Adri Duivesteijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Adri Duivesteijn
Adri Duivesteijn
Algemene informatie
Volledige naam Adrianus Theodorus Duivesteijn
Geboren 27 augustus 1950
Functie Lid Eerste Kamer
Partij PvdA
Politieke functies
1975-1989 Lid gemeenteraad Den Haag
1980-1989 Wethouder in Den Haag
1994-2006 Lid Tweede Kamer
2006-2013 Wethouder in Almere
2013-2015 Lid Eerste Kamer
Biografie op Parlement.com
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

Adrianus Theodorus (Adri) Duivesteijn (Den Haag, 27 augustus 1950) is een Nederlands politicus. Hij was namens de Partij van de Arbeid lid van de Eerste Kamer, Tweede Kamer, raadslid en wethouder in Den Haag en wethouder in Almere. Na zijn wethouderschap in Den Haag was hij 5 jaar directeur van het Nederlandse Architectuurinstituut.

Jeugd[bewerken | brontekst bewerken]

Adri Duivesteijn is geboren in het Statenkwartier in Den Haag waar het gezin achter de schoenmakerswerkplaats van vader een aantal jaren woonde.Toen die woning door gezinsuitbreiding te klein werd, is de familie verhuisd naar de Schilderswijk. Daar groeide Adri Duivesteijn op en zat er op de lagere school. Vanwege zijn, toen niet onderkende, dyslexie waren de schoolprestaties mager. Na de lagere school, volgde hij de koksopleiding aan de lagere technische school St. Josef in het centrum. Ondanks zijn taalachterstand had Adri toen al een grote belangstelling voor journalistiek en voor maatschappelijke verhoudingen. Voor de schoolkrant interviewde hij politieke kopstukken als de oud premier Willem Drees en Hans van Mierlo, maar ook Johan Cruyff en Toon Hermans. Door wat hij in de stad en vooral in zijn wijk waarnam, groeide zijn klasse bewustzijn en drang om aan die ongelijkheid wat te doen. De koksopleiding sloot hij af met en stage in het Kurhaus en niet in het hotel Terminus bij station Hollandsspoor die de school voor hem had geregeld. Ook na zijn stage bleef Duivesteijn daar in dienst totdat zijn acties tegen de slechte woonomstandigheden in de Schilderswijk al zijn aandacht opeisten. Tegen de zin van zijn baas nam hij ontslag. Hij was al lid van de Jongeren Actiegroep Schilderswijk (J.A.S.) en werd op 19-jarige leeftijd fulltime actievoerder. In die rol valt zijn talent op. Dat maakte voor hem de weg vrij voor een vervolg opleiding. Met een aanbeveling van de directrice van de Sociale Academie en een speciale goedkeuring van de minister van maatschappelijk werk Marga Klompé kreeg hij de mogelijkheid om, zonder de vereiste vooropleiding aan dat instituut de opleiding voor opbouwwerker te volgen. Hoewel hij weinig op had met de manier waarop opbouwwerkers in de praktijk hun vak uitoefenden, sloot hij de opleiding in 1974 af met een scriptie over een andere maatschappij met gelijke kansen voor iedereen die hij samen met zijn latere wethoudersassistent Aalt Maaswinkel had geschreven. Tijdens zijn studie gaat hij door met acties in de Schilderswijk en richt de wijkkrant de Schilderswijker op die in een oplage van 17.000 exemplaren in de wijk worden uitgezet. Hij wordt zelf hoofdredacteur. Na de sociale academie startte Duivesteijn de studie andragologie aan de universiteit van Amsterdam maar brak die studie af toen hij in 1975 voor de PvdA lid werd van de Haagse gemeenteraad. (noot: informatie ontleend aan: Adri Duivesteijn Vanzelfsprekend maar niet normaal, november 2019)

Raadslid en wethouder in Den Haag[bewerken | brontekst bewerken]

