Selectieve serotonine-heropnameremmer
| Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht. Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts. |
De selectieve serotonine-heropnameremmers (Engels: selective serotonin reuptake inhibitor, acroniem SSRI) zijn een subklasse in de groep van antidepressiva. De SSRI's hebben een agonistisch werkingsmechanisme door het blokkeren van de heropname van serotonine in neuronen. Dit verhoogt de serotonine concentratie in de synapsspleet en dit zou bijdragen aan het antidepressieve effect. Serotonine is een neurotransmitter die een belangrijke rol speelt in stemming en gemoed. SSRI's remmen eveneens, in veel geringere mate, de heropname van noradrenaline en dopamine. De SSRI's zijn globaal even effectief als de tricyclische antidepressiva (TCA's) en de duale uptake-remmers (venlafaxine). De bijwerkingen zijn minder vervelend dan die van de TCA's en monoamino-oxidaseremmers.
Inhoud |
[bewerken] Geschiedenis
In de jaren 70 was men op zoek naar antidepressiva die niet de - soms ernstige - bijwerkingen van tricyclische antidepressiva (TCA's) hadden. Een hoge dosis TCA kan het hart beschadigen, en een overdosis kan daardoor fataal zijn. Van TCA’s was bekend dat zij werkzaam waren vanwege hun remming van de heropname van noradrenaline, later ontdekte men dat deze middelen ook de heropname van serotonine remden. Deze ontdekking was de aanleiding voor onderzoek naar chemische verbindingen die meer specifiek de heropname van serotonine remden, en minder invloed hadden op histamine-, muscarine- en alfa-adrenergereceptoren. Hiervoor had men twee redenen. Ten eerste was men op het spoor gekomen van een nieuw antidepressief werkingsmechanisme, de serotonine heropname remming. Ten tweede wilde men middelen ontwikkelen die minder (ernstige) bijwerkingen vertoonden. Dit bereikte men door te werken aan middelen met een voornamelijk serotonine-effect en minder interacties met andere (bovenstaande) receptoren. Een en ander resulteerde in de ontwikkeling van de SSRI’s. Zimeldine was het eerste middel uit deze klasse dat in 1982 in een aantal Europese landen werd geïntroduceerd. In verband met zeldzame bijwerkingen bij een kleine groep patiënten werd het middel in 1983 van de markt gehaald. Ook in 1982 werd Indalpine geïntroduceerd, wat in 1987 eveneens van de markt werd gehaald in verband met haematologische effecten. In 1985 werd fluvoxamine (Fevarin) geïntroduceerd, gevolgd door andere middelen waarvan fluoxetine (Prozac) wereldwijd het meest voorgeschreven middel is. In Nederland zijn de SSRI's het meest gebruikte type antidepressiva. In totaal gebruiken 800.000 Nederlanders antidepressiva. Bij driekwart hiervan gaat het om SSRI's. Met name paroxetine en fluoxetine zijn vaak gebruikte en bekende antidepressiva.[1]
[bewerken] De SSRI’s
- Citalopram (Cipramil)
- Escitalopram (Lexapro)
- Fluoxetine (Prozac)
- Fluvoxamine (Fevarin)
- Paroxetine (Seroxat)
- Sertraline (Zoloft, Serlain)
Met uitzondering van escitalopram, zijn van al deze middelen goedkopere generieke varianten beschikbaar.
[bewerken] Werkingsmechanisme
Een gemeenschappelijke eigenschap van de SSRI’s is de remming van de heropname van serotonine terug het neuron in. Deze middelen remmen ook de heropname van noradrenaline en dopamine, echter in veel geringere mate dan die van serotonine. Vandaar het “selectieve” in de naam van deze groep middelen. Tevens bezitten ze een geringe affiniteit voor muscarine en serotonine-2-receptoren (5-HT2).
Werking met betrekking tot de serotonerge neurotransmissie, stapsgewijs:
1.Na toediening blokkeren SSRI’s meteen de serotonineheropnamepomp. Dit veroorzaakt een verhoging van de serotonineconcentratie aan de somatodendritische kant van het neuron.
2. Somatodendritische serotonine-1A-receptoren (5-HT1A-autoreceptoren) gaan een interactie aan met de serotonine waardoor het neuron presynaptisch minder serotonine afgeeft.
3. Na verloop van tijd (weken) worden deze 5-HT1A-autoreceptoren ongevoelig voor de lokaal verhoogde hoeveelheid serotonine, en de hoeveelheid receptoren neemt af. Gevolg zijn meer actiepotentialen, en aan het axonuiteinde van de zenuwcel wordt meer serotonine afgeven, de synaptische spleet in.
4. De laatste stap is het ongevoelig worden van de postsynaptische serotoninereceptoren. Hierdoor stijgt de hoeveelheid serotonine in de synaptische spleet. Dit zou bijdragen aan het antidepressieve effect van de SSRI's en het voorbijgaande karakter van een aantal bijwerkingen.
