Adri Duivesteijn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Adri Duivesteijn
Adri Duivesteijn.jpg
Algemene informatie
Volledige naam Adrianus Theodorus Duivesteijn
Geboren 27 augustus 1950
Functie Lid Eerste Kamer
Partij PvdA
Politieke functies
1975-1989 Lid gemeenteraad Den Haag
1980-1989 Wethouder in Den Haag
1994-2006 Lid Tweede Kamer
2006-2013 Wethouder in Almere
2013-2015 Lid Eerste Kamer
Biografie op Parlement.com
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

Adrianus Theodorus (Adri) Duivesteijn (Den Haag, 27 augustus 1950) is een Nederlands politicus. Hij was namens de Partij van de Arbeid lid van de Eerste Kamer, Tweede Kamer en wethouder in Den Haag en Almere.

Wethouder in Den Haag[bewerken | brontekst bewerken]

Duivesteijn volgde een opleiding aan de Katholieke Sociale Academie in Den Haag en studeerde twee jaar andragologie aan de Universiteit van Amsterdam. Daarna voltooide hij de VO-opleiding IVABO, een instituut voor Voortgezet Agogisch Beroepsonderwijs. Hij werkte vijf jaar als docent bij de SOSA (Stichting Haarlem) te Rotterdam. Vanaf 1975 was hij lid van de gemeenteraad van Den Haag. In 1980 werd hij in die stad wethouder voor ruimtelijke ordening en stadsvernieuwing. Hij was onder andere verantwoordelijk voor de stadsvernieuwing in de Haagse Schilderswijk en was initiator van de bouw van het Haagse stadhuis van de Amerikaanse architect Richard Meier.

Uit onvrede met de sociale en architectonische kwaliteit van de stadsvernieuwing nam hij het initiatief voor de campagne 'Stadsvernieuwing als kulturele aktiviteit', waarmee hij zowel een architectonische als sociale vernieuwing van stadsvernieuwingswijken wilde bereiken. Met deze campagne nam Duivesteijn afstand van het 'productiedenken' dat de stadsvernieuwing in Nederland was gaan beheersen. Op 17 maart 1987 ontving Duivesteijn voor zijn initiatieven in de Haagse stadsvernieuwing de Dr. H.P. Berlageprijs.

In januari 1989 ontsnapte Duivesteijn aan een aanslag, gepleegd via een op zijn kantoor afgegeven tafellamp, waarin in de voet een explosief was verborgen. De bom, die door een mechanisch mankement niet afging, kon echter onschadelijk worden gemaakt. De dader bleek de Scheveningse crimineel Eef Hoos, die hiervoor tot een vrijheidsstraf werd veroordeeld.

Later dat jaar trad hij, op verzoek van de Haagse afdeling van de PvdA, af na een conflict met mede-wethouder Gerard van Otterloo over de inschatting van de risico's van de voorgestelde financiering van het nieuwe stadhuis. Ook Van Otterloo trad af. Naar aanleiding hiervan schreef Duivesteijn in 1994 samen met Fred Feddes het boek "Het Haagse stadhuis, bouwen in een slangenkuil".

Tweede Kamerlid[bewerken | brontekst bewerken]

Duivesteijn werd in 1989 de eerste directeur van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam. Bij de Tweede Kamerverkiezingen 1994 werd hij gekozen in het parlement. Hij hield zich in de Kamer bezig met volkshuisvesting en ruimtelijke ordening. Duivesteijn diende verschillende initiatiefvoorstellen in op het gebied van huren en wonen. Hij zat namens de PvdA in de parlementaire enquêtecommissie Bouwnijverheid (2002-2003). Van 2003 tot 2005 was hij voorzitter van de Tijdelijke Commissie Infrastructuur (TCI) die onderzoek deed naar de budgetoverschrijdingen bij grote projecten als de Betuwelijn en de HSL. Zijn rapport daarover was buitengewoon kritisch. Van 1998 tot 2006 was hij lid van de Raad van Europa en de WEU.

Wethouder in Almere[bewerken | brontekst bewerken]

In april 2006 werd Duivesteijn gevraagd om wethouder te worden in Almere, en verliet hij de Kamer. Als wethouder was hij verantwoordelijk voor Ruimtelijke Ordening en Wonen. Hij deed zijn werk in Almere naar eigen zeggen als buitenstaander, wat onder meer inhield dat hij in Den Haag bleef wonen. Op 31 januari 2008 schortte Duivesteijn zijn werkzaamheden op nadat een groep anonieme ambtenaren hem via een brief aan de gemeentesecretaris ervan had beschuldigd gemeenschapsgeld te gebruiken voor privéreizen in dienstauto's en taxi's. Nadat de gemeenteraad twee dagen later het vertrouwen in Duivesteijn uitsprak, ging hij weer aan het werk.

