God is dood

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De opmaak van dit artikel is nog niet in overeenstemming met de conventies van Wikipedia. Mogelijk is ook de spelling of het taalgebruik niet in orde. Men wordt uitgenodigd deze pagina aan te passen.

"God is dood" (Duits: "Gott ist tot") is een uitdrukking die de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche herhaaldelijk gebruikt. De belangrijkste passage waarin deze uitspraak voorkomt is aforisme 125 van zijn boek De vrolijke wetenschap[1] (Duits: Die fröhliche Wissenschaft[2], FW). Daarnaast komt hij ook voor in de aforismen 108 en 343 van dit boek en later op verschillende plaatsen in zijn bekende boek Zo sprak Zarathoestra[3] (Duits: Also sprach Zarathustra[4], ZA). Dit laatste boek heeft ervoor gezorgd dat de uitspraak zo populair geworden is.
Overigens is Nietzsche niet de eerste schrijver die spreekt over de dood van God. Enkele decennia eerder deed de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel dat ook al.

Aforisme FW 125 heeft als titel De dolle mens. In dit verhaal gaat een dwaas, voorzien van een lantaarn, op klaarlichte dag de marktplaats op om God te zoeken, te verkondigen dat God dood is en dat wij mensen hem vermoord hebben. In een aantal onheilspellende beelden beschrijft de dolle mens hoe onvoorstelbaar de gevolgen daarvan zijn. Hij vergelijkt het met het leegdrinken van de zee, het uitwissen van de horizon en het loskoppelen van de aarde van de zon. De wereld heeft alle houvast verloren en doolt richtingloos door de donkere lege ruimte van het heelal. Maar de toehoorders zwijgen en kijken hem bevreemd aan. Hij realiseert zich dat zijn boodschap zo schokkend is dat ze die niet kunnen begrijpen. Hij verdwijnt uit beeld.

Het aforisme De dolle mens (FW125)[bewerken]

De volledige tekst van het aforisme De dolle mens uit De vrolijke wetenschap, in de vertaling van Pé Hawinkels, luidt:

"De dolle mens. — Hebben jullie niet gehoord van de dolle mens die op klaarlichte dag een lantaarn aanstak, de markt opliep en onophoudelijk schreeuwde: 'ik zoek God! Ik zoek God!' — Omdat er daar juist veel van die lieden bijeenstonden die niet aan God geloofden, verwekte dit groot gelach. Is hij soms verloren gegaan? zei de een. Is hij verdwaald als een kind? zei de ander. Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Is hij scheep gegaan? Naar het buitenland vertrokken? — zo schreeuwden en lachten zij door elkaar. De dolle mens sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. 'Waar God heen is?' riep hij uit. 'Dat zal ik jullie vertellen! Wij hebben hem gedood, — jullie en ik! Wij allen zijn zijn moordenaars! Maar hoe hebben wij dit gedaan? Hoe hebben wij de zee kunnen leegdrinken? Wie gaf ons de spons om de hele horizon uit te vegen? Wat hebben wij gedaan, toen wij deze aarde van haar zon loskoppelden? In welke richting beweegt zij zich nu? In welke richting bewegen wij ons? Weg van alle zonnen? Vallen wij niet aan één stuk door? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, alle kanten op? Is er nog wel een boven en beneden? Dolen wij niet als door een oneindig niets? Voelen we de adem van lege ruimte in het gezicht? Is het niet kouder geworden? Is het niet voortdurend nacht en steeds meer nacht in aantocht? Moeten er 's morgens geen lantaarns aangestoken worden? Horen wij nog niets van het rumoer van de doodgravers, die God begraven? Ruiken wij nog niets van de goddelijke ontbinding? — ook goden raken in ontbinding! God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood! Hoe moeten wij ons troosten, wij moordenaars aller moordenaars? Het heiligste en machtigste dat de wereld tot dusver bezeten heeft, is onder onze messen leeggebloed, — wie wist dit bloed van ons af? Met welk water kunnen wij ons reinigen? Welke zoenoffers, welke heilige spelen zullen wij moeten bedenken? Is niet de grootte van deze daad te groot voor ons? Moeten wij niet zelf goden worden om haar zelfs maar waardig te schijnen? Nooit was er een grotere daad, — en wie er ook na ons geboren wordt, hij behoort vanwege deze daad tot een hogere geschiedenis dan alle geschiedenis tot dusver geweest is!' — Hier zweeg de dolle mens en keek opnieuw zijn toehoorders aan: ook zij zwegen en keken bevreemd terug. Ten slotte gooide hij zijn lantaarn op de grond, zodat die in stukken sprong en uitdoofde. 'Ik kom te vroeg,' zei hij toen, 'het is mijn tijd nog niet. Deze ongelooflijke gebeurtenis is nog onderweg, ze wandelt nog rond, — het is nog niet tot de oren der mensen doorgedrongen. Bliksem en donder hebben tijd nodig, het licht der gesternte heeft tijd nodig, daden hebben tijd nodig om gezien en gehoord te worden, ook nadat ze al verricht zijn! Deze daad is nog steeds verder van hen af dan de verste gesternten, — en toch hebben ze haar verricht!' — Men vertelt verder dat de dolle mens diezelfde dag nog verscheidene kerken binnengedrongen is en daar zijn requiem aeternam deo aangeheven heeft. Naar buiten gebracht en ter verantwoording geroepen, zou hij telkens alleen maar herhaald hebben: 'Wat zijn deze kerken eigenlijk nog, als ze niet de graven en grafmonumenten van God zijn?'—"
— Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 125, vertaling Pé Hawinkels.[5]