Zijn toetreden tot de raad was voor zijn achterban niet vanzelf sprekend. Daarom maakte Duivesteijn in zijn maidenspeech zijn positie helder. Hij zat in de raad om de achterstandsituatie van de bewoners in de oude wijken op te heffen. Deze positie werd snel duidelijk toen hij het college waarin zijn partij met drie wethouders was vertegenwoordigd hard aanviel over het stadsvernieuwingsbeleid en de geboekte resultaten. Hierin werd jij door fractiegenoot en architect Joop ten Velden gesteund. Joop onderwees hem in de stadsontwikkeling en architectuur. Samen kwamen ze met een initiatief voorstel voor een andere werkwijze voor de stadsvernieuwing geïnspireerd op de Rotterdamse aanpak waar het stadsvernieuwingsproces veel vlotter verliep. Zij wilden projectgroepen in de wijken, een actief aankoopbeleid van slechte panden en veel meer gemeentelijke aandacht voor de leefbaarheid tijdens het stadsvernieuwingsproces. Het bouw- en renovatieprogramma van woningen diende te worden afgestemd op de zittende bewoners (bouwen voor de buurt). Zijn politiek strategisch talent werd duidelijk in zijn rol als voorzitter van onderzoekscommissie voor Bezuidenhout West. Nadat eerst in 1976 wethouder Nuij en later in 1980 zijn opvolger Hardon niet opgewassen bleken tegen de aanhoudende, inmiddels breed gedragen kritiek op het gebrek aan resultaten in de stadsvernieuwing, werd Adri Duivessteijn in november 1980 zelf door de raad gekozen tot wethouder voor ruimtelijke ordening en stadsvernieuwing. Een visie op wat er moest gebeuren en hoe dat aan te pakken had hij als raadslid ontwikkeld. In hoog tempo bracht hij een projectorganisatie voor de stadsvernieuwing tot stand en schiep ruimte voor nieuwbouw van sociale woningen in de binnenstad door zijn deal met de VVD-wethouder Nyqvist en CDA-wethouder Blankestijn over het definitief schrappen van de Dwarsweg als ontsluiting voor de binnenstad. Een overblijfsel uit de tijd van de zogenaamde Cityvorming. In elf stadsvernieuwingswijken kwamen onder leiding van de projectgroepen plannen voor renovatie en nieuwbouw tot stand en werd de leefbaarheid in die wijken bewaakt. Met bestemmingsplannen bestreed hij de oprukkende kantoren in de woonwijken. Zijn deal met de Rijksgebouwendienst waarin panden en grond tussen gemeente en Rijk met gesloten beurzen werden geruild, was hierop gericht. Eveneens gold dat voor de 'reorganisatie' van de prostitutie in de binnenstad. Door verplaatsing kwam er grond vrij voor een bijzonder nieuwbouwplan Katerstraat.

Uit onvrede met de sociale en architectonische kwaliteit van de stadsvernieuwing nam hij het initiatief voor de campagne Stadsvernieuwing als kulturele aktiviteit, waarmee hij zowel een architectonische als sociale vernieuwing van stadsvernieuwingswijken wilde bereiken. Met deze campagne nam Duivesteijn afstand van het 'productiedenken' dat de stadsvernieuwing was gaan beheersen. Op zoek naar betere architectuur voor de oude wijken benaderde hij architecten van buiten Den Haag en uit het buitenland, onder wie de Portugees Alvaro Siza, om in samenwerking met Nederlandse architecten en bewoners nieuwbouwplannen te ontwikkelen. Voorbeelden hiervan zijn Punt Komma, het Van der Vennepark, het Slachthuisterrein, de Vaillantlaan en het Groot Handelsterrein. Kunsttoepassing in de wijken werd onderdeel van het planproces. Op 17 maart 1987 ontving Duivesteijn voor zijn initiatieven in de Haagse stadsvernieuwing de Dr. H.P. Berlageprijs.

