Barok (stijlperiode)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Barokperiode)
Ga naar: navigatie, zoeken
De Heilige Drievuldigheid door Hendrick van Balen
Lodewijk XIV als Apollo door Charles Le Brun
Kathedraal van Salta (Argentinië)

De barok is een Europese stijlperiode die aan het begin van de 17e eeuw in Italië tot ontwikkeling kwam en tot in de eerste helft van de 18e eeuw voortduurde, en die zich kenmerkt door overdaad van vorm en heftigheid van gevoelsuitdrukking. De barok kwam tot uiting op alle terreinen van de cultuur, zoals architectuur, tuinarchitectuur, schilderkunst, beeldhouwkunst, literatuur en muziek. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen vroeg-, hoog- en laatbarok. De laatbarok wordt ook wel rococo genoemd.

Etymologie[bewerken]

Het woord barok komt van het Portugese barroco, wat 'onregelmatig gevormde parel' betekent. Er wordt ook verondersteld dat het uiteindelijk terug te voeren is op het Italiaanse barocco, een term waarmee middeleeuwse filosofen een obstakel in de logica beschreven.[1]

Ontstaan[bewerken]

De barok ontstond aan het eind van de 16e eeuw in Italië, met name in Rome, als onderdeel van de contrareformatie. Bij het Concilie van Trente was besloten dat kunst een middel was om Bijbelverhalen aan het volk over te brengen. In tegenstelling tot de renaissance en het maniërisme, wordt minder een ideaalbeeld gegeven. De barok is juist een stijl met meer realisme en dramatische effecten, om de kunst dichter bij de mensen te brengen.[2]

Kenmerken[bewerken]

Italië[bewerken]

De barok ontstond in Italië waar Caravaggio een nieuwe schilderstijl ontwikkelt, die zeer realistisch is. Hij gebruikt hierbij grote licht-donker effecten om een dramatisch effect te bereiken.[3] Al snel krijgt hij navolging bij schilders in heel Italië, waaronder Guido Reni en Annibale Carracci. In de beeldhouwkunst is Gian Lorenzo Bernini de belangrijkste vernieuwer, die ook begint met het maken van meer dramatische en levensechte beelden.

Spanje[bewerken]

De Spanjaarden exporteerden deze stijl naar de Nieuwe Wereld waar hij gretig onthaald werd om mensen te bekeren. Met vondsten daar kleedden de Spanjaarden hun kerken aan, een fraai voorbeeld is het Escorial.

Frankrijk[bewerken]

In Frankrijk raakt de barok aan het Franse hof in de mode. Lodewijk XIV maakte dankbaar gebruik van deze stijl, die hij leerde kennen dankzij kardinaal Mazarin, om zijn absolutistische ideeën kracht bij te zetten. Hij liet het Kasteel van Versailles bouwen. Met barokke kunst en architectuur werd beoogd het publiek te imponeren; de toeschouwer moest zich nietig voelen bij het betreden van het kasteel. De Franse hofstijl is classicistische barok met strenge exterieurs en weelderige interieurs. Voorbeelden zijn de oostfacade van het Louvre (claude Perrault,1665) en het paleis Versailles. De belangrijke Franse barokschilders, Nicolas Poussin (1594-1665) en Claude Lorrain (1600-1682), werkten allebei in Rome. Poussins academische schildertrant geeft zijn werk een grote mate van ernst en zakelijkheid. Lorrain daarentegen werkt schilderachtig en is vooral lyrisch van aard. Lorrain wordt gezien als de vader van het geïdealiseerde klassieke landschap.

Nederlanden[bewerken]

In de Zuidelijke Nederlanden, onder rooms-katholiek Spaans bewind, was de grootste meester de schilder Peter Paul Rubens. In Italië bestudeerde hij de meesters van de renaissance en vroege barok. Onder invloed van die italiaanse kunst ontstond zijn dynamische zinnelijke stijl met weelderige vrouwen en gespierde mannen. Anthonie van Dijck is zijn meest begaafde leerling. Als hofschilder maakte hij vooral portretten. In de Noordelijke Nederlanden was de barok vooral de kunst van de burgerij en veel minder uitbundig dan in Zuid-Europa vanwege het protestantisme. Dankzij het bloeiende handelsklimaat in het protestantse deel van de Nederlanden floreerde vooral de schilderkunst en er ontstonden talloze specialismen, zoals: het historiestuk, schutterstuk, stilleven, genrestuk, zeestuk en landschap. Van de talloze Hollandse meesters was Rembrandt van Rijn (1606-1669) het grootste talent. In Haarlem was Frans Hals (1583-1666) actief.

Bouwkunst[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Barokarchitectuur voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De bouwkunst uit de barokperiode wordt gekenmerkt door het gebruik van dieptewerking met perspectieven en door veelvuldig gebruik van ovalen. Verder:

  • rijk en weelderig materiaalgebruik;
  • tweezijdige symmetrie
  • ingewikkelde patronen;
  • veelvuldig gebruik van versieringen;
  • goddelijke onderwerpen
  • gebruik van concaaf en convex.

Schilderkunst[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Vlaamse barokschilderkunst, Antwerpse School en Hollandse School voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

De schilderkunst tijdens de barok kenmerkt zich door het gebruik van de volgende beeldaspecten:

  • extreem realisme;
  • dramatische effecten;
  • sterke licht/donker contrasten (clair-obscur);
  • veel emotie (op gezichten);
  • veel vaart en beweging en druk/krinkelende figuren;
  • berekende dieptebewerking;
  • diagonalen;
  • lichtbron niet zichtbaar

Muziek[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Barokmuziek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Er werd verder gebruikgemaakt van:

Neobarok[bewerken]

In de 19e en 20e eeuw krijgt de barok opnieuw aandacht en komt een neobarokke stijl op, een voorbeeld van historisme. Misschien wel het bekendste voorbeeld van deze neobarokke stijl is de Opéra Garnier in Parijs. In Nederland is de stijl weinig gebruikt. De architect Sybold van Ravesteyn combineerde barok onder andere met de nieuwe zakelijkheid.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]