Watergateschandaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nixon verlaat het Witte Huis na zijn aftreden

Het Watergateschandaal of de Watergateaffaire was een Amerikaans politiek schandaal in de jaren 70 van de twintigste eeuw, waarbij bleek dat ongeoorloofde methodes waren gebruikt tijdens de campagne voor de presidentsverkiezingen van 1972. Het schandaal leidde in 1974 uiteindelijk tot het aftreden van president Richard Nixon.

Geschiedenis[bewerken]

Campagne presidentsverkiezingen[bewerken]

In november 1972 won Republikein Richard Nixon de Amerikaanse presidentsverkiezingen van de Democratische kandidaat George McGovern. Een jaar eerder lagen de verhoudingen nog heel anders. In het Democratische kamp was de linkse McGovern kansloos tegen de gematigde senator Edmund Muskie. Deze laatste leek kansrijk tegen de impopulaire president Nixon, die zijn belofte om de Vietnamoorlog te beëindigen niet had waargemaakt.

Tijdens de campagne gebeurden er vreemde dingen. De Republikeinen leken de strategie van Muskie precies te kennen. In hun speeches kwam informatie naar buiten uit het campagneteam van de Democraten, wat Muskie tot wanhoop dreef. Op een gegeven moment barstte hij op het podium in huilen uit [bron?]. George McGovern, die nergens weet van had, profiteerde van de verzwakking van Muskie en won de een na de andere voorverkiezing, en ten slotte de nominatie.

En daar was het Nixon om te doen geweest. McGovern was veel te radicaal om ook maar enige kans te maken. Bovendien kreeg ook hij nu last van de inside-information waarover de Republikeinen leken te beschikken.

Watergate[bewerken]

In de nacht van 17 juni 1972 werden vijf mannen gearresteerd tijdens een inbraak in het hoofdkantoor van de Democratische Partij, in het Watergatecomplex te Washington. Doel van de inbraak was waarschijnlijk het plaatsen van afluisterapparatuur, al werd ook gespeculeerd dat de inbraak was bedoeld om belastende papieren in handen te krijgen over betalingen van Howard Hughes aan Nixon, en om de Democraten met Hughes in verband te brengen. Larry O'Brien, de voorzitter van het campagneteam van de Democraten in wiens kantoor werd ingebroken, was sinds 1968 een betaalde lobbyist voor Hughes. Later zou blijken dat de inbrekers op 28 mei 1972 hun eerste bezoek brachten aan het hoofdkantoor. Daarbij werden documenten gefotografeerd en er werd afluisterapparatuur geplaatst. Directeur John Mitchell van het Republikeinse comité voor herverkiezing van de president (Committee to Re-elect the President; CREEP) was niet tevreden met de resultaten en liet de inbrekers nogmaals een bezoek brengen, waarbij het doel was beter materiaal in handen te krijgen.

Veroordeling[bewerken]

Een jaar later werden de vijf, plus Gordon Liddy en E. Howard Hunt, door rechter John Sirica schuldig bevonden aan de inbraak. Door met name de Washington Post-journalisten Bob Woodward en Carl Bernstein kwam de werkelijke toedracht van de inbraak boven water. De verslaggevers ontdekten dat de inbraak slechts een onderdeel was van een geheime operatie, geleid door president Richard Nixon, om de verkiezingscampagne van de Democraten te dwarsbomen. De president beweerde echter bij hoog en laag niets met de illegale acties van doen te hebben.

Woodward en Bernstein schreven op dat moment al maanden over de Watergateaffaire. Het spoor dat de verslaggevers volgden bracht hen steeds hoger op de politieke ladder. Op een gegeven moment leidde het zelfs direct door de poorten van het Witte Huis: de persoonlijke assistent en advocaat van de president gaven opdrachten om de Democratische campagne te saboteren.

Door het speurwerk van de jonge Woodward en Bernstein werden de banden tussen de inbraak en het Republikeinse comité voor herverkiezing van de president duidelijk, alsmede illegaal handelen bij het financieren van zijn verkiezingscampagne van 1972. Ook werd aangetoond dat president Nixon routinematig bandopnamen van zijn vergaderingen en telefoongesprekken bijhield. Nixon zelf bleef zijn onschuld volhouden. Toen de geluidsbanden werden opgeëist, ontsloeg hij speciaal aanklager Archibald Cox die deze procedure niet wilde laten stopzetten, hetgeen Nixon verder in moeilijkheden bracht.