Op 9 april 2008 presenteerde Duivesteijn samen met minister Jacqueline Cramer een plan voor een duurzame groei van Almere, de zogeheten Almere Principles. Op 17 oktober 2008 ontving hij uit handen van de Rotterdamse burgemeester Ivo Opstelten de Rotterdam-Maaskantprijs voor zijn bijdrage aan het ontwikkelen van ideeën over architectuur. Als verantwoordelijk wethouder bood Duivesteijn op 28 juli 2009 aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu Jacqueline Cramer en de minister van Verkeer en Waterstaat Camiel Eurlings de concept-Structuurvisie Almere 2.0 en de Ontwerpcasus Almere IJland aan. Beide plannen waren een uitwerking van het voornemen van het toenmalige kabinet om Almere in 2030 te laten groeien met 60.000 woningen en 100.000 arbeidsplaatsen.

Eerste Kamerlid[bewerken | brontekst bewerken]

Op 1 februari 2013 volgde hij Han Noten op als lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Kort daarna, op 21 maart 2013, stopte hij als wethouder in Almere. In een schrijven aan de Almeerse gemeenteraad en burgemeester liet hij in oktober weten dat de reden daarvoor niet alleen het senatorschap was, maar ook een ernstige ziekte waarvoor hij sinds september 2006 wordt behandeld.[1][2]

In de avond van 17 december 2013 werd er een debat gevoerd over de verhuurdersheffing van minister Stef Blok rondom het woonakkoord van het kabinet-Rutte II waarin Duivesteijn een sleutelrol vervulde voor een meerderheid in de Senaat. Uiteindelijk stemde Duivesteijn in met het akkoord.[3]

Op 16 december 2014 stemde hij samen met collega PvdA-senatoren Marijke Linthorst en Guusje ter Horst tegen een voorstel van minister van Volksgezondheid Edith Schippers om de vrije artsenkeuze (artikel 13) uit de Zorgverzekeringswet te schrappen, waardoor de verplichting om door niet-gecontracteerde aanbieders verleende zorg (gedeeltelijk) te vergoeden zou komen te vervallen. Er volgde een kabinetscrisis in het Kabinet-Rutte II.

De "Nacht van Duivesteijn" en zijn voortdurende gevolgen[bewerken | brontekst bewerken]

De stem van senator Adri Duivesteijn van de PvdA in de Eerste Kamer tijdens wat is gaan heten de "Nacht van Duivesteijn" (eigenlijk avond) op 17 december 2013 was cruciaal voor een meerderheid in de Eerste kamer en daarmee het doorgaan van het woonakkoord van de toenmalige VVD-minister voor Wonen Stef Blok. Die bleef vasthouden aan het woonakkoord dat hij met oppositiepartijen D66, ChristenUnie en SGP had gesloten. Duivesteijn zag in dat akkoord alleen maar grote nadelen voor de woningmarkt. Hij is uiteindelijk toch akkoord gegaan omdat het land anders in ‘chaos’ zou zijn vervallen, zei Duivesteijn zelf na afloop. Er waren enige waarborgen toegezegd, zoals een evaluatie van de verhuurdersheffing van jaarlijks 1,7 miljard euro voor corporaties in 2016. Als zou blijken dat de heffing negatief uit zou pakken voor de woningmarkt, zou het kabinet de heffing verlagen. Dit is echter nooit gebeurd. Het geld stroomt nog steeds rechtstreeks de schatkist in en wordt 1 op 1 doorberekend aan de huurders[4][5][6]

Zijn ziekte (een toen ongeneeslijke vorm van prostaatkanker) maakte hem, naar eigen zeggen, "sensitiever" voor deze door weinigen begrepen ‘draai’ op het allerlaatste en cruciale moment van een zelfverklaard lid van de protestgeneratie[4], onder hoge druk van zijn partijgenoten van de PvdA, die toen een coalitie vormde met de VVD. Het woonakkoord heeft nu zoals Duivesteijn reeds in 2013 vreesde daadwerkelijk mede de huidige woningcrisis veroorzaakt.[4] Vooral huurders zijn in extreme mate de dupe, niet-scheefwonende sociale huurders krijgen jaar op jaar huurverhogingen ver boven inflatie, in 2018 4%, 2019 4,5% en in 2020, midden in de coronacrisis 5.1%. Daadwerkelijk volgens de definitie "scheefwonende" huurders (met meer dan 43 duizend bruto per jaar, die meestal geen kant op kunnen), krijgen zelfs 6.6% huurverhoging.[7][8][5][6] Het kabinet en de minister van BZK (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) Kajsa Ollongren (D66) heeft op 30 juni 2020 de eerste met meerderheid van stemmen aangenomen motie van afkeuring van de Eerste Kamer sinds 1875 naast zich neergelegd. In die motie werd opgeroepen om de huren per 1 juli 2020 te bevriezen om enige lucht te geven aan huurders na meer dan drie maanden coronalockdown.[9][10]