In april 1986 trad het eerste progressieve college in De Haag aan met vijf wethouders van de PvdA, onder wie Duivesteijn voor Stadsvernieuwing en Ruimtelijke Ordening, een van D66 en een van Links Den Haag. Omdat de stadsvernieuwing goed liep, kon Duivesteijn meer aandacht geven aan de ontwikkeling van de gehele stad, met name aan de zoektocht naar ruimte voor nieuwe woningen in en buiten de stadsgrenzen en aan de uitbreiding van het stadhuis aan het Burgemeester De Monchyplein. Daar lag een bouwplan voor klaar, maar hij had daar geen vrede mee. Het lag decentraal en in een woonwijk. Aan het college stelde hij voor te onderzoeken of een geheel nieuw stadhuis gecombineerd met een nieuwe bibliotheek in het centrum van de stad voor de stad niet beter én haalbaar zou zijn. Een vestiging aan het Spui zou het gebied, dat al zo lang tegen vergaande verloedering vocht, een trekker voor activiteiten en andere investeringen bezorgen en de Archipelbuurt bevrijden van een groot kantoorgebouw. Het college ging in die gedachte mee. Vijf combinaties van architecten van naam en bouwconsortia werden uitgenodigd een schetsplan te maken voor een stadhuis met bibliotheek. De schetsplannen werden in het gemeentemuseum tentoongesteld en door een onafhankelijke commissie beoordeeld. De plannen van Rem Koolhaas en van de Amerikaanse architect Richard Meier kwamen als beste uit de beoordeling. Op basis van een verdere uitwerking zou de Raad tot een definitieve keuze moeten komen. Na een lang en moeizaam uitwerkingsproces van de plannen konden de wethouders en de fractie van de PvdA het onderling niet eens worden. Van Otterloo, wethouder financiën had een sterke voorkeur voor Koolhaas. Hij vond het plan van Meier niet goed en financieel te riskant. Duivesteijn had juist een sterke voorkeur voor het plan van Meier omdat het zich het beste voegde in stadsstructuur en hij grote maatschappelijke waarde toekende aan de centrale hal van het gebouw. Omdat de twee PvdA wethouders ook na twee jaar van aanpassingen, nieuwe berekeningen en nieuwe adviezen niet tot overeenstemming konden komen, werd de bestuurlijke impasse aan de PvdA leden van het gewest Den Haag voorgelegd. De oplossing werd gevonden in het dringende verzoek aan beide wethouders hun wethouderszetel ter beschikking te stellen waardoor het draagvlak van het college kon worden verbreed. Die was noodzakelijk voor het verkrijgen van een meerderheid voor het plan van Meier dat Duivesteijn namens de helft van het college had voorgesteld. In de raadsvergadering van juli 1989 werd het plan met steun van het CDA door de raad aanvaard en de jaren daarna gerealiseerd. Van Otterloo en Duivesteijn traden beide na de zomer af. Naar aanleiding daarvan schreef Duivesteijn in 1994 samen met Fred Feddes het boek "Het Haagse stadhuis, bouwen in een slangenkuil" waarin het hele wordingsproces minutieus uit de doeken wordt gedaan.

In januari 1989 was Duivesteijn nog ontsnapt aan een aanslag, gepleegd via een op zijn kantoor afgegeven tafellamp, waarin in de voet een explosief was verborgen. De bom, die door een mechanisch mankement niet afging, kon onschadelijk worden gemaakt. De dader bleek de Scheveningse crimineel Eef Hoos, die hiervoor tot een vrijheidsstraf werd veroordeeld.

Directeur van Nederlands Architectuurinstituut (NAi)[bewerken | brontekst bewerken]

In de zomer van 1989 werd Duivesteijn door Hans Anderson, kwartiermaker en interim-directeur van het Nederlands Architectuurinstituut gevraagd of hij beschikbaar was voor de functie van directeur. Duivesteijn kende het instituut omdat hij er zelf bestuurllid van was. Zijn opdracht zou zijn de drie samenstellende Amsterdamse delen van het instituut samensmeden tot één organisatie met een beleidsplan en het realiseren van nieuwe huisvesting in één gebouw. Tegen de wil in van de medewerkers was door het bestuur als vestigingsplaats Rotterdam gekozen. De stad had hiervoor grond tegenover het museum Boijmans Van Beuningen beschikbaar gesteld en Jo Coenen de prijsvraag voor een ontwerp gewonnen. Met de uitwerking was hij al een eind onderweg toen Duivesteijn in september 1989 aan trad. Na een stroef ontwerp proces, waarin het budget naar goed Nederlands gebruik bij dit soort projecten niet toereikend bleek voor het programma van eisen, werd op 29 februari 1992 door de minister van cultuur Hedy d'Ancona de eerste paal geslagen. Op 29 oktober 1993 het gebouw door Koningin Beatrix geopend.