Aftreden[bewerken]

Ontslagbrief van Nixon

In 1973 werden de gevolgen van het schandaal voelbaar in het Witte Huis. Op 30 april 1973 vroeg Nixon zijn twee belangrijkste adviseurs H.R. Haldeman en John Ehrlichman om op te stappen. Beiden werden uiteindelijk aangeklaagd wegens onder meer meineed en kregen een gevangenisstraf opgelegd. Tegelijkertijd werd Witte Huis-advocaat John Dean de wacht aangezegd.

In 1974 oordeelde het Hooggerechtshof dat de bandopnamen vrijgegeven moesten worden. Hiermee werd de betrokkenheid van Nixon (en zijn campagnestaf) bij zowel de inbraak als bij het verdoezelen van de gebeurtenissen bewezen, hoewel er een belangrijke passage gewist bleek te zijn. Om een impeachment te voorkomen trad Nixon op 9 augustus 1974 af. Zijn opvolger Gerald Ford verleende hem amnestie voor alle strafbare feiten die hij tijdens zijn presidentschap had of zou hebben begaan.

In 2003 verklaarde Jeb Magruder, speciale assistent van Nixon en leider van het comité tot herverkiezing van de president, dat Nixon niet alleen betrokken was bij de verdoezeling van de Watergate-inbraken, maar er ook telefonisch opdracht toe had gegeven.

Gevolgen[bewerken]

Een van de gevolgen van het Watergateschandaal was dat China hierdoor geen supermacht geworden is omdat de toezeggingen gedaan door Henry Kissinger aan Mao (tijdens de voorafgaande besprekingen in juli 1971 voor het bezoek van Nixon aan China) niet meer waar gemaakt konden worden, namelijk de opheffing van het wapenembargo en het embargo op levering van geavanceerde technologie aan China[1].

Deep Throat[bewerken]

Het Watergateschandaal betekende de doorbraak van de journalisten Bob Woodward en Carl Bernstein, die voor de Washington Post het schandaal blootlegden. Ze kregen informatie van iemand die onbekend was gebleven en Deep Throat werd genoemd. Woodward en Bernstein doen het Watergateschandaal uit de doeken in hun boeken All The President's Men[2][3] en The Final Days. In de speelfilm All The President's Men uit 1976 spelen Robert Redford en Dustin Hoffman de rollen van Woodward en Bernstein. Ook journalist Hunter S. Thompson schreef veel over het Watergateschandaal. Hij dacht dat Gordon Liddy Deep Throat moest zijn geweest, maar daar zat hij naast.

Daags na het aftreden van Nixon drukte de Washington Post op haar banenpagina een levensgrote foto af van Gerald Ford, met als opschrift hun bekende motto voor de succesverhalen van diezelfde pagina: "I got my job through the Washington Post".

Op 31 mei 2005 onthulde de inmiddels 91-jarige voormalige FBI-onderdirecteur Mark Felt dat hij Deep Throat was geweest. Dit werd door Woodward, Bernstein en anderen bevestigd in de Washington Post.

Trivia[bewerken]

Sinds het Watergateschandaal is de uitgang -gate diverse malen gebruikt om een politiek schandaal aan te duiden, zoals in Irangate of Climategate. Zie ook -gate.

Voetnoten[bewerken]

  1. Jung Chang (2005), ”MAO, Het onbekende verhaal”, Uitg. Forum Amsterdam, 944 pag. ISBN 978-90-225-4794-6, Hoofdstuk 54 Nixon, de visser aan de haak geslagen en Hoofdstuk 55, pag 752-753
  2. Bernstein, Carl & Woodward, Bob All the President's men, uitg. Simon and Schuster, New York (1974) ISBN 0-671-21781-X
  3. Nederlandse vertaling: Alleman van Nixons staf, uitg. Contact, Amsterdam (1974), met inleiding van politiek commentator W.L.Brugsma ISBN 90-254-2032-X

Externe links[bewerken]