De tranen der acacia's

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De tranen der acacia's
Auteur(s) Willem Frederik Hermans
Land Nederland
Taal Nederlands
Onderwerp het oorlogsverzet in 1944 in Amsterdam, Brussel
Genre oorlogsroman
Uitgever G.A. van Oorschot
Uitgegeven 1949
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De tranen der acacia's is de tweede roman van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans en diens eerste oorlogsroman, gepubliceerd in november 1949.[1] Het is de eerste belangrijke roman van de auteur.[2] Het verhaal speelt zich af in Amsterdam en Brussel in de periode van maart 1944 tot december 1945, dus in de maanden rond de bevrijding van de Duitse bezetting in Nederland, in de wereld van het verzet. Protagonist Arthur Muttah probeert de toedracht van de arrestatie van zijn vriend Oskar Ossegal te achterhalen en verdenkt zijn halfzus Carola van verraad, maar vanwege elkaar tegensprekende gegevens bereikt hij geen zekerheid. Ongeveer de eerste helft van het boek werd vanaf november 1946 in twaalf afleveringen voorgepubliceerd in het tijdschrift Criterium.

De roman toont een beeld van het verzet waarin, aldus literatuurhistoricus Hugo Brems, 'bedrog, toeval, wantrouwen en cynisme een grotere rol spelen dan idealisme en heldhaftigheid.'[3] In de kritiek werd het wantrouwen en cynisme van de hoofdpersoon verward met de visie van de auteur.[2]

Autobiografische achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

De vader en de stiefmoeder van het personage Arthur Muttah zijn gebaseerd op kennissen van de ouders van de auteur, een Belgisch echtpaar dat zij tijdens hun huwelijksreis in 1913 leerden kennen bij de grotten van Han.[4] Het betreft Henry Baudart, ambtenaar op het ministerie van buitenlandse zaken, en de schooldirectrice Berthe Mocke.[4]

Van 28 juli tot 6 september 1945 verbleef Hermans enige maanden bij deze vrienden van zijn ouders in Brussel, dat al bijna een jaar bevrijd was. Volgens biograaf Willem Otterspeer werd hier het voornemen geboren om van de pen te leven.[5] Het echtpaar zonder kinderen bewoonde een groot herenhuis in de wijk Ukkel in het zuiden van de stad. Hermans bezocht er musea, bioscopen en fuiven van de Canadezen, die volgens Otterspeer de basis vormden van de bordeelscène uit de roman.[6] Na ruim een maand keerde hij weer naar Amsterdam terug, omdat hij de gastvrijheid van de familie, waar hij niets tegenover kon stellen, niet verder wilde uitbuiten. In zijn bedankbrief beschreef hij zijn terugreis, die volgens Otterspeer eveneens nauwkeurig in de roman is verwerkt.[7]

Aan het einde van januari en het begin van februari 1946 verbleef Hermans opnieuw bij deze kennissen in Brussel.[8] Zij hadden hun dienstmeisje Rose ontslagen wegens onhandigheid; volgens Otterspeer stond dit hitsige meisje model voor het meisje waarover in de roman wordt gezegd dat ze 'ien 'ete kut' was.[9] Bij dit bezoek nam Hermans contact op met Lily, een meisje dat hij gedurende zijn vorige verblijf had leren kennen en die mogelijk model stond voor Gaby uit de roman.[10]

Voor de grootmoeder van Arthur Muttah stond Hermans' grootmoeder van moederskant model.[11] Volgens Hermans' biograaf Hans van Straten had zij grote invloed op haar kleinkinderen en was zij 'heerszuchtig' en 'uiterst spraakzaam', in staat om ruzies uren vol te houden.[11] Deze grootmoeder stond eveneens model voor de grootmoeder uit In de mist van het schimmenrijk.[11]

Het personage Carola, de halfzuster van Arthur Muttah, is volgens biograaf Van Straten wat haar activiteit in het verzet betreft gebaseerd op Truus, met wie Hermans in de oorlog een liefdesrelatie onderhield hoewel zij verloofd was.[12] Zij stond ook model voor de Madelon uit In de mist van het schimmenrijk.

Veel verhalen, aldus biograaf Van Straten, ontleende Hermans aan Henk Jonkman, een benedenbuurman in de Eerste Helmersstraat. Jonkman zat bij de verzetsorganisatie Zeemanspot en werd opgepakt. Hij kreeg drie maanden cel. 'Weer thuisgekomen zat hij vol verhalen, die bij Hermans een gretig gehoor vonden. Die zou hij later gebruiken in De tranen der acacia's.'[13]

Ontstaansgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

In een brief van 14 november 1946[14][15] schreef Hermans aan Charles B. Timmer dat hij elke dag 'twee smalle foliopagina's compres' typte. Om het als feuilleton in het tijdschrift Criterium te kunnen krijgen, had hij de redacteuren Adriaan Morriën en Adriaan van der Veen 'verteld dat het hele boek al geschreven was', terwijl hij in werkelijkheid naar schatting nog maar ongeveer een vijfde van de roman af had, namelijk 30 van de 150 foliopagina's.[16] Hermans omschreef zijn roman-in-wording als:

weer een rare perverse geschiedenis. Het is wel verwant aan Conserve, maar doordat het in de bezetting in Nederland speelt (met vermijding van alle pittoreske détails over bonnen) lijkt het realistischer. Er wordt veel in gescholden, vooral veel in gedronken en geneukt en een enkele keer gemoord, terwijl het occulte niet te kort wordt gedaan.[17][18]

De auteur maakte een 'ruwe opzet', waarvan nog een velletje bewaard is gebleven dat betrekking heeft op een in 1947 voorgepubliceerd gedeelte. Aanvullingen, correcties en doorhalingen wijzen uit dat dit schema in de loop van het schrijfproces werd gewijzigd.[19]

In een brief van 8 december 1947[20] schreef Hermans aan Morriën dat hij te druk aan de roman bezig was voor een bezoek:

Ik had graag vanavond naar je toe gekomen en in plaats van geschreven gepraat, maar ik zit zó vol Acacia's dat 't werkelijk niet kan. Misschien sterft Arthur aan een bloedneus, in een bordeel, net als Attila in het huwelijksbed. 't Is alleen een beetje moeilijk die verandering nog aan te brengen, omdat er daarnà nog van alles en nog wat gebeurt. Maar 't zou wel typerend voor hem wezen, vind je niet?[21]

Inhoud[bewerken | brontekst bewerken]

Het is een oorlogsroman die in het Amsterdamse verzet speelt. Er is ook een Brusselse episode.

Schrijfstijl[bewerken | brontekst bewerken]

De roman wordt verteld in de derde persoon door een vertelinstantie die niet alleen de gebeurtenissen beschrijft en - soms vooruitwijzende - toelichtingen geeft, maar ook iets van een persoonlijkheid verkrijgt door een oordeel uit te spreken of ironie te gebruiken, zoals het gebruik van de term 'dialogue intérieur' wanneer Oskar een denkbeeldig gesprek met Arthur voert.[22] Deze karakteristiek laat onverlet dat vaak het gezichtspunt van slechts één personage aangehouden wordt, meestal Oskar, Arthur of Carola.[23]

Structuur[bewerken | brontekst bewerken]

Net als Hermans' eerste roman, Conserve, vertoont De tranen der acacia's wat de auteur zelf omschreef als 'een gevorkte structuur': twee personen worden afwisselend gevolgd, waarna de verhaallijnen samen komen.[24] Volgens biograaf Hans van Straten ontleende Hermans deze constructie aan de roman Het verboden rijk van J. Slauerhoff.[24]

Thematiek[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens literatuurhistoricus Brems 'is het eigenlijke thema van de roman de onkenbaarheid van de werkelijkheid, de idee dat er geen enkelvoudige waarheid bestaat omtrent mensen en gebeurtenissen.'[25]

Hermanskenner Frans A. Janssen ziet het thema van de roman 'volledig' aanwezig in een passage die de gedachten van Arthur weergeeft:

Hoe zou een Amerikaan kunnen uitvinden of Oskar een held of een lafaard is geweest? Ik weet het niet eens, en ik heb er toch vlak bij gezeten. (...) Een soldaat is dapper als hij de bevelen :uitvoert die hij van zijn meerderen krijgt. Maar wie kan nagaan of iemand de bevelen die hij zichzelf heeft gegeven, letterlijk uitvoert? Wie trouwens weet precies, welke bevelen hij zichzelf :geeft? Wie wist precies welke bevelen hij zichzelf moest geven?[26]