Inhoudelijk verbrede Duivesteijn het instituut met een gespecialiseerde uitgeverij en boekwinkel, een toegankelijk architectuurarchief en een centrum voor thematentoonstellingen, lezingen. Het debat over kwaliteit van opdrachtgever én ontwerper in zijn maatschappelijke context werd niet geschuwd. In 1993 vond Duivesteijn dat hij zijn opdracht had volbracht en voor consolidatie en verdieping niet de juiste persoon was. Bovendien lonkte nog steeds de politiek. Hij gaat in op het verzoek van de PvdA om zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamerverkiezing in 1994. Met de tentoonstelling De verborgen opgave neemt hij in augustus 1994 afscheid als directeur. De tentoonstelling ging over de rol die architecten zouden moeten pakken in het oplossen van huisvestingsvraagstuk van de grote metropolen in de wereld. Een meer politiek dan bij het instituut passend thema, vonden velen.

Tweede Kamerlid[bewerken | brontekst bewerken]

Adri Duivesteijn was door de voorzitter van de PvdA Felix Rottenberg gevraagd om zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1994. Rottenberg was op zoek naar leden met een meer activistische taakopvatting. Duivesteijn werd gekozen en kreeg in de fractie de portefeuilles Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toebedeeld. Als oud wethouder van Den Haag en voorzitter van de Woonbond had hij ervaring én affiniteit op beide beleidsterreinen en ging direct aan de slag. Hij stelde de afkalvende invloed van huurders en de alsmaar oplopende huren als gevolg van het nieuwe volkshuisvestingsbeleid van de oud staatssecretaris Heerma (CDA) aan de orde. Omdat coalitiegenoot staatssecretaris Tommel (D66) geen bereidheid toonde om met reparatiewetgeving te komen, diende Duivesteijn in februari 1995 een initiatiefwet in, waarin de verhuurder wordt verplicht tot overleg met de huurders. In 1998 krijgt de wet in gewijzigde vorm rechtskracht. Vanuit de gedachte dat eigendom de beste mogelijkheden biedt voor zeggenschap over de woning die men bewoont, wil Duivesteijn ook voor mensen met weinig vermogen en beperkt inkomen de koop en beheer van een huis mogelijk maken. Met oppositiepartij CDA dient hij hiertoe het wetsvoorstel individuele koopbijdrage in, dat in latere fase van de parlementaire behandeling wordt gewijzigd en als in de initiatiefwet bevordering eigen woningbezit mede door D66 en VVD werd ingediend. Deze wet kreeg in 2001 rechtskracht. Om de macht van projectontwikkelaars in te dammen en individuele burgers meer mogelijkheden voor zelfbouw te geven, pleitte Duivesteijn tevens voor een stimuleringsbeleid door het Rijk van het zogenaamde particulier opdrachtgeverschap (P.O.).

Veelvuldig stelde hij in de Tweede Kamer de tekortschietende sociale taakopvatting van de woningbouwcorporaties, het gebrek aan controle op de besturen en de uit de hand lopende huurstijgingen, met segregatie in de steden als gevolg. Bij de parlementair onderzoek woningbouwcorporaties kreeg hij alsnog zijn gelijk.

