Eilandstaat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eilandstaten op de wereld

Een eilandstaat is een land dat geheel uit een eiland, meerdere eilanden, een eilandengroep of meerdere eilandengroepen bestaat en geen territorium op het vasteland heeft.[1] Van de landen van de wereld zijn 47 landen eilandstaten (zie kaart), onder meer enkele van de kleinste staten van de wereld.

Eilandstaten kunnen worden onderscheiden in twee categorieën. Relatief grote, dichtbevolkte, nabij een continent gelegen eilanden zoals: Japan, Sri Lanka, de Filipijnen, Cuba, het Verenigd Koninkrijk, Madagaskar en Indonesië. Deze staten delen culturele en politieke overeenkomsten met hun buren op het vasteland. Eilandstaten zoals deze zijn vaak in tactisch voordeel geweest; ze waren vaak geïsoleerd van oorlogen en hadden een maritiem voordeel, zowel op oorlogs- als handelsvlak.

De andere groep eilanden zijn de kleinere, geïsoleerde eilanden zoals Malta, de Comoren, de Bahama's, Tonga en de Maldiven. Deze groep eilanden hebben de neiging tot erg anders dan de (relatief) omliggende landen te zijn, en zijn economisch zeer kwetsbaar. Hun omvang betekent vaak dat er maar weinig agrarische mogelijkheden zijn en er weinig grondstoffen aanwezig zijn. Ze zijn daar door afhankelijk van andere landen, en leunen zwaar op de visserijsector. Bovendien leiden de gelimiteerde bestaansmogelijkheden tot een uittocht van (met name het jonge werkende deel) de bevolking dat zijn geluk elders gaat beproeven. Zo vertrokken bijvoorbeeld veel IJslanders naar Noorwegen of Zweden, en veel Pacifische eilanders naar Australië en Nieuw-Zeeland. Dit werkt weer de vergrijzing in de hand en leidt tot een gebrek aan goed opgeleide werkkrachten (brain drain. De geisoleerdheid maakt dat importprodukten duur zijn en dat de export nadeel ondervindt door hoge transportkosten. Publieke voorzieningen zijn eveneens relatief duur door het ontbreken van schaalvoordelen. Verder zijn deze staten door de relatief insignificante nationale markt sterk afhankelijk van het wel en wee van de wereldeconomie waardoor economische groei sterk volatiel is. Kleine eilandstaten zijn bovendien kwetsbaarder voor natuurrampen en zeespiegelstijging ten gevolge van de opwarming van de Aarde.

Daarom proberen veel van de kleine eilanden nieuwe bronnen van inkomsten aan te boren. Veel eilanden hebben toerisme als voornaamste inkomstenbron. Nauru leunde zwaar op de fosfaatwinning, tot het fosfaat op was. IJsland profiteerde economisch van de Amerikaanse basis bij Keflavík, en probeerde de banksector te ontwikkelen voordat de kredietcrisis roet in het eten gooide. Andere proberen zichzelf als offshore vestigingsplaats voor buitenlandse vennootschappen, belastingparadijs, of goedkope vlagstaat voor schepen aan te prijzen. Het risico hiervan is echter dat dit criminelen, belastingontduikers en fraudeurs kan aantrekken, en het land een slechte reputatie kan geven. Wanneer dit de spuigaten uitloopt kunnen grote landen of organisaties als de OESO actie ondernemen. Dergelijke landen kunnen economisch een vuist maken waar de eilandstaat meestal weinig tegen kan uitrichten.

Hierdoor is een gemeleerd beeld ontstaan. Een aantal kleinere eilandstaten (IJsland, Bahrein, Singapore) heeft zich desondanks zeer succesvol ontwikkeld, maar in anderen (Tonga, Kiribati, Marshalleilanden) heerst bittere armoede. Kleinere eilandstaten krijgen speciale aandacht van de VN en worden betiteld als Small Developing Island States (SIDS).

Een verdeling naar grondgebied is ook mogelijk:

Australië geldt niet als een eilandstaat, omdat Australië niet als een eiland, maar als een continent beschouwd wordt.

Zie ook[bewerken]