Het ongevoelig (desensitisatie) maken van de receptoren duurt enige tijd (een aantal weken) en wordt beschouwd als oorzaak van het vertraagd intreden van de werking van SSRI’s.
De beïnvloeding van de 5-HT1A-autoreceptoren speelt ook een rol bij de modulatie van angst, agressie, het voedingspatroon, de motoriek en het seksueel functioneren.
De bijwerkingen zijn voor het overgrote deel een direct gevolg van de interactie met de verschillende neurotransmitter-systemen.
[bewerken] Indicaties
Aanvankelijk werden SSRI’s alleen gebruikt bij de behandeling van klinische depressies. Inmiddels zijn er voldoende onderzoeksgegevens waaruit blijkt dat deze middelen ook bij andere aandoeningen effectief zijn:
- paniekstoornis: escitalopram, paroxetine
- obsessieve compulsieve stoornis: escitalopram, fluoxetine, fluvoxamine, paroxetine, sertraline
- gegeneraliseerde angststoornis: escitalopram, paroxetine
- sociale fobie/sociale angststoornis: escitalopram, paroxetine, sertraline
- posttraumatische stressstoornis: paroxetine
[bewerken] Bijwerkingen
- Maag-darmklachten (misselijkheid, diarree en obstipatie)
- Hoofdpijn,
- Anorexie
- Onrust
- Gewichtstoename
- Slapeloosheid
- Bloeduitstortingen en bloedingen.
- Seksuele stoornissen (verminderd tot geen libido, erectiestoornissen (bij mannen), vertraagde ejaculatie (bij mannen) genitale gevoelloosheid en opwindingsproblemen)
Deze bijwerkingen met uitzondering van gewichtstoename en seksuele stoornissen nemen af na een aantal weken of verdwijnen geheel.
De mogelijkheid betaat dat seksuele problemen ook na beëindiging van de medicatie blijven voortduren. Deze post-SSRI sexual dysfunction, zoals de aandoening wordt genoemd, kan enkele maanden of jaren duren en in enkele gevallen zelfs definitief zijn.
Uit een groot langetermijnonderzoek, het Women's Health Inititiative waarin 136.000 vrouwen werden gevolgd, blijkt dat onder de 5500 vrouwen uit dit onderzoek die een SSRI gebruikten significant meer sterfte voorkwam en meer beroertes dan onder diegenen die geen antidepressiva gebruikten. Het ging om ongeveer 2% per jaar extra risico.[2]
[bewerken] Vragen over effectiviteit
SSRI's blijken een aantal van de meest voorkomende symptomen van depressie niet te verhelpen, zoals slapeloosheid, bedroefdheid en verminderde concentratie. Tot 80% van de depressieve mensen houdt één of meer van hun depressieve symptomen als ze een SSRI gaan nemen.[3]
Uit onderzoek is gebleken dat veel patiënten (naar schatting ruim 100.000 mensen) die SSRI's gebruiken een te hoge dosering krijgt voorgeschreven. Artsen hebben de gewoonte om na zes weken behandeling de dosis te verdubbelen als de behandeling niet aanslaat. Patiënten gebruiken vervolgens deze dubbele dosis weer voor zes weken. Onderzoek heeft echter aangetoond dat deze verdubbeling geen effect heeft. Een dubbele dosis gaf ten opzichte van een nep-dosisverhoging (door middel van een placebo) geen toename te zien van de hoeveelheid paroxetine in de hersenen. Wel wordt door patiënten een toename gemeld van het aantal bijwerkingen.[1]
[bewerken] Andere klassen antidepressiva
- Monoamino-oxidaseremmers (MAO-remmers)
- Tricyclische antidepressiva
[bewerken] Zie ook
Bronnen, noten en/of referenties:
- ↑ a b Dubbele dosis moet worden ontraden. Artikel verschenen in de Volkskrant, 27 oktober 2008, onderzoek AMC, Eric Ruhé
- ↑ (en) Smoller JW, Allison M, Cochrane BB, et al. Antidepressant use and risk of incident cardiovascular morbidity and mortality among postmenopausal women in the Women's Health Initiative study. (2009) Arch Intern Med 169:2128-2139. PMID 20008698.
- ↑ (en) McClintock SM, Husain MM, Wisniewski SR, et al. Residual symptoms in depressed outpatients who respond by 50% but do not remit to antidepressant medication. (2011) J Clin Psychopharmacol 31:180-186. PMID 21346613.
- Stahl SM. Basic psychopharmacology of antidepressants, part 1: Antidepressants have seven distinct mechanisms of action. J Clin Psychiatry. 1998;59 Suppl 4:5-14.
- A.S. Hale. (1997). The treatment of depression: the reuptake inhibitors. In: Honig A, Van Praag HM (eds). Depression: Neurobiological, Psychopathological and Therapeutic Advances. John Wiley & Sons Ltd: Chichester.
| Zie de categorie Selective serotonin reuptake inhibitors van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |