Efod

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Joodse hogepriester met een efod (geel)

De efod (of ephod; Hebreeuws: אֵפוֹד) was een uit kostbaar materiaal vervaardigd gewaad, ook wel een lijfrok genoemd, dat in het oude Israël werd gedragen door de hogepriester. In de NBV heeft de efod verschillende benamingen. In de Pentateuch is het "priesterschort", in Samuel "priestergewaad".

Een uitgebreide beschrijving van de efod is te vinden in het Bijbelboek Exodus, in de hoofdstukken 28 en 39. Het was kennelijk een kledingstuk dat wij thans een hes zouden noemen: een pand voor en achter, met verbindingen over de schouders en langs de heupen.

Op de efod bevond zich een borstschild of borsttas met de Urim en de Tummim. Op de borsttas waren vier rijen van drie edelstenen in gouden zettingen. In elke edelsteen was de naam van een van de twaalf stammen van Israël gegraveerd. Van veel edelstenen bestaan kleurvariëteiten, het staat dus niet vast of de hieronder getoonde kleuren juist zijn.

robijn topaas smaragd
granaat saffier aquamarijn
barnsteen agaat amethist
turkoois onyx jaspis

In Rechters 8:27 maakt Gideon een efod uit buitgemaakte sieraden, die vervolgens werd vereerd als afgodsbeeld, wat volgens de Bijbel leidde tot Gideons ondergang. Ook in Rechters 17-18 is sprake van een efod. Deze kledingstukken zou men kunnen zien als vervalsingen van de efod van de hogepriester.

In 1 Samuel 30 vraagt David in Ziklag aan de priester Abjatar om hem de efod te brengen. Blijkbaar heeft Abjatar de efod meegenomen naar deze Filistijnse stad.

In 2 Samuel 6:14 draagt David een kledingstuk dat in de grondtekst efod wordt genoemd. Verder draagt hij niets. Michal veracht hem om die reden. Deze efod wordt hier echter niet beschouwd als een heilig kledingstuk. Hij wordt in de NBG aangeduid als "lijfrok" en in de NBV als "priesterhemd".