Jaarlijks verdwijnen er alleen al in Amsterdam, vooral binnen de ring, duizenden sociale huurwoningen van corporaties en particuliere verhuurders bij vertrek laatste sociale huurders naar de vrije sector door een directe koppeling aan de WOZ waarde. Een WOZ waarde die zelf al niet marktconform is doordat de koopprijs wordt opgedreven door de hypotheekrenteaftrek. In de praktijk komt dat neer op een prijsopdrijvende subsidie op kopen. Eenmaal in de vrije sector wordt de prijs direct verveelvoudigd na uitgebreid te zijn gestript/verbouwd, in bewoonde staat (qua buren), om de oude Amsterdamse woningen zo energiezuinig en van alle gemakken te voorzien om zo duur mogelijk te kunnen verhuren, met een met vreselijke overlast voor buren. Bovendien worden er kelders toegevoegd, zolderkamers verbouwd tot "penthouse met dakterras en dakopgang" en er wordt optopping toegepast (verdieping 5 hoog zonder lift erbij). Een woning waarvan de huurprijs nu nog 700 euro per maand is, maar waarvoor een nieuwe huurder 1500 euro per maand moet betalen. Zo'n enorme stijging is een feit voor 85 tot 90 procent van de Amsterdamse sociale huurwoningen in privaat bezit. Deze komen namelijk door de WOZ-koppeling in de vrije sector terecht wanneer ze een nieuwe huurder krijgen.[11][12][13][14]

De laatste trend is verkamering, opdelen in nog kleinere studio's, die zo nog duurder kunnen worden verhuurd, met nog meer overlast. Amsterdam heeft nu een record aantal inwoners hetgeen de leefbaarheid niet ten goede komt. Sociale huurwoningen worden niet ergens anders bijgebouwd, ze verdwijnen gewoon en er komt nauwelijks tot niets voor in de plaats. Die "koopsubsidie"[15] en de last van de Nationale Hypotheek Garantie komen vervolgens mede ten laste van diezelfde belastingbetalende huurders. Waar in de EU gemiddelde woonlasten gemiddeld 25% zijn, is dit voor Nederlandse huurders zo'n 50 tot 60%. Kopers van woningen worden daarentegen fiscaal bevoordeeld. En zij hebben ook een tijdbom onder de overheidsfinanciën gelegd en een zeepbel, zelfs piramidespel, gecreëerd waar vrijwel alle ter zake doende internationale en nationale instanties en deskundigen Nederland keer op keer voor waarschuwen, waaronder De Nederlandsche Bank zelf, de EU, OESO en IMF. DNB wilt expliciet dat er meer wordt gehuurd en minder gekocht.[16][17][8][7] DNB pleit voor afbouw hypotheekrenteaftrek. Huren heeft voor de samenleving als geheel voordelen. Daarom is het niet verstandig dat koopwoningen financieel worden bevoordeeld. De DNB pleit voor de bouw van meer huurwoningen en een gelijke fiscale behandeling van koop en huur.[18][19][20][21]

Controversiële stijl[bewerken | brontekst bewerken]

Duivesteijn wordt in brede kring als een gedreven en deskundige politicus beschouwd. Hij beschikt over de geslepenheid om zijn plannen op de agenda te krijgen, maar hij is mede daardoor ook een politicus met vijanden. Zijn empathisch vermogen is niet bijster goed ontwikkeld, aldus oud-collega's. Duivesteijn wist in Den Haag de stadsvernieuwing op gang te brengen, maar met zijn compromisloze stijl dreef hij politici en ambtenaren ook tot wanhoop. Hij trok zich vaak niets aan van de regels.[22] Een voorbeeld daarvan is de woontoren Witte Anna. In 1987 beloofde Duivesteijn -op eigen houtje en zonder enig vooroverleg met de gemeenteraad- 1,2 miljoen gulden uit het stadsvernieuwingsfonds aan de aannemer om op de top van de flat een restaurant te bouwen. Toen dit uitkwam ontstond een enorme rel (maar de gemeenteraad ging toch -zij het knarsetandend- akkoord, omdat het kwaad reeds was geschied).[23][24][25][26][27] En, zoals hierboven reeds genoemd, in 1989 moest Duivesteijn opstappen in Den Haag na een hooglopende ruzie met collega-PvdA-wethouder over het nieuw te bouwen stadhuis.