Andreas Schelfhout

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Andreas Schelfhout
Andreas Schelfhout (1828) volgens EJ Verboeckhoven
Andreas Schelfhout (1828) volgens EJ Verboeckhoven
Persoonsgegevens
Geboren Den Haag, 16 februari 1787
Overleden aldaar, 19 april 1870
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) landschapsschilder, etser en lithograaf.
Oriënterende gegevens
Stijl(en) Romantiek
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Andreas Schelfhout (Den Haag, 16 februari 1787 – aldaar, 19 april 1870) was een Nederlands landschapsschilder, etser en lithograaf.

Biografie[bewerken]

Paleis het Loo van de hand van Schelfhout (1838)
Bevroren vaart, 1845, Collectie Rademakers
Een houtzaagmolen aan een bevroren vaart, op de voorgrond zijn mannen bezig een ingespannen slede te laden

Jeugd en opleiding[bewerken]

Schelfhout was de zoon van de rooms-katholieke Gentse lijstenmaker en vergulder, Jean-Baptiste Schelfaut, die zich in 1788 in Den Haag als zelfstandig vergulder vestigde. Zijn moeder heette Cornelia Catharina van Hove, de dochter van lijstenmaker Andreas van Hove. Ze was de tante van Bart van Hove. Zijn ouders trouwden in 1786 in Den Haag. Hij begon als medewerker van zijn vader bij het maken en vergulden van lijsten tot zijn vierentwintigste. Hij was ook gevelschilder, maar maakte in zijn vrije tijd schilderijen. Zijn ouders begrepen dat hij potentieel bezat en stuurden hem in 1808 voor verdere opleiding naar Joannes Breckenheijmer, die toneeldecorateur bij de Haagse Schouwburg was. Zijn drie jaar jongere neef Bart ten Hove was er al eerder dat jaar als 'verversgezel' in dienst getreden. Hij leerde er niet alleen de technische aspecten van het vak, zoals perspectief en verfbereiding, maar ook hoe hij landschappen of stadsscènes moest schilderen. In 1811 maakte Schelfhout zijn debuut in een tentoonstelling met drie kleine werken. Deze landschappen trokken de belangstelling van het publiek. Hij maakte studies van de grote meesters uit de 17de eeuw en begon te schilderen in de open lucht (hij was hierin een voorloper van de School van Barbizon).

Hij bleef bij zijn leermeester tot 1815 en begon dan met een eigen atelier.

Eigen atelier[bewerken]

Vanaf het moment dat hij een eigen atelier had nam hij regelmatig deel aan tentoonstellingen en had succes bij het publiek, eerst enkel in Den Haag maar vanaf 1816 was hij ook al bekend in Vlaanderen. Hij kreeg een gouden medaille op de tentoonstelling van 1819 in Antwerpen.

Hij werd als lid opgenomen in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Amsterdam bij de oprichting ervan in 1818. In 1822 werd hij er correspondent vierde klasse en hiermee was zijn faam verzekerd. Vanaf toen volgde de ene tentoonstelling na de andere. Hij nam regelmatig deel aan de 'tentoonstelling van levende meesters' in Den haag en Amsterdam.

Hij schilderde in hoofdzaak in zijn atelier, maar maakte eerst schetsen in de open lucht. Hij bewaarde deze schetsen in zijn boek Liber Veritatis (het boek der waarheid). Men kan hieruit afleiden dat hij ongeveer twintig schilderijen per jaar maakte, gekocht door zowel privé-verzamelaars als door het Koninklijk Huis. Dit boek gaat over 79 schilderijen, waarvan er 33 Nederlandse landschappen zijn, 24 wintertaferelen, 7 strandscènes en 12 zichten uit het buitenland. Hieruit leert men dat hij voor het eerst naar het buitenland reisde in 1825. Hij bezocht Frankrijk in 1833, Engeland in 1835 (met als doel de werken van Constable te bestuderen) en ook nog Duitsland.

Na deze reizen werd zijn kleurenpalet warmer en werd de keuze van zijn motieven meer gevarieerd. Hij kreeg meer een voorkeur voor weidse taferelen (zoals de duinen rond Haarlem). Hij geraakte ook geïnteresseerd in de verwezenlijkingen van de Industriële Revolutie.

Op het einde van zijn leven maakte hij nog een reeks van 80 landschaptekeningen, in hoofdzaak bewerkingen van vroegere schilderijen en aquarellen. Zij werden getekend met kalk in lichte kleuren.

Hij was lid van de Academie van Amsterdam, Brussel en Gent.

Zijn dood betekende het einde van de Romantische periode in Nederland. Hij werd begraven op het kerkhof Oud Eik en Duinen in Den Haag.

Stijl[bewerken]

Schelfhout behoort tot de romantiek en staat bekend als voorloper van de Haagse School Zijn stijl is geïnspireerd door die van Meindert Hobbema en Jacob van Ruisdael. Vooral zijn winter- en ijslandschappen met schaatsers waren al tijdens zijn leven zeer vermaard. Hij groeide uit tot een van de invloedrijkste Nederlandse landschapschilders van zijn eeuw.

Zijn eerste schilderijen waren zomertaferelen, strandscènes, landschappen bij maanlicht of dierenschilderijen. Maar toen hij zag dat zijn wintertaferelen nog meer succes hadden, legde hij er zich meer op toe. Hij was geboeid, als romantisch schilder, door het geweld in de natuur. Hij was een der eersten in de 19de eeuw die een storm op zee schilderde, zoals hij die meemaakte in Scheveningen. Dit thema zou later ook verwerkt worden door schilders uit de Haagse School.

Samenwerking met kunstenaars[bewerken]

Schelfhout schilderde zijn werken soms samen met andere kunstenaars. In de periode 1838-1850 schilderde hij tenminste zeven werken samen met de Vlaamse dierenschilder Jozef Moerenhout (1801-1874). Soms werkte hij ook samen met Hendrikus van de Sande Bakhuyzen (1795-1860), Pieter Gerardus van Os (1776-1839), Eugène Verboeckhoven (1799-1881), Jacobus Josephus Eeckhout (1793-1861) en Charles van Beveren (1809-1850).

Leerlingen[bewerken]

Schelfhout was een leermeester van Johan Jongkind, Jan Willem van Borselen, Charles Leickert, Lodewijk Johannes Kleijn, Nicolaas Johannes Roosenboom en zijn schoonzoon Wijnand Nuijen. Onterecht wordt vaak gedacht dat Johan Hendrik Weissenbruch ook een leerling was van Schelfhout. Dit is echter niet het geval. Op aanraden van zijn vriend en schilder Johannes Bosboom is hij niet in de leer gegaan bij Schelfhout. Bosboom vond dat J.H. Weissenbruch 'uit zijn eigen lens moest zien'.[1]

Gezin[bewerken]

Schelfhout was in 1807 getrouwd met Cornelia Gevers (ca. 1782-1838) met wie hij vier dochters had: Maria Cornelia Margarita, Cornelia Johanna Huberta, Cornelia Johanna en Catrina Adriana Johanna. De derde dochter trouwde in 1838 met Wijnand Nuijen, maar hij stierf het jaar er op. De laatste vijf jaar van haar leven was zijn vrouw Cornelia ziek. Hij leerde de veertien jaar jongere Martina Maria van Wielik kennen en huwde haar in 1839. Hij had al twee zoontjes bij haar, geboren in 1834 en 1835, tijdens zijn eerste huwelijk. Hij zou vier zonen bij haar krijgen: Willem Martinus, Johan Andreas, Henri en Nicolaas.

Vanaf 1842 woonde het gezin aan de Koninginnegracht 6 in Den Haag in een huis dat Schelfhout liet bouwen. Daarvoor woonden ze op de Zuidwal.

Werk in openbare collecties (selectie)[bewerken]

Literatuur[bewerken]