Apocrief

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De term apocrief is afkomstig van het Griekse woord ἀπόκρυφος (apókruphos) dat de betekenis heeft van "verborgen" . In die zin werd de term ook gehanteerd in de eerste eeuwen van de jaartelling. Het duidde het "verborgen", geheime of esoterische karakter van een tekst aan of van de leer en opvattingen die daarin beschreven werden.

Nieuwe Testament[bewerken]

De auteurs van die teksten waren van opvatting dat de inhoud ervan "verborgen" en onbekend moest blijven voor buitenstaanders en alleen toegankelijk voor ingewijden. De term apocrief gaf dan ook een spirituele meerwaarde van een tekst aan. Een aantal evangeliën en andere teksten die niet in het Nieuwe Testament zijn opgenomen pretenderen ook heel expliciet dat zij een apocriefe, verborgen boodschap van Jezus bevatten. Dat zijn onder meer gnostische teksten als het Evangelie van Thomas , Apocryphon van Johannes, Apocryphon van Jacobus, Evangelie van Judas en het Boek van Thomas de Strijder . De tekst van het laatste geschrift begint met de mededeling De geheime woorden, die de Verlosser tot Judas Thomas gesproken heeft en die, ik, Mathaias, heb opgeschreven toen ik onder het wandelen hoorde hoe zij met elkaar praatten.

Ook in een aantal minder bekende teksten, zoals de Boeken van Jeu benadrukt Jezus aan zijn leerlingen alleen over het ontvangen onderricht te spreken met mensen die dit waardig zijn. In een aantal van deze teksten gaat de auteur ervan uit, dat het onderricht van Jezus zowel een publiek karakter had dat bestemd was voor iedere gelovige maar dat er ook sprake was van een apocrief onderricht dat Jezus na het verlaten van zijn lichaam alleen bestemd had voor een beperkte groep van uitverkorenen. Dat apocriefe onderricht zou de groep van uitverkorenen dan tot volledig inzicht en waarheid hebben gebracht. In eveneens het Boek van Thomas de Strijder zegt Jezus over de personen die niet tot het volledig inzicht kunnen komen: Waarlijk, beschouw deze lieden niet als mensen; reken ze liever tot de dieren. Want precies zoals dieren elkaar opeten, zo ook eten zulke menselijke wezens elkaar op .

Overigens missen de meeste geschriften die nu tot de apocriefen van het Nieuwe Testament worden gerekend en dus niet daarin zijn opgenomen de notie van die oorspronkelijke betekenis van "verborgen". Voorbeelden hiervan zijn het Evangelie van Petrus, de Joods-christelijke evangeliën, de kindheidsevangeliën, een aantal Handelingen van apostelen, openbaringen en brieven.

Pas vanaf de vierde eeuw gaat het begrip apocrief min of meer synoniem worden met niet gezaghebbend, onecht, niet betrouwbaar. In 367 benoemde Athanasius in zijn paasbrief de zevenentwintig boeken van het Nieuwe Testament. Hij benoemde wel een aantal andere werken als op zich stichtelijke literatuur zoals de Herder van Hermas. De overige die hij benoemde als apocriefe boeken waren volgens hem het werk van ketters en bedriegers. Eusebius schreef in zijn Kerkgeschiedenis (Historia Ecclesiastica) dat het Evangelie van Thomas duidelijk afwijkt van de ware leer. Hij rekende het zelfs niet tot de categorie van apocriefen zoals het door hem benoemde Handelingen van Paulus en Brief van Barnabas, maar als een werk dat als onzinnig en goddeloos moest worden verworpen.

Begin eenentwintigste eeuw was er veel publiciteit over een aantal apocriefen en met name sommige gnostische evangeliën als gevolg van onder meer het verschijnen van boeken als de Da Vinci Code in 2003 alsmede een eerste uitgave van het Evangelie naar Judas in 2006. Als gevolg daarvan verscheen in populaire lectuur het beeld, dat in een aantal van deze teksten de ware Jezus meer aan het woord zou zijn dan in de canonieke evangeliën, die bovendien in kerkelijke zin zouden zijn bewerkt.

Op het vakgebied geldt dat beeld als even onjuist en onhistorisch als de aanname dat de uitspraken van Jezus in de Bijbelse evangeliën wel alle echt zouden zijn. Het vroegste christendom kenmerkte zich door een grote mate van veelvormigheid en was veel meer heterodox dan orthodox. Alle evangeliën zijn een product van zeer pluriforme opvattingen van de verschillende vroegste christelijke gemeenschappen.

Van alle bekende apocriefe teksten van het Nieuwe Testament is de nu bekende eindredactie ook van een latere datum dan de wel in het Nieuwe Testament opgenomen boeken. Dat neemt niet weg dat het mogelijk is, dat enkele niet-canonieke teksten berusten op even oude bronnen als teksten in het Nieuwe Testament. Voorbeelden hiervan zijn het Evangelie van Thomas, en het Boek van Thomas de Strijder .

Oude Testament[bewerken]

Een aantal boeken zijn ontstaan in de periode tussen de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament in. Het zijn boeken die deel uitmaken van de Septuagint, de tussen ca. 225 en 100 v.Chr. gemaakte Griekse vertaling van het Oude Testament. Deze deuterocanonieke boeken worden door de katholieke kerk en de meeste oosterse kerken gezaghebbend geacht en maken in hun visie deel uit van het Oude Testament. Drie boeken in de Septuagint worden ook binnen het katholicisme en de oosterse kerken apocrief geacht. Dat zijn het gebed van Manasse en Ezra 1 en 2. In het protestantisme gelden alle deuterocanonieke boeken als apocrief. Enkele noties die daaraan ten grondslag liggen zijn.

  • In het Nieuwe Testament wordt vrijwel ieder boek van het Oude Testament wel geciteerd als het woord van God. Het NT benoemt echter nergens een van die werken als zodanig. Jezus en de apostelen citeerden vaak uit de Septuagint, maar nooit uit een van de deuterocanonieke boeken.
  • Er zijn doctrines in de werken te vinden die contrair zouden zijn aan wat de Schrift leert. Een daarvan is de notie dat een mens gered kan worden door zijn/haar goede werken. Dat is contrair aan de protestantse visie dat alleen het geloof dat mogelijk maakt.

Na de Reformatie verdwenen de deuterocanonieke boeken uit de meeste protestantse bijbels. In de enkele gevallen dat zij als een aparte sectie toch waren toegevoegd ging dat gepaard met een waarschuwing dat de werken stichtelijke levenslessen konden bevatten maar ook onjuiste opvattingen.

Er zijn daarnaast veel openbaringen en pseudepigrafische literatuur die in sommige publicaties ook als apocriefen van het Oude Testament worden beschouwd.