Vestaalse maagden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
In de tempel van Vesta (Constantin Hölscher, 1902)

De Vestaalse maagden (Officieel: Sacerdotes Vestales) waren priesteressen van de Romeinse godin Vesta. Zij verbleven in het Huis van de Vestaalse Maagden (Atrium Vestae) bij het Forum. Dit lag vlak bij het aedes Vestae ("tempel van Vesta") waarvoor het eeuwige (haard)vuur brandde. Het was de Vestalinnen opgedragen dit vuur brandend te houden, een dienst die van belang was voor de hele gemeenschap. Het Vestaalse vuur mocht nooit doven; dit zou catastrofale gevolgen hebben voor de staat. De meisjes die de taak van het brandend houden van het vuur kregen opgedragen, begonnen hiermee op een leeftijd van zes tot tien jaar. Oorspronkelijk waren het er twee, drie of vier, later zes en in de late oudheid zelfs zeven. Aanvankelijk duurde hun dienst slechts vijf jaar, later werd het uitgebreid tot dertig jaar. Tacitus, in Annales boek twee, 86, vertelt over een Vestaalse maagd genaamd Occia die haar taken als priesteres van Vesta met de grootste toewijding had verricht, zevenenvijftig jaren lang. De meisjes werden oorspronkelijk aangewezen door de rex (later de Pontifex maximus), maar zouden later gekozen worden uit een lijst van twintig meisjes zonder enige gebreken, waarvan beide ouders nog in leven waren. Een gekozen meisje werd vervolgens met een rituele formule (captio) "gegrepen" door de Pontifex Maximus.

Zicht vanaf de Palatijn op het Atrium Vestae en het bijhorende beeldenpark.

De drie oudste Vestalinnen werden de tres maximae genoemd en stonden onder andere in voor het lezen van het speltaren, om de mola salsa (rituele deeg van spelt en zout) te maken. De oudste werd Virgo Vestalis Maxima genoemd en was naast leidster van de Vestalinnen ook de hoofdverantwoordelijke voor het verbranden van de ongeboren kalveren bij de Fordicidia. Meer dan dertig standbeelden van beroemde Virgines Vestalis Maxima (vanaf ca. 250 v.Chr.) met opschriften stonden in de tuin van het Atrium Vestae.

In de Romeinse tijd was seksuele gemeenschap voor de Vestaalse maagden verboden. Het was een lex divinitus data ("goddelijke gegeven wet") (CILVI 32424, een opschrift op een basis in het Atrium Vestae.). Zij moesten maagd blijven tot aan het einde van hun diensttijd. Wanneer men verdacht werd van ontucht, werd een strafrechtelijk onderzoek ingesteld door de Pontifex Maximus, die bij schuld voorging bij de processie van de Vestaalse maagd die ofwel van de Tarpeïsche rots geduwd werd of levend begraven werd in een ondergrondse kamer op de campus sceleratus met wat water, wat voedsel, een olielampje en een bed, nabij de Porta Collina. Ze waren 'maagd' in de betekenis van niet gebonden zijn aan een man; ze hadden geen echtgenoot, dus de vader van hun kinderen was niet bekend. Zij werden 'kinderen van god' genoemd. Dit komt ook naar voren in de verhalen over Rhea Silvia, zij was de moeder van de goddelijke kinderen Romulus en Remus.

Bij hun inwijding werd het haar van de meisjes geknipt en in een boom gehangen. Ze waren gekleed in bruidskleding. Elk jaar werd er op 1 maart het vuur vernieuwd. Dit deed men door het wrijven van hout. In een latere tijd werd het vuur ook wel ontstoken met behulp van een brandglas. Op 1 maart werd Vesta's heilige dier de ezel vereerd. De ezel symboliseerde het nieuwe jaar. Behalve voor het vuur droegen de priesteressen ook zorg voor water, afkomstig uit een heilige bron.

De Vestalen genoten in Rome een hoog aanzien, en kenden vele privileges. Het was van groot belang dat het vuur bleef branden, want als het zou doven, zou er groot onheil over de staat komen. Ook spraken zij gebeden uit voor het volk, de staat en de keizer, en droegen zo zorg voor hun welzijn. Volgens de Romeinse overlevering, beschreven door Plutarchus, werd de tempel gevestigd door de legendarische koning Numa Pompilius, in de 8e eeuw v.Chr.. De eerste Vestaalse maagden zouden Gegania en Veneria zijn geweest, en vervolgens Canuleia en Tarpeia. De maagden werden Amata genoemd, dat niet "geliefde" betekent, maar gewoon een oud-Latijnse term is voor capta.

Beroemde legendarische Vestaalse waren Acca Larentia, Lupa en Rhea Silvia. Deze laatste zou Vestaalse maagd geweest zijn, alvorens ze bestonden. Dit is dus een duidelijk voorbeeld van een anachronisme.

Het eeuwige vuur werd in 394 gedoofd en de orde opgeheven op bevel van de christelijke keizer Theodosius I. De keizer vond de cultus achterhaald en heidens.

Externe link[bewerken]

Bronnen