Uitleg De dolle mens (FW 125)[bewerken]

Vorm[bewerken]

Het stuk, De dolle mens, is een aforisme. Een aforisme is een korte tekst met vaak grappige, absurde of paradoxale elementen, die een boodschap van wijsheid bevat. De boodschap van een aforisme is daardoor zelden eenduidig. Nietzsche maakt in het aforisme gebruik van verschillende perspectieven: een anonieme verteller, de dolle mens en het publiek. De titel De dolle mens duidt op de hoofdpersoon, de brenger van de boodschap. Vanuit het perspectief van het publiek is hij een gek, een dolle mens. Echter, vanuit zijn eigen perspectief is hij juist de enige die begrijpt wat er aan de hand is. Het stuk wordt ingeleid en afgesloten door de anonieme verteller, dit doet denken aan de vorm van de parabel, een veel gebruikte vorm in het Nieuwe Testament van de Bijbel. In de proloog komt de dolle mens de markt op lopen en brengt zijn boodschap. De kern van het stuk is: God is dood en God blijft dood. Deze kern staat precies in het midden en vervult hiermee zowel in vorm als inhoud een spilfunctie. Hierna volgt een cesuur, het perspectief verandert kort naar dat van de verteller en de houding van zowel de dolle mens als het publiek verandert. De dolle mens trekt de conclusie dat hij te vroeg is gekomen en eindigt met de uitroep dat de mensen de moord toch zelf hebben verricht. Dit is in de originele (Duitse) tekst gespatieerd gedrukt, om hier extra nadruk op te leggen.[6] Dan volgt een epiloog vanuit het perspectief van de verteller die tot slot de dolle mens opvoert en afsluit met een retorische vraag.

Inhoud[bewerken]

In het aforisme confronteert de dolle mens de ongelovige mensen op de markt met hun onwetendheid: ze weten niet dat God dood is; ze weten niet dat de mensen zelf hem vermoord hebben; en ze beseffen bij lange na niet wat ze daarmee hebben aangericht.
Nietzsche maakt in het aforisme gebruik van een aantal terugkerende stijlfiguren en metaforen. De belangrijkste zijn hieronder kort toegelicht op een mogelijke betekenis ervan.

