Energietransitie in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De energietransitie in Nederland is het proces waarbij men beoogt te komen tot een nieuw energiesysteem gebaseerd op duurzame energiebronnen, zuiniger energiegebruik en andere, vaak decentrale vormen van organisatie. Het met deze transitie verbonden beleidsdoel is door de internationale gemeenschap neergelegd in het Klimaatakkoord van Parijs: de toename van de wereldgemiddelde temperatuur houden tot ruim onder 2°C boven het pre-industriële niveau.

Situatie tot 2019[bewerken]

In de periode 2010-2015 steeg het duurzame aandeel in het elektriciteitsgebruik van 12% naar 15% door sterke toename van windstroom die in 2015 7% leverde; zonnepanelen produceerden toen 1%.[1] De kooldioxide-emissie daalde van 170 naar 156 megaton per jaar (9,2 ton per persoon), maar nog niet tot het niveau van 1990 (148 Mt). In 2015 was het doel dat in 2020 14% van alle gebruikte energie in Nederland uit duurzame bronnen zou komen, en in 2023 16%. In 2017 was het 7%, het na Luxemburg (land) laagste percentage in de Europese Unie.[2]

In 2016 kondigde de rijksoverheid aan dat in de periode 2024–2030 voor 7.000 MW aan windparken op zee zal worden gebouwd.[3] De bijdrage van de windturbines in zee zou dan substantieel zijn.[4] Voor de Zuid-Hollandse kust komt in 2022 ’s werelds eerste windpark dat zonder subsidie geëxploiteerd wordt door NUON.[5]

In februari 2018 besloot het kabinet-Rutte III om de winning van aardgas in Noordoost-Groningen af te bouwen en rond 2030 te staken. Daarnaast bepaalde het op 18 mei 2018, dat de twee oudste kolengestookte elektriciteitscentrales in het land, de Amercentrale en de Hemwegcentrale, uiterlijk in 2024 moeten overschakelen op een duurzame brandstof, bijvoorbeeld houtsnippers. Voor de nieuwgebouwde kolencentrales op de Maasvlakte en in de Eemshaven geldt hetzelfde per 2029.[6] Op 7 maart 2019 werd bekend dat Centrale Hemweg in 2020 wordt gesloten.[7]

Na de Klimaatwet[bewerken]

De Klimaatwet (mei 2019) bepaalt dat de uitstoot van broeikasgassen in 2030 minstens 49% en in 2050 95% vermindert ten opzichte van 1990.[8][9] Windenergie is een belangrijke vorm van duurzame energie om deze doelen te halen. In 2017 stond 957 megawatt (MW) windturbine capaciteit in zee. In 2023 moet er voor minimaal 4.450 MW vermogen aan windparken op zee staan.[10]

Volgens het nationale Klimaatakkoord[11] (juni 2019) wil de regering in Europa pleiten voor 55% minder broeikasgas uitstoot in 2030, meer dan volgens het eerder overeengekomen percentage van 49. Voor gebouwen is het doel in 2030 3,4 megaton minder kooldioxide uit te stoten door betere isolatie en vervanging van aardgas door duurzame bronnen. In het verkeer is het streven dat uiterlijk in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos zijn, elektrisch of op waterstof. Op de uitstoot van de energie-intensieve industrie komt een CO2-heffing die de regering wil gebruiken voor vergroening van de industrie. Voor de duurzame elektriciteitsopwekking in 2030 is de ambitie verhoogd van 84 TWh naar 120 TWh (dat is gelijk aan het totale elektriciteitsgebruik in 2015).