding werd haar gewezen echtgenoot, jonkheer Christiaan Laman Trip, vruchtgebruiker. Door gebrek aan financiële middelen kon hij het kasteel niet meer bewonen. Het kasteeltje is vanaf 1920 niet meer bewoond en in de jaren daarna snel in verval geraakt. Dit werd veroorzaakt door achterstallig onderhoud en ook door oorlogsschade gedurende de Tweede Wereldoorlog. Tevens was er sprake van verzakking door een dalende grondwaterstand, als gevolg van de kanalisatie van de nabij gelegen rivier de Aa in de jaren 30.

In 1973 kocht de gemeente Berlicum het 10 hectare grote landgoed aan voor f 287.000,-. Het kasteeltje is al gesloopt in 1961, maar de duiventoren en het poortgebouw kunnen nog juist gered worden. Tussen 1976 en 1980 worden het poortgebouw en de duiventoren gerestaureerd. Tevens wordt de gracht rondom het voormalige speelhuis hergraven en het omliggende park wordt begaanbaar gemaakt. Het poortgebouw wordt thans gebruikt als werk- en vergaderruimte van de Vereniging van Bijenhouders St. Ambrosius. Park en ruïne zijn vrij toegankelijk.

Bewoners[bewerken]

In 1304 werd Geerlinck van den Bossche genoemd als eigenaar van een hoeve alhier: una hova domini Gerlach versus pontem Middelroy. Deze ridder, die ook Kasteel Nemerlaer bewoonde, had een deel van het bos bij Middelrode gekregen van de Hertog van Brabant, als beloning voor bewezen diensten. Deze hoeve was de voorloper van Seldensate, dat omstreeks 1420 werd gebouwd en bewoond door de familie Rycouts, die het in 1444 verkocht aan Goosen Toelinc. In 1468 erfde Willem Toelinc het huis en een hoeve. In 1481 kwam een deel aan diens schoonbroer, Jan Jansz. Keykamp. Hij was mogelijk de oprichter van de duiventoren. In 1507 stierf diens vrouw, Mechteld Toelyncx. Omstreeks 1596 werd Seldensate bewoond door Joachim en Clara van Lier. Hierna werd het verhuurd aan de drossaard van Heeswijk, Barthold de Fleru en zijn vrouw, Margaretha van Delft. Niet lang daarna, in 1601 en 1602 werd het kasteel gebruikt als vluchtplaats voor de bevolking van de omliggende dorpen, toen de troepen van Prins Maurits het gebied onveilig maakten.

In 1607 werd het als eene omwaterde huysinghe met eene optrekkende brugghe, neerhoff, nyeuwe poorte, bouhuys, brouwhuys mette brouketel, brouwgetouwe ende gereetschap vandien, peertstal, duyfhuysken, met alle henne gronden, hoeve en plantagie mette reijgerije, daerop ende omtrent staende, ittem een hoeve lants daeraen ende bij gelegen, samen oock mette gerechtichheyt van seeckere beneficium castrael op ter voirs. omwaterden huyse gefundeert te koop aangeboden en in 1608 gekocht door een aantal kooplieden, die het doorverkochten aan Graaf Adolf van den Bergh. In 1616 kwam het kasteel in bezit van de Graaf van Oost-Friesland die ook Kasteel Heeswijk bezat. Pandheer werd Joost van Hedickhuysen, die drossaard was van Cranendonck, Eindhoven, Heeswijk-Dinther en Berlicum. In 1629 kwamen de troepen van Frederik Hendrik om 's-Hertogenbosch te belegeren. Opnieuw moesten de bewoners in het kasteel hun toevlucht zoeken. In 1631 verkocht te toenmalige eigenaar, Johan 't Serclaes van Tilly die tevens heer van Heeswijk-Dinther was, het slot aan Joost, die de nieuwe heer werd. In 1633 kocht hij ook de heerlijkheid Eckart. Het drostambt werd hem in 1648 ontnomen door de Staatsen, en hij stierf in 1653. Zijn dochter, Geertruid van Hedickhuysen, gehuwd met Hendrik van Gestel en erfdochter van Seldensate bleef na de dood van haar man in 1673, op het kasteeltje wonen. Ze stierf in 1689, maar vóór die tijd was het al in beslag genomen en doorverkocht aan Quirinus van Zonst.

Quirinus stierf in 1688 en het huis werd toen omschreven als een schoon plaisant adellijk huys rontomme in syn grachten, met eene optreckende brughe, etc. Het werd in 1696 gekocht door Hendrik Musch, die Heer van Milheeze was. Het was nog een van de weinige katholieke edelen in deze streek. In 1717 erfde zijn zoon Mathias het huis. Deze liet het na aan de kinderen Van Pincxtereb, welke het kort na 1765 verkochten aan Daniel Mobachius Quaat en Galerus Hopman. Deze verhuurden het kasteeltje aan hoge militairen.

In 1807 werd het kasteel verkocht aan Francis van de Westelaken uit Den Dungen, en in 1827 kwam het in handen van Willem Bosch. Dit was een Bossche fabrikant van lakmoes en loodwit. In 1833 kwam diens zoon Johannes Cornelis Bosch er wonen maar het was diens zoon, Valerius Bosch, die in 1890 en daarna het geheel verbouwde tot een onherkenbaar geheel dat door tijdgenoten als een smakeloos bepleisterd bouwsel werd omschreven. Na Valerius' dood in 1911 kwam zijn dochter Constantia met haar man Christiaan Laman Trip er in 1912 wonen, maar het echtpaar ging uit elkaar. Constantia bleef eigenares en Christiaan kreeg het vruchtgebruik. Sedert 1928 werd het kasteeltje niet meer bewoond en raakte in verval. In 1931 was ook het poortgebouw onbewoonbaar geworden en een nieuwe boerderij werd gebouwd. Toen de Aa gekanaliseerd werd ging het verval nog sneller omdat de grondwaterhuishouding werd verstoord. Verzakkingen en rottende fundamenten waren na 1935 aan de orde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog huisten eerst Duitse, en later geallieerde militairen in het gebouw. Dit liep nog verdere schade op en werd in 1961 gesloopt. In 1973 kocht de gemeente Berlicum het landgoed. Van 1976-1980 werden poortgebouw en duiventoren gerestaureerd.

Externe link[bewerken]