De dood van God[bewerken]

De dood van God dient als beeldspraak voor het feit dat de mensen niet langer in een monotheïstische God geloven. Het gegeven dat God dood is roept de vraag op of hij überhaupt heeft bestaan. Omdat een onsterfelijke God niet dood kan gaan. God is niet alleen dood, hij is zelfs vermoord door de mensen. Dit roept een schuldvraag op, Nietzsche benadrukt dit met de uitroep aan het einde: "…en toch hebben ze haar zelf verricht!". Dit wordt ook geïllustreerd doordat de dolle mens zegt dat wij ons moeten reinigen, zoals bijvoorbeeld een misdadiger zich zou kunnen ontdoen van de schuld van zijn daad door reinigingsrituelen uit te voeren. In dit verband moet ook Nietzsches verwijzing naar zoenoffers en heilige spelen worden begrepen. Verder zegt hij dat wij omwille van deze daad zelf wel goden moeten zijn. Hiermee doelt hij ook op de toekomst, als wij zelf goden zijn, zullen wij zijn werk in de toekomst zelf moeten opknappen. Daarnaast roept het feit dat het een moord betreft de vraag naar het motief op. Hier wordt in het aforisme niet verder op in gegaan.

De dolle mens roept dat God dood is en dood blijft. Dit kan als een indirecte verwijzing naar de wederopstanding van Jezus worden gezien. Door te benadrukken dat God dood blijft, sluit Nietzsche uit dat er nog een mogelijkheid bestaat voor een terugkeer naar of van het geloof. Hij vraagt of we het gedruis van de doodgravers nog niet horen en de goddelijke ontbinding nog niet ruiken. Hij observeert hiermee dat wij nog niets van de dood van God merken, dat we de gevolgen hiervan nog niet aan den lijve ondervinden. Dit is tegelijkertijd een antwoord op zijn latere vraag hoe het kan dat het nieuws nog niet tot de mensen doordringt. Door te roepen dat ook goden in ontbinding raken benadrukt hij opnieuw de sterfelijkheid van God.

Het licht[bewerken]

Op verschillende plekken gebruikt Nietzsche het licht als metafoor voor de rede: de (kapotte) lantaarn, het daglicht, het zonlicht, het licht van de sterren en het bliksemlicht. Om te beginnen steekt de dolle mens op klaarlichte morgen een lantaarn op. De mensen op de markt zijn in de veronderstelling dat zij goed kunnen zien maar de dolle mens is overtuigd van het tegendeel. Deze lantaarn gooit hij later stuk wanneer hij tot de conclusie komt dat hij te vroeg is gekomen, dat het vergeefs is. Hij vergelijkt daarnaast de moord op God met het loskoppelen van de aarde van haar zon. Het geloof gaf ons tot dan toe verlichting maar nu zullen wij het zonder licht moeten stellen. Hij verwijst daarnaast naar het ontbreken van licht met de retorische vraag: "Is niet voortdurend nacht en steeds meer nacht in aantocht?". Ook hier zegt hij, moet er in de ochtend een lantaarn aangestoken worden. Ten slotte zegt de dolle mens dat het licht van de sterren tijd nodig heeft, ter vergelijking met het nieuws dat tijd nodig heeft voor het tot de mensen doordringt.

Natuurlijke fenomenen[bewerken]

Om duidelijk te maken hoe groots de daad van de moord op God is en hoe enorm haar gevolgen zullen zijn, vergelijkt de dolle mens deze met grootse natuurlijke fenomenen. We hebben de zee leeggedronken, de horizon met een spons uitgeveegd en de aarde van haar zon losgekoppeld. Met de onvoorstelbaarheid van deze daden wordt daarbij de onvoorstelbaarheid van de moord op God weergegeven. Dit is een tweede antwoord op de vraag waarom het niet tot ons doordringt. Het uitvegen van de horizon zou hier begrepen kunnen worden als het wegvallen van de door godsdienst gegeven oriëntatie. Zonder horizon is het onmogelijk om plaats en richting te bepalen. Hij vergelijkt ten slotte het nieuws met bliksem en donder, deze hebben ook tijd nodig om gezien en gehoord te worden, net als het nieuws van de moord op God.