Op het beleidsterrein Ruimtelijke Ordening wees Duivesteijn minister Margreet de Boer (PvdA) op de tekorten in het R.O. beleid. Vanwege de ruimtelijke dynamiek was het beleidskader van 4e nota R.O. Extra niet meer toereikend. Hij miste een sterke regisserende rol door het Rijk. In het kabinet Kok II nam minister Pronk de 5e nota R.O. in voorbereiding waar Duivesteijn steeds voor had gepleit. Duivesteijn werd voorzitter van een Kamercommissie die het R.O. beleid evalueerde. De commissie kwam tot een 7 tal aanbevelingen voor aanpassing van het beleid en voor het oprichten van een onafhankelijk Nationaal Ruimtelijk Planbureau waar Duivesteijn zich ook sterk voor had gemaakt. Dat planbureau kwam er ook maar tot vaststelling van de 5e nota is het met het aantreden van het Kabinet Balkenende niet meer gekomen. Door het verliezen van de macht raakte Duivesteijn de mogelijkheid kwijt om zelf als bewindspersoon de knoppen te bedienen. Vanwege zijn vooraanstaande rol in de fractie (lid van het fractiebestuur) en in de partij was dat reële mogelijkheid (noot: opmerking van fractievoorzitter Ad Melkert in Vanzelfsprekend maar niet normaal). Ook had Duivesteijn moeite met het steeds verder richting neoliberalisme opschuivende beleid van zijn eigen fractie. Zijn Kamerlidmaatschap werd in zijn derde periode vooral vormgegeven door parlementaire onderzoekscommissies. Namens de PvdA zat Duivesteijn in de parlementaire enquêtecommissie Bouwnijverheid (2002-2003). Van 2003 tot 2005 was hij voorzitter van de Tijdelijke Commissie Infrastructuur (TCI) die onderzoek deed naar de budgetoverschrijdingen bij grote projecten als de Betuwelijn en de HSL. Het rapport daarover was buitengewoon kritisch over het functioneren van de Kamer. De aanbevelingen werden overgenomen en in de werkwijze van de Kamer geïmplementeerd. Verder verdiepte Duivesteijn zich in de ruimtelijke aspecten van Schiphol. Hij keerde zich tegen de in zijn ogen veel te beperkte afwegingskader voor de groei van de luchthaven en wees op de belemmeringen daarvan voor de ontwikkeling van de regio. Hij kapittelde de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot de rol van de overheid in de Chipshol affaire en verzette zich om principiële en financiële (noot: materiaal hiervoor werd aangedragen in zijn initiatiefnota De verkoop van een luchthaven, de privatisering van een werkstad) redenen, tegen de voorgenomen privatisering van de luchthaven. En met succes. Uiteindelijk werd door het Kabinet Balkenende I de privatisering afgeblazen. In april vertrekt Duivesteijn uit de Tweede Kamer om wethouder te worden in de groeistad Almere.

Van 1998 tot 2006 was Duivesteijn lid van de Raad van Europa en de WEU.

Wethouder in Almere[bewerken | brontekst bewerken]

Door de fractievoorzitter van de PvdA Rob Beuse was Duivesteijn benaderd om wethouder te worden in Almere. Beuse was buiten de gemeente op zoek naar een ervaren bestuurder die in staat zou zijn met verve de opdracht uit te voeren die Almere van het Rijk had gekregen om tot 2040 60.000 woningen te bouwen, de z.g. schaalsprong. In april 2006 is Duivesteijn wethouder geworden verantwoordelijk voor Ruimtelijke Ordening en Wonen. Na zijn aantreden nam hij de tijd om de fysieke structuur van Almere in relatie tot de opdracht om de stad te verdubbelen, te doorgronden. Hij kwam tot een koerswijziging en koos tegen de trend in niet voor verdichting, maar voor het respecteren van de meervoudige kernenstructuur, het oorspronkelijke ontwerpuitgangspunt van Teun Koolhaas en Dick Frieling. De planontwikkeling in de wijken Noorder Plassen en Homeruskwartier brak hij af om ruimte te maken voor zelfbouw, het z.g particuliere opdrachtgeverschap (P.O.). Met de regeling ikbouwbetaalbaarinAlmere maakte hij het zelf bouwen van een huis ook haalbaar voor mensen die daarvoor minder te besteden hadden. Het door Duivesteijn geëntameerde vakdebat mensen maken de stad was de opmaat van de structuurvisie Almere 2.0 die, in combinatie met de Almere Principles richting zou gaan geven aan de ontwikkeling van Almere naar een ecologische, sociaal economisch duurzame stad van 350.000 inwoners. Kenmerkend voor dat plan was stedelijkheid aan de Amsterdamse kant van Almere en een landgoed achtige structuur aan de Gooise kant. Op 28 juli 2009 werd de concept structuurvisie door Duivesteijn aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu Jacqueline Cramer en de minister van Verkeer en Waterstaat Camiel Eurlings tezamen met de Ontwerpcasus Almere IJland aangeboden. Niet het aanbod van projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties maar de vraag van mensen die een (nieuw) huis zochten zou gaan bepalen wat er zou worden gebouwd. Burgers krijgen zelf meer mogelijkheden om vorm te geven aan hun huisvesting. In de meest geradicaliseerde vorm wordt dat mogelijk gemaakt in de nieuwe woonwijk Oosterwold. Deze wijk werd op initiatief van Duivestijn door Winy Maas (MVRDV) ontwikkeld in samenwerking met buurgemeente Zeewolde voor die gemeente én Almere. Daar gekochte bouwgrond diende samen met buren bouwrijp gemaakt te worden. Met minimale bouwvoorschriften kon er vorm worden gegeven aan de eigen woning. Enige vorm van stadslandbouw op het gekochte kavel werd verplicht gesteld. Eind 2020 was de grond in het Almeerse deel van het plangebied Oosterwold 'uitverkocht'.