Onder aanhaling van deze passage van Hermans, en van Janssen, formuleert literatuurhistoricus Ton Anbeek het thema iets anders: 'twijfel aan de identiteit van anderen leidt tot twijfel aan de eigen identiteit' en volgens hem is 'de onkenbaarheid van de mens' het thema.[27] Anbeek wijst ook op de evolutie die de interpretatie van de roman heeft ondergaan: waar de kritiek uit 1949 de demoraliserende werking van de oorlog als het thema zag, komt de latere beschouwing tot het inzicht dat de oorlog slechts het decor is waartegen zich een universele problematiek aftekent, door Anbeek geformuleerd als: 'de vraag in hoeverre wij anderen en ook onszelf ooit werkelijk kunnen leren kennen.'[28]

Publicatiegeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Voorpublicatie[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf november 1946 tot en met december 1947 verschenen de eerste twaalf hoofdstukken, ruwweg de eerste helft van de toen nog onvoltooide roman. Dit betrof het in Amsterdam gesitueerde deel, in twaalf afleveringen als feuilleton in het door John Meulenhoff uitgegeven culturele maandblad Criterium, waarvan Hermans in oktober van dat jaar redacteur geworden was.[14] Naar de berekening van Hermans' eerste biograaf Hans van Straten werd niet de helft, maar tweederde van het boek voorgepubliceerd.[29] Dat verliep niet zonder discussie, want de roman was nog onvoltooid en het tijdschrift beschikte in de ogen van de redactie over te weinig bladzijden om voldoende aandacht aan de cultuur te kunnen besteden. Anderzijds zat Hermans zelf in de redactie en was hij een literair talent.[30]

Het onvolledig publiceren van een roman was destijds niet ongewoon. Volgens Van Straten is de roman 'De andere school van S. Vestdijk zelfs de enige roman uit deze tijd die in haar geheel als feuilleton werd voorgepubliceerd, namelijk in Podium. Van dezelfde auteur verscheen Pastorale 1943 in het blad Centaur, maar werd het tijdschrift stopgezet voor afronding van deze voorpublicatie.[29]

De twaalf afleveringen van de voorpublicatie verschenen als volgt.

Nummer Datum
van publicatie
Tijdschriftnummer Bladzijden DJ-nummer[noot 1]
1 november 1946 Criterium, jaargang 4, nummer 14 p. 765-774 DJ 72
2 december 1946 Criterium, jaargang 4, nummer 15 p. 816-824 DJ 79
3 januari 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 1 p. 53-65 DJ 85
4 februari 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 2 p. 125-135 DJ 91
5 maart 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 3 p. 191-201 DJ 98
6 april 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 4 p. 240-249 DJ 100
7 mei 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 5 p. 307-321 DJ 101
8 juni 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 6 p. 381-395 DJ 104
9 juli 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 7 p. 449-458 DJ 109
10 oktober 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 10 p. 595-608 DJ 115
11 november 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 11 p. 659-673 DJ 117
12 december 1947 Criterium, jaargang 5, nummer 12 p. 729-750 DJ 121

De voorpublicatie was een belangrijk onderdeel van Criteium. In 1947, de vijfde jaargang van het maandblad, besloeg het feuilleton 136 van de in totaal 768 bladzijden die de jaargang telde.[31] Dat komt overeen met achttien procent.[31]

Weglating seksuele passage[bewerken | brontekst bewerken]

Hermans leverde het eerste deel in met een weglating in een zin waarin het personage Oskar Ossegal op zijn hotelkamer te Kampen bezoek krijgt van het dienstmeisje: 'Er scheen haar maar aan één ding iets gelegen te zijn: eindelijk weer eens flink gefoold te worden.'[32] Het woord 'gefoold' heeft niet de seksuele betekenis die Hermans erin zag; alleen in de poëzie van Slauerhoff komt het in die zin voor, waarschijnlijk onder invloed van het Spaanse werkwoord 'follar'.[33] In de jaren zeventig verving hij het door 'genaaid'.[33] Maar hij leverde de tekst in met het woord eruit geschrapt en een voetnoot met de mededeling dat het woord 'op verzoek van de uitgever' geschrapt was.[32] Het was een stijlfiguur in de trant van 'mededeling van de zetter' uit oude romans, de werkelijke uitgever John Meulenhoff had er niets mee te maken.[33]

Meulenhoff had bezwaar tegen de voetnoot, omdat die suggereerde dat hij censuur uitoefende. Ook had hij bezwaar tegen de zin: 'Met haar vingers gaf zij zijn slappe lid gedurig kleine tikjes.'[32] Na overleg wilde Hermans die zin wel schrappen, maar dan met behoud van de voetnoot, omdat deze schrapping wel een verzoek van de uitgever was.[34] Meulenhoff overlegde met de andere redactieleden, waarop Adriaan van der Veen Hermans op 21 december schreef dat die ervoor voelde het verzoek te honoreren, zonder dat dit in een voetnoot vermeld zou worden, die immers de indruk zou wekken dat de redactie zich niet onafhankelijk opstelde.[35] Om de verschijning van het novembernummer van Criterium niet nog verder te vertragen, werd het eerste fragment afgebroken op de bladzijde voor de controversiële passage, zodat de beslissing werd uitgesteld.[36]

Op 28 december werd de kwestie tijdens de redactievergadering opgelost.[37] Twee hele zinnen werden geschrapt, ook de zin met 'gefoold' verdween geheel.[37] De open plekken bleven zichtbaar, zodat de lezers konden zien dat er geschrapt was. De verklaring in de voetnoot repte niet meer van invloed van de uitgever en luidde: 'Met het oog op publicatie in dit tijdschrift wordt deze vervolgroman enigszins bekort. W.F.H.'[38]

Boek[bewerken | brontekst bewerken]

In december 1947 wees uitgever Van Oorschot de roman af.[39] Adriaan Morriën bracht het boek onder de aandacht van De Bezige Bij, voor welke uitgeverij hij manuscripten beoordeelde. In zijn leesrapport stond:

De belangrijkste kant van het boek vind ik de documentaire. De beschrijving van Amsterdam in de oorlog en van Brussel na de oorlog bezit uitzonderlijke kwaliteiten en tot nu toe is het het beste wat ik van die aard onder ogen heb gehad. Vooral een zekere neerdrukkende lugubere sfeer weet Hermans uitnemend te tekenen. De gedeelten over [Arthurs] vaders huis te Brussel bewijzen dat hij fantasie heeft en mensen in een psychologisch verband weet te plaatsen, al is dat verband vaak naar de fantastische kant toegespitst. Er is vanzelfsprekend ook wel wat tegen het boek op te merken. Het is in zijn geheel onevenwichtig en de compositie laat wellicht ook te wensen over. Maar als geheel en komend van één onzer jongste schrijvers zou ik de publicatie toch ten zeerste willen aanbevelen.[40]

Ter uitgeverij werd een gesprek met Hermans gevoerd waarbij ook Morriën aanwezig was. Volgens Wim Schouten van de Bij stonden er 'honderden woorden in die tekst die je toen onmogelijk kon laten drukken', onder meer om bij de katholieke boekhandel geen slechte naam te krijgen.[40]

'We hebben in dat gesprek eenvoudig gevraagd of dat nu niet wat minder kon. Toen is hij weggegaan en heeft ons over dit boek niets meer laten horen.'[40]

Later voegde Schouten daar nog aan toe dat ook de slechte verkoop van Hermans eerste roman, Conserve, een rol speelde. Want daardoor zou de eerste oplage van De tranen der acacia's bescheiden moeten zijn, wat de verkoopprijs van het dikke boek erg hoog zou maken.[39] Volgens Morriën zou met Hermans best te praten zijn over kuising en bekorting van het boek, maar dat bleek niet het geval.[41]

De tweede helft van 1948 verbleef Hermans in Canada en toen nam Gerard Reve het ter uitgeverij voor het boek op, zoals hij Hermans schreef op 29 september:

Bij De Bezige Bij heb ik nog uitvoerig over De Tranen der Accacia's gepraat, maar ze wilden er niet aan, vast en zeker, geloof ik, wegens de hete passages. Je hebt echter groot gelijk, als je er niet in veranderen of bekorten wil.[42]

In 1949 verscheen de roman bij Van Oorschot. Reve bekritiseerde de directie van De Bezige Bij aangaande de handelwijze omtrent Hermans tijdens de ledenvergadering van 6 oktober 1950. Ten onrechte beweerde de directie daarop dat Hermans bij Van Oorschot de wijzigingen zou hebben aangebracht die hij bij De Bezige Bij weigerde door te voeren.[43] Geciteerd bij Van Straten (1999), 142De auteur heeft in verschillende drukken van de roman meer en minder ingrijpende wijzigingen aangebracht. Sterk gewijzigde drukken zijn de derde, vierde, twaalfde en de vierentwintigste druk.[44] Deze laatste, in 1993 verschenen, druk vormt de basis van de in 2005 gepubliceerde wetenschappelijk uitgave in deel 1 van de Volledige werken,[44] waarin ook Hermans' eerste roman Conserve is opgenomen.

Receptie[bewerken | brontekst bewerken]

Voorpublicatie[bewerken | brontekst bewerken]

De voorpublicatie in Criterium was aanleiding voor De Groene Amsterdammer om op 6 september 1947 een parodie te publiceren in de rubriek 'De kleine krant'. De titel was 'De snikken van de pothoofdplant' en de auteur werd W.F. Ongans genoemd.[45][noot 2] In de tekst werd ook het weglaten van woorden geparodieerd.[45]

Oordelen over de voorpublicatie zijn reeds te vinden in enkele besprekingen van Hermans' in 1947 verschenen eerste roman, Conserve. Het studentenblad Propria Cures van 17 oktober noemde 'het gehalte niet veel beter dan van de alom verslonden trein-lectuur'.[46] Op 25 oktober schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant dat de voorpublicatie 'bij de meeste lezers zeer gemengde gevoelens heeft opgewekt. Wat de titel met de inhoud van doen heeft wordt langzamerhand een Amsterdamse litteraire puzzle.'[47] Pierre H. Dubois sprak in De Spectator van 23 november van 'een soort verzets-roman': 'Het boek, zoals het hier verschijnt, maakt een troebele, onheldere indruk. Het bevat telkens goede fragmenten, maar men mist een duidelijke lijn, waaraan door de maandelijkse voortzetting nog meer afbreuk wordt gedaan.'[47]

Nog een parodie verscheen in het '1 april-nummer' 1948 van het tijdschrift Podium. Deze was getiteld 'De natte broeken der fuchsia's' en de auteur heette Frederik Hendrik Willempje, achter welke naam volgens Hermans zelf J.J. Klant schuilging.[48]

Boek[bewerken | brontekst bewerken]

De recensie van Anton van Duinkerken in De Tijd is volgens Brems exemplarisch voor de kritieken uit 1949.[25] Van Duinkerken schreef:

Het is de levensleer van de hongerwinter, die Hermans onder woorden bracht. Zij behelst dat alle mensen zonder uitzondering huichelaars zijn, alle zogenaamd edele aandriften niets dan voorwendsels der lagere instincten, alle idealen uitsluitend vluchtoorden voor de levensangst, alle liefde slechts gebrek aan intelligentie, alle religie een uiting van boerse domheid, alle leven een slopend en deswege welkom bederf van het vlees.'[49]

Simon Vestdijk las de roman in november 1949 en schreef op 22 november over zijn leeservaring aan Henriëtte van Eyk: 'Zoo juist heb ik De Tranen der Acacia's uit, en ik moet zeggen, dat ik het een bijzonder goed boek vind, ondanks enkele technische bezwaren. Het slot is zelfs zeer ontroerend.'[50] Op 10 december verscheen zijn recensie in Algemeen Handelsblad, waarin hij de kracht van de roman minder aantrof in 'de virtuoze beschrijvingskunst, de galgenhumor, de macabere dramatiek, en de ingeëtste trekken van een schijnbaar volstrekt "nihilistische" zielsstaat, dan aan het moment waarop de innerlijke weerstanden overwonnen worden en dit ijzige karakter tot smelten wordt gebracht.'[51]

Plaats in het oeuvre[bewerken | brontekst bewerken]

De tranen der acacia's is de eerste roman van Hermans waarin de Tweede Wereldoorlog het decor is. Ook in de novellen 'Paranoia' uit 1948 en Het behouden huis uit 1952 is dit het geval, evenals in de romans De donkere kamer van Damokles uit 1958, Herinneringen van een engelbewaarder uit 1971[48] en het Boekenweekgeschenk In de mist van het schimmenrijk uit 1993.

De overeenkomsten met De donkere kamer van Damokles zijn het grootst. In beide gevallen wordt een troebele wereld opgeroepen waarin identiteit niet vaststaat. Zoals Osewoudt Dorbeck nodig heeft om zijn onschuld aan te tonen, zo heeft in De tranen der acacia's Oskar daarvoor Arthur Muttah nodig, die eveneens onvindbaar is.[48] Een groot verschil is dat de lezer van De tranen der acacia's meer weet dan de personages en dientengevolge de onkenbaarheid van de werkelijkheid aanschouwt als toeschouwer, terwijl hij in De donkere kamer van Damokles net zozeer in het duister tast als de personages.[48]

Vertalingen[bewerken | brontekst bewerken]

In 1968 verscheen een Duitse vertaling van de hand van Jürgen Hillner, en in 2005 een nieuwe vertaling van Waltraud Hüsmert, beide onder de titel Die Tränen der Akazien.

Verklarende noten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. Dit is het nummer dat de publicatie is toegekend in de bibliografie van Hermans' verspreide publicaties, Delvigne en Janssen (1996).
  2. Een passage van deze parodie staat in Calis (1999), 260

Verwijzende noten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. Datering in Janssen en Van Stek (2005), online
  2. a b Dautzenberg (2004), 274
  3. Brems (2006), 51
  4. a b Van Straten (1999), 12
  5. Otterspeer (2013), 400 en 411
  6. Otterspeer (2013), 400-401
  7. Otterspeer (2013), 409
  8. Otterspeer (2013), 453
  9. Otterspeer (2013), 454
  10. Otterspeer (2013), 455
  11. a b c Van Straten (1999), 17
  12. Van straten (1999), p. 73
  13. Van Straten (1999), 67
  14. a b Huygens Instituut der KNAW (2005a), 740
  15. Otterspeer (2013), 816 noot 695
  16. Otterspeer (2013), 470
  17. Geciteerd bij Huygens Instituut der KNAW (2005a), 740
  18. Geciteerd bij Otterspeer (2013), 471
  19. Huygens Instituut der KNAW (2005a), 740-741
  20. Calis (1999), 278
  21. Geciteerd bij Calis (1999), 280
  22. Janssen (1971/1980), p. 18.
  23. Janssen (1971/1980), p. 19.
  24. a b Van Straten (1999), 144
  25. a b Brems (2005), 51
  26. Geciteerd bij Janssen (1971/1980), p. 19.
  27. Anbeek (1999), 186
  28. Anbeek (1999), 186-187. Citaat op 187.
  29. a b Van Straten (1999), 163
  30. Calis (1999), 218
  31. a b Calis (1999), 282
  32. a b c Geciteerd bij Calis (1999), 219
  33. a b c Calis (1999), 219
  34. Calis (1999), 220
  35. Calis (1999), 22-221
  36. Geciteerd bij Calis (1999), 223
  37. a b Calis (1999), 224
  38. Geciteerd bij Calis (1999), 224
  39. a b Van Straten (1999), 142
  40. a b c Geciteerd bij Van Straten (1999), 142
  41. Van Straten (1999), 143
  42. Geciteerd bij Maas (2009), 274
  43. Maas (2009), 274
  44. a b Huygens ING (2005b)
  45. a b Calis (1999), 260
  46. Geciteerd bij Calis (1999), 268
  47. a b Geciteerd bij Calis (1999), 269
  48. a b c d Raat (1992), 10
  49. Geciteerd bij Brems (2005), 51
  50. Geciteerd bij Hazeu (2005), 546
  51. Hazeu (2005), 546

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]