Interpretatie van metaforen en begrippen in De dolle mens (FW 125)[bewerken]

Door het bestuderen van de verschillen tussen deze eerdere fragmenten en het uiteindelijke aforisme zou je tot een interpretatie van "God is dood" kunnen komen. Terugkerende metaforen en begrippen bieden een houvast om tot een interpretatie te komen van de boodschap God is dood. Allereerst is het goed om te weten dat Nietzsche in diverse andere (eerdere) fragmenten spreekt over de "God is dood", fragmenten die zijn gevonden in de dagboeken van Nietzsche. Voorbeelden van fragmenten die spreken over de dood van God zijn fragment 12[77], 12[157], 14[25] en 14[26] uit de "Nachgelassene Fragmente" (NF).[7] De vrolijke wetenschap werd door Nietzsche onder andere samengesteld uit deze fragmenten die hij schreef tussen juli 1881 en augustus 1882. Deze fragmenten leiden uiteindelijk tot een eerste versie van het aforisme FW 125, de zogenaamde Vorstufe. Deze Vorstufe is te vinden in band 14 van de Kritische Studienausgabe (KSA)[8], de standaarduitgave van Nietzsche’s werk.

De dolle mens[bewerken]

De hoofdrolspeler in aforisme 125 van De vrolijke wetenschap is "de dolle mens". In een dagboek van januari 1882 schrijft Nietzsche de introductiezin: "Heb je niet gehoord van de dolle mens", voor het eerst op. In een eerder (dagboek)fragment en de Vorstufe, is het Zarathoestra die de boodschap "God is dood" brengt. Het is niet bekend waarom Nietzsche Zarathoestra veranderde in de dolle mens, maar een nadere beschouwing van deze waanzinnige figuur, geeft het begin van een antwoord op deze vraag.

Het is namelijk niet de eerste keer dat er iemand op klaarlichte dag met een lantaarn naar iets op zoek is. Diogenes van Sinope zou hetzelfde hebben gedaan, zij het dat hij niet zocht naar God, maar naar "de mens". Het is onwaarschijnlijk dat Nietzsche de verkondiger van de dood van God als een dwaas wilde laten overkomen. Waar de absurditeit van de actie van Diogenes hem vergeven werd door de Atheners, omdat men hem zag als een wijs man, zo wil Nietzsche waarschijnlijk ook dat wij het absurde van de dolle mens die op klaarlichte dag met een lantaarn God zoekt tot ons door laten dringen. Om ons vervolgens te realiseren dat het niet zo absurd is als het lijkt. Een aforisme wil ook geen kant en klare antwoorden presenteren, maar de mens dwingen tot nadenken.

Dit "nadenken" moet dan niet te letterlijk worden genomen, aangezien het boek De vrolijke wetenschap kennis, wetenschap en waarheid relativeert en het denken ondergeschikt maakt aan de ervaring, het leven. Dit schrijft Nietzsche zelf ook in aforisme FW 179: "Gedachten zijn de schaduwen van onze ervaringen, altijd, donkerder, leger, simpeler dan deze".[9] Ook in aforisme 189 is hij niet positief over het denken: "Hij is een denker: dat betekent dat hij de kunst verstaat de dingen eenvoudiger op te vatten dan ze zijn".[10] De dolle mens verkondigt een boodschap die met het verstand niet te bevatten is, een boodschap die eerder het loslaten van het denken impliceert, dan het vasthouden daaraan. Zoals Diogenes "de mens" niet zag, omdat deze zich te veel vastklampte aan rijkdom en schaamte en niet één was met zijn natuur, zo zoekt de dolle mens naar een God die niet gevonden kan worden, maar als fundamentele grond voor waarheid in het bewustzijn van de mens nog steeds bestaat.

Juist dit bewustzijn is absurd volgens Nietzsche, en zo gezien kan de "de dolle mens" eerder als wijs, dan als onwijs worden beschouwd. De gelovigen, die God niet kunnen loslaten als grond van hun bestaan, zijn dan ook eerder onwijs, zoals Nietzsche in aforisme 129 van De vrolijke wetenschap zelf ook zegt: "‘God zelf kan niet zonder wijze mensen bestaan’, heeft Luther gezegd, en met goed recht; maar ‘God kan nog minder zonder onwijze mensen bestaan’, dat heeft die brave Luther niet gezegd!".[11]

Het paradoxale in deze uitspraak is misschien wel de beste verklaring waarom Nietzsche op het laatste moment de naam van de brenger van de boodschap dat God dood is veranderde van Zarathoestra in de dolle mens. De mensen die met het denken, beïnvloed door Socrates en Plato, metafysische constructies hebben gebouwd, zijn de wijzen die God hebben gecreëerd. De onwijze mensen, zijn de mensen die in deze constructies zijn gaan geloven. Wie kan dan beter de boodschap vertellen, dan de mens die door zijn waanzinnigheid de dichotomie van "wijs" en "onwijs" overstijgt? Oftewel, "de dolle mens".

Zarathoestra, als Perzische profeet, zou bovendien nog te veel in verband kunnen worden gebracht met religie. Iets dat Nietzsche zeker zou willen vermijden. Wij dolen immers na de dood van God door een oneindig niets, dat geen boven en onder meer kent.

Licht en donker[bewerken]

Zoals in de uitleg van De dolle mens al is beschreven, maakt Nietzsche veelvuldig gebruik van metaforen die betrekking hebben op natuurlijke fenomenen. Bij veel van die fenomenen zijn de begrippen "licht" en "donker" terug te vinden. Deze begrippen keren ook terug in andere aforismen van Nietzsche.

De metafoor waarin Nietzsche in FW 125 de nadruk legt op ‘licht’ en ‘donker’, heeft Nietzsche pas na de Vorstufe toegevoegd. De metafoor beschrijft de aarde die losgekoppeld wordt van de zon, waarbij de toekomstige richting onzeker is. In de Vorstufe wordt op deze plek in het aforisme het beeld beschreven van een architectuur die onzeker is geworden, maar, zal Nietzsche gedacht hebben: we kunnen niet op zoek naar een nieuwe architect. Er zijn geen bouwtekeningen van de wereld, er is alleen een oneindig niets. De verandering zorgt er ook voor dat de tekst beter aansluit op de volgende zin in aforisme 125: "Is niet voortdurend nacht en steeds meer nacht in aantocht".

Het eerste aforisme van De vrolijke wetenschap waarin de dood van God wordt aangekondigd is aforisme 108. Hierin beschrijft Nietzsche een gevecht met de goddelijke schaduw: "God is dood: maar zoals de menselijke aard nu eenmaal is, zullen er misschien nog millennia lang grotten bestaan waarin men zijn schaduw vertoont. – En wij – wij moeten ook nog zijn schaduw overwinnen!".[12] De grotten kan je vergelijken met de kerken, waar we de schaduw van de christelijke God kunnen vereren. Ook in FW 109 keert het begrip schaduw terug: "Wanneer zullen al deze schaduwen van God ons niet langer verduisteren?".[13] Het lijkt erop dat Nietzsche zegt dat het licht van God ons heeft verlaten, maar dat de schaduw van dit wezen nog over ons valt. Wellicht dat de dolle mens daarom met een lantaarn kwam, om een zeker licht in de duisternis te brengen.

De nacht, of beter gezegd de zonsverduistering (zoals Nietzsche het zelf zegt in FW 343), staat voor het einde van de Europese moraal. Iets waar al eerder in De gebroeders Karamazov van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski voor gewaarschuwd wordt. In hoofdstuk vier van boek 11 wordt het volgende gezegd: "Maar wat zal er dan van de mensheid terechtkomen? Vroeg ik hem, zonder God en eeuwig leven? Alle dingen zijn geoorloofd dan, kunnen ze doen wat ze willen?". Nietzsche wilde waarschuwen voor donkere tijden, nu het licht van God niet meer op ons zal schijnen. De dolle mens stelt dan ook terecht de vraag: "Moeten er ’s morgens geen lantaarns aangestoken worden". Het blijft namelijk duister, ook overdag.

Dood en nieuw leven[bewerken]

Een ander terugkerend thema is de schuldvraag: wie heeft God vermoord? Al in de eerste dagboekaantekeningen, die uiteindelijk leiden tot FW 125, wordt duidelijk dat "de mens" God heeft vermoord. In een eerder fragment wordt het de "moord der moorden" genoemd, terwijl in aforisme 125 de mens betiteld wordt als "moordenaar aller moordenaars".
Het is duidelijk: wij zijn zelf verantwoordelijk voor de dood van God. In fragment 12[157], dat niet is opgenomen in het uiteindelijke aforisme 125, heeft Nietzsche het zelfs over zelfmoord: "Hier zweeg Zarathoestra opnieuw en verzonk in een diepe overpeinzing. Uiteindelijk zei hij als in een droom: ‘Of heeft hij zichzelf gedood? Waren wij alleen maar zijn handen?’’’.[14]

Het besef en de grootsheid van deze daad, zoals de dolle mens dit vertelt, is nog niet doorgedrongen tot de mensen. Deze grote gebeurtenis heeft tijd nodig. In een eerder fragment beschrijft Nietzsche het als volgt: "Dit gevoel, het machtigste en heiligste, dat de wereld ooit heeft bezeten, gedood te hebben, zal nog over de mensen komen".[15] En dit gevoel is niet alleen een schuldgevoel, dat reiniging en zoenoffers noodzakelijk maakt. Maar Nietzsche omschrijft dit gevoel in aforisme 343 ook als volgt: "...een nieuw, moeilijk te omschrijven soort licht, geluk, opluchting, bemoediging, morgenrood…".[16]

De mensen die dit gevoel mogen ervaren en niet gebukt gaan onder de oude gevoelens maken deel uit van een hogere geschiedenis. Alhoewel het motief voor de moord in aforisme 125 niet duidelijk lijkt, wordt dus wel duidelijk dat de dood van God een noodzakelijke voorwaarde is om deel uit te maken van deze ‘hogere geschiedenis’. In aforisme 337 wordt geschreven over de toekomstige menselijkheid, waarin de mens zijn eigen lot omarmt (amor fati). Nietzsche beschrijft dit als volgt: "...dit zou toch een geluk moeten opleveren dat de mens tot op heden niet kende, het geluk van een god, vol macht en liefde, vol tranen en lachen…".[17]

De dood van God lijkt in eerste instantie op een nachtmerrie. Maar opent vervolgens ook de weg naar nieuwe vorm van geluk.

Verschillende interpretaties van "God is dood"[bewerken]

Nietzsche over "God is dood" in FW 343[bewerken]

De vrolijke wetenschap werd in 1882 uitgegeven. Bij deze uitgave bestond het boek uit vier delen, maar in 1887 voegde Nietzsche er een vijfde deel aan toe, genaamd "Wij onbevreesden". In dit deel verschaft Nietzsche meer informatie over de betekenis van de dood van God. Het eerste aforisme in dit nieuwe deel, FW 343, geeft informatie over wat de dood van God voor Nietzsche betekende. Hij laat hierin eigenlijk zien zijn tijdgenoten hetzelfde te verwijten als de dolle mens zijn omstanders verweet. Hier voegt Nietzsche aan toe dat de nieuwe situatie voor onbevreesden, voor vrij geesten, mogelijkheden schept.

In de eerste zin vertelt Nietzsche al meteen waar "God is dood" eigenlijk op slaat:
"De grootste gebeurtenis uit het recente verleden, – dat ‘God dood is’, dat het geloof in de christelijke god ongeloofwaardig geworden is – begint reeds haar eerste schaduwen over Europa te werpen."[18]

Zijn tijdgenoten hebben echter nog lang niet allemaal door dat het christelijke geloof in toenemende mate ongeloofwaardig is geworden:
"… de gebeurtenis zelf is veel te groot, te ver, te afzijdig van het bevattingsvermogen van de massa, dan dat ook maar de tijding ervan reeds aangekomen zou mogen heten …"[18]
En wat ze al helemaal niet doorhebben, dat zijn de betekenis en de gevolgen van deze gebeurtenis:
"… laat staan dat de velen al zouden weten wat er daardoor eigenlijk gebeurd is – en wat er allemaal, omdat dit geloof ondergraven is, binnenkort moet instorten, omdat het erop gebouwd was, ertegenaan leunde, ermee vergroeid was: bijvoorbeeld heel onze Europese moraal."[18]
Dat de gevolgen niet bepaald positief zijn, maakt Nietzsche wel duidelijk:

"Deze langdurige volheid en opeenvolging van afbraak, verwoesting, ondergang, omwenteling, die thans ophanden is: wie zou reeds vandaag de dag daarvan voldoende vermoeden om de leraar en verkondiger te kunnen spelen van deze ongelooflijke logica der verschrikking, de profeet van een duisternis en zonsverduistering, zoals er waarschijnlijk nog nooit een op aarde geweest is?"[18]

Maar waarom is dit volgens Nietzsche zo’n desastreuze ontwikkeling? Je zou kunnen verwachten dat Nietzsche juist blij zou zijn dat men niet meer gelooft in God. We hebben afgerekend met onze illusies en nu kunnen we het heft in eigen handen nemen, toch? Deze blijdschap om de dood van God is in ieder geval wel iets wat Nietzsche bij sommige van zijn tijdgenoten ziet. Aforisme 343 heet dan ook Hoe het met onze opgewektheid gesteld is. Hij vraagt zich in dit aforisme af hoe het kan dat iedereen hier zo blij mee is:

"... waar ligt het toch aan dat zelfs wij zonder de ware deelneming voor deze verduistering, en vooral zonder zorg en vrees wat onszelf betreft haar opkomst tegemoetzien?"[18]

"Zonder zorg en vrees wat onszelf betreft" verduidelijkt ook meteen waarom dit vijfde deel van De Vrolijke Wetenschap "Wij onbevreesden" heet. Nietzsche geeft ook antwoord: zijn tijdgenoten kunnen nog zo vrolijk en onbevreesd zijn, omdat de gebeurtenis te groot is voor hun voorstellingsvermogen en omdat de eerste gevolgen van de dood van God ook inderdaad hoopvol lijken:

"Inderdaad, wij filosofen en ‘vrije geesten’ voelen ons bij het bericht dat de ‘oude god dood’ is als door een nieuw morgenrood omstraald; ons hart stroomt daarbij over van dankbaarheid, verbazing, vermoedens, verwachting, – eindelijk ligt de horizon weer voor ons open, zelfs al is hij niet helder, eindelijk mogen onze schepen weer uitvaren, welk gevaar er ook dreigt, elk waagstuk van de kennis is weer toegestaan, de zee, onze zee ligt weer open, misschien is er nog nooit zo’n ‘open zee’ geweest."[16]

De dood van God als aankondiging van het nihilisme[bewerken]

Maar deze blijdschap is misplaatst en feitelijk zal deze ontwikkeling wel degelijk rampzalige gevolgen hebben. Het catastrofale van de dood van God zit hem volgens Nietzsche-expert Paul van Tongeren hierin: de toenemende ongeloofwaardigheid van de christelijke God als absoluut houvast zal het nihilisme aan ons introduceren. "Nihilisme" is een ambigu begrip, dat door veel verschillende mensen op veel verschillende manieren wordt gebruikt. Bij Nietzsche heeft het niet per se dezelfde betekenis als in de volksmond of bij andere filosofen, en hij gebruikt de term met verschillende betekenissen. In dit verband zijn drie betekenissen van het woord van belang. Ten eerste gebruikt hij nihilisme om de absurditeit en zinloosheid van het leven en de wereld aan te duiden. Dit is het nihilistische karakter van de werkelijkheid: er zijn geen orde, geen waarheid en geen uiteindelijk doel of ideaal waarnaar gestreefd wordt. Ten tweede noemt Nietzsche alle constructies die de mensen hebben bedacht om dit gegeven niet te hoeven inzien ook nihilistisch, bijvoorbeeld dat men deze wereld afwijst en leeft voor een eeuwig leven in de hemel. Ten derde, en hier komen we aan bij de dood van God als nihilisme, het wegvallen van deze beschermende illusies is ook een vorm van nihilisme. Of preciezer gezegd: dit wegvallen kan het nihilistische karakter van de werkelijkheid en van onze geschiedenis zichtbaar maken en daarmee begint het eigenlijke nihilisme echt.[19]

Dit eigenlijke nihilisme zal volgens