Vulgair Latijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Vulgair Latijn of Volkslatijn is een verzamelnaam voor verschillende dialecten in het Latijn, die in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling ontstonden. Het staat tegenover het klassiek Latijn, de geschreven versie van het Latijn die vanaf de 2e eeuw v.Chr. vrijwel onveranderd bleef.

Naarmate in de eerste eeuwen van onze jaartelling meer en meer Etrusken, Osko-Umbriërs, Iberiërs, Galliërs, Illyriërs, Daciërs en vele andere volkeren het Latijn als hun dagelijkse spreektaal overnamen, ontwikkelden zich vele dialecten van de Latijnse spreektaal, met invloeden van de oorspronkelijke talen van de nieuwe sprekers.

Omdat deze dialecten maar heel weinig op schrift werden gesteld, weten we er betrekkelijk weinig van. De sporen ervan zijn echter te zien in de verschillende Romaanse talen die zich uit deze dialecten hebben ontwikkeld. Ook komen er in teksten in klassiek Latijn soms "fouten" voor, die aan invloed van de spreektaal te wijten zijn. Aanvankelijk bestond er nog een grote mate van onderlinge verstaanbaarheid tussen deze dialecten en het klassiek Latijn, maar in de tijd van de Grote Volksverhuizing werd die minder en minder en vanaf ca. 800 n.Chr. wordt de onderlinge verstaanbaarheid zo gering dat we sindsdien van verschillende "Romaanse talen" spreken.

Deze dialecten vertonen wel al vroeg een aantal gemeenschappelijke kenmerken, die tot uitdrukking komen in grammaticale veranderingen (vaak: vereenvoudigingen) die (bijna) alle moderne Romaanse talen gemeen hebben ten opzichte van het klassiek Latijn.

Grammaticale verschillen met het klassiek Latijn [bewerken]

Al vroeg zijn er enkele tendensen te zien, die in de moderne Romaanse talen volledig de overhand hebben gekregen, zoals:

  • vermindering van het aantal naamvallen, aanvankelijk tot twee (een voor nominativus, accusativus en ablativus, de andere voor genitivus en dativus), waarbij uiteindelijk (met uitzondering van het Roemeens, dat twee naamvallen heeft behouden) de tweede van deze naamvallen vervangen zou worden door een constructie met de voorzetsels "ad" en "de" gevolgd door de eerste naamval.
    In klassieke teksten komen we steeds vaker de fout tegen dat er in plaats van dono malum fratri meo (ik geef een appel aan mijn broer) geschreven wordt dono malum ad fratrem meum. Op deze manier werd de dativus vermeden door het gebruik van het voorzetsel ad met de accusativus. Op soortgelijke manier ontstond er een tendens om de genitivus te vervangen door het voorzetsel de met de ablativus. Flos de campo (de bloem die van het veld komt) gaat dan Flos campi (de bloem van het veld) vervangen.
  • de verdwijning van het neutrum, dat gaat samenvallen met het mannelijk geslacht (of via het meervoud op -a met het vrouwelijk geslacht: folium wordt via het meervoud folia (verg. Frans: la feuille)).
  • vervanging van diverse werkwoordsvormen door hulpwerkwoorden met een deelwoord.
    De vormen van het "passivum" verdwijnen spoedig:
    • occidebatur (hij werd gedood) maakt plaats voor occisus erat.
    Ook in de bedrijvende vorm vindt vervanging door deelwoordconstructies plaats, maar minder volledig:
    • Naast amavi (ik heb bemind) komt ook amatum habeo op, maar de perfectumvorm blijft in een deel van de gevallen bestaan als "passato remoto" of "passé simple".
  • het futurum wordt vervangen door een nieuwe vorm, bestaande uit infinitief + vormen van het hulpwerkwoord "habere". Laudabo (ik zal prijzen) wordt vervangen door laudare habeo (verg. Frans: je louerai).

Veranderingen in woordenschat [bewerken]

Een hele reeks klassieke woorden verdwijnt en wordt vervangen door andere woorden, die ofwel afkomstig zijn uit de substraattalen, ofwel Latijnse woorden zijn die een andere betekenis krijgen.

Voorbeelden:

  • bellus of formosus in plaats van pulcher (mooi)
  • bucca (oorspr. "gat") in plaats van os (mond)
  • caballus (van Keltische oorsprong) in plaats van equus (paard)
  • carruca (van Keltische oorsprong) in plaats van aratrum (ploeg)
  • casa (oorspr. "hut") in plaats van domus (huis)
  • cassanus (van Keltische oorsprong) in plaats van quercus (eik)
  • civitas (gemeenschap van burgers) in plaats van urbs (stad)
  • fabulare of parabolare in plaats van loqui (spreken)
  • grandis in plaats van magnus (groot)
  • testa (oorspr. "pot") in plaats van caput (hoofd)

Klankverschuivingen [bewerken]

Een betrekkelijk vroege klankverschuiving (waarschijnlijk 4e eeuw), die van invloed zou zijn op bijna alle Romaanse talen is de palatalisatie van de oorspronkelijk als "k" uitgesproken "c" vóór "e" en "i". Dit verschijnsel vond ook plaats in de Ingveoonse talen als bijvoorbeeld het Oudengels.

"Centum" (uitgesproken "kentoem") werd "kjentoe" en vervolgens "tsjento". De "tsj" klank kon vervolgens evolueren tot verschillende andere sis-klanken, zoals "s" in het Frans.

Alleen het Sardisch is van deze klankverschuiving vrij gebleven. In de Sardische dialecten wordt de Latijnse "c" nog in alle gevallen als "k" uitgesproken.

Enkele eeuwen later zouden in Gallië de meeste dialecten van de langue d'Oïl (met uitz. van Picardisch en Waals), evenals de noordelijke langue d'Oc dialecten, nog een stap verder gaan: daar werd ook de "c" voor een "a" gepalataliseerd en uiteindelijk getransformeerd in "sj".

Voorbeelden:

  • castellum wordt château
  • caballus wordt cheval
  • canis wordt chien

Een typisch kenmerk van de Gallo-romaanse dialecten en de Noord-Italiaanse dialecten is dat de Latijnse "u" ("oe") veranderde in een "ü". Dit geschiedde vrijwel zeker onder invloed van een Gallisch substraat.

De voor het Castiliaans (het dialect dat ten grondslag ligt aan de Spaanse standaardtaal) en het Gascons kenmerkende vervanging van een Latijnse "f" aan het begin van een woord door een "h" (zoals in hoja uit folium en hermoso uit formosus) is waarschijnlijk het effect van een Baskisch of Iberisch substraat.