Aan de uitvoering van de schaalsprong had Duivesteijn voorwaarden verbonden, in het bijzonder met betrekking tot de ontsluiting van de stad. Met de provincie Flevoland onderhandelde hij met diverse ministers van drie Kabinetten hierover. In januari 2010 werd het Integraal Afspraken Kader ondertekend. De zo gewenste metrolijn over het IJ naar het Amsterdamse IJburg haalde Almere (nog) niet binnen. Wat Almere in september 2012 wel binnen haalde was de 10 jaarlijkse tuinbouwtentoonstelling Floriade 2022. Duivesteijn nam het idee van een Floriade in Almere van een inwoner over, omdat de Floriade naadloos aansloot bij de duurzaamheidsfilosofie van de stad en haar de zo noodzakelijke boost kon geven. Het thema dat hij met de wethouder economisch zaken Ben Scholten uitwerkte werd Growing Green Cities. Winy Maas maakte het z.g. bidbook. In september 2012 werd de Floriade aan Almere toegewezen en kon met de aanleg worden begonnen. Een aan de A6 en het centraal gelegen Weerwater gelegen gebied lag er in feite voor klaar.

Duivesteijn was als wethouder een relatieve buitenstaander gebleven en had zijn huis in Den Haag aangehouden. Met de trein of dienstauto reisde hij tussen Den Haag en Almere. 31 januari 2008 schortte Duivesteijn zijn werkzaamheden omdat een groep anonieme ambtenaren hem via een brief aan de gemeentesecretaris ervan had beschuldigd gemeenschapsgeld te gebruiken voor privéreizen in dienstauto's en taxi's. Nadat uit een intern onderzoek was gebleken, dat Duivesteijn geen gemeentelijke regels had overtreden en de gemeenteraad twee dagen later het vertrouwen in Duivesteijn uitsprak, ging hij weer aan het werk. Het onderwerp bleef ieder jaar bij de begrotingsbehandeling de nodig commotie oproepen, zeker vanaf 2010 toen ook de PVV in de raad was vertegenwoordigd. Die partij had niets op met de visionaire plannen van Duivesteijn. Dat hij op 17 oktober 2008 uit handen van de Rotterdamse burgemeester Ivo Opstelten de Rotterdam-Maaskantprijs voor zijn bijdrage aan het ontwikkelen van ideeën over architectuur en stedenbouw had ontvangen, boeide die partij niet.

Omdat Duivesteijn al sinds september 2006 ziek was (een toen ongeneeslijke vorm van prostaatkanker) en de hectiek van het wethouderschap hem steeds zwaarder viel, nam hij op 21 maart 2013, voor het einde van zijn ambtstermijn, officieel afscheid. Hij wilde zich nog enige jaren in de Eerste Kamer, waarvan sinds 1 februari 2013 lid was, inzetten voor het publieke belang.

Eerste Kamerlid[bewerken | brontekst bewerken]

Op 5 februari 2013 volgde Duivesteijn Han Noten op als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Zijn in juni gehouden maidenspeech benutte hij om, hoewel niet geagendeerd, het kort daarvoor gesloten woonakkoord te bekritiseren. Hij miste daarin een lange termijnvisie op de volkshuisvesting. Op 17 december 2013 krijgt Duivesteijn opnieuw de kans het volkshuisvestingsbeleid onder vuur te nemen bij het debat met minister Stef Blok over de verhuurdersheffing, een onderdeel van het woonakkoord van het kabinet-Rutte II. Een voor-stem van Duivesteijn was voor een meerderheid in de Senaat noodzakelijk. Hij was dat niet van plan, omdat de verhuurdersheffing de bouw van sociale huurwoningen te veel zou belemmeren en het met de verhuurdersheffing sociaal kapitaal voor de volkshuisvesting verloren ging. Na top beraad tussen minister Blok, PvdA partijleider Asscher en Duivesteijn en de toezeggingen van de minister dat de wet na evaluatie na twee jaar zou kunnen worden bijgesteld en de woningcoöperatie als eigendomsvorm in de woningwet zou worden verankerd, stemde Duivesteijn uiteindelijk voor de wet.

Een jaar later deed op 16 december 2014 zich een vergelijkbare situatie voor. Aan de orde was het voorstel van minister van Volksgezondheid Edith Schippers om de vrije artsenkeuze (artikel 13) uit de Zorgverzekeringswet te schrappen. Daardoor zou de verplichting om door niet-gecontracteerde aanbieders verleende zorg (gedeeltelijk) te vergoeden komen te vervallen. Met collega PvdA-senatoren Marijke Linthorst en Guusje ter Horst stemde Duivesteijn op principiële gronden tegen. Hij had ook zelf ervaren hoe belangrijk die vrije artsenkeuze kan zijn. Er dreigde een kabinetscrisis in het kabinet-Rutte II. Die werd in de dagen erna ongedaan gemaakt. In de latere voorstellen van de minister verdween de aantasting van de vrije artsenkeuze.

De "Nacht van Duivesteijn".[bewerken | brontekst bewerken]

De stem van senator Adri Duivesteijn van de PvdA in de Eerste Kamer tijdens wat is gaan heten de "Nacht van Duivesteijn" (eigenlijk avond) op 17 december 2013 was cruciaal voor een meerderheid in de Eerste kamer en daarmee het doorgaan van het woonakkoord van de toenmalige VVD-minister voor Wonen Stef Blok. Die bleef vasthouden aan het woonakkoord dat hij met oppositiepartijen D66, ChristenUnie en SGP had gesloten. Duivesteijn zag in dat akkoord alleen maar grote nadelen voor de woningmarkt. Hij is uiteindelijk toch akkoord gegaan omdat het land anders in ‘chaos’ zou zijn vervallen, zei Duivesteijn zelf na afloop. Er waren enige waarborgen toegezegd, zoals een evaluatie van de verhuurdersheffing van jaarlijks 1,7 miljard euro voor corporaties in 2016. Als zou blijken dat de heffing negatief uit zou pakken voor de woningmarkt, zou het kabinet de heffing verlagen.[1][2][3]

Zijn ziekte maakte hem, naar eigen zeggen, "sensitiever" voor deze door weinigen begrepen ‘draai’ op het allerlaatste en cruciale moment van een zelfverklaard lid van de protestgeneratie[1], onder hoge druk van zijn partijgenoten van de PvdA, die toen een coalitie vormde met de VVD.

Controversiële stijl[bewerken | brontekst bewerken]

Als lid van fracties in de raad en in de Kamer hechtte hij aan zijn autonomie en volgde niet steeds de lijn van de partij. Koot en Bie hadden het in hun tv programma Deksel van de Desk al gezegd: 'als een Schilderswijker in je kuiten bijt, laat hij nooit meer los'. Als lid van fracties in de raad en in de Kamer hechtte hij aan zijn autonomie en volgde niet steeds de lijn van de partij. Duivesteijn beschikte daarnaast over de politieke vaardigheid om zijn opvattingen en plannen op de agenda en in beleid en projecten vertaald te krijgen. Door de scherpte van zijn kritiek en volgens oud collega's gebrek aan empathisch vermogen maakte hij ook veel politieke vijanden. Duivesteijn wist in Den Haag de stadsvernieuwing op gang te brengen, maar met zijn compromisloze stijl dreef hij politici en ambtenaren ook tot wanhoop. Hij trok zich soms niet veel aan van regels.[4] Een voorbeeld daarvan is de woontoren Witte Anna. In 1987 beloofde Duivesteijn -op eigen houtje en zonder enig vooroverleg met de gemeenteraad- 1,2 miljoen gulden uit het stadsvernieuwingsfonds aan de aannemer om op de top van de flat een restaurant te bouwen. Toen dit uitkwam, ontstond een politieke rel (maar de gemeenteraad ging toch -zij het knarsetandend- akkoord, omdat het kwaad reeds was geschied).[5][6][7][8][9] En, zoals eerder genoemd, in 1989 moest Duivesteijn opstappen in Den Haag na een hooglopende ruzie met collega-PvdA-wethouder over het nieuw te bouwen stadhuis. In de Tweede en Eerste Kamer hadden zijn fractiegenoten en coalitiepartijen vaak moeite met zijn van de regeringslijn afwijkende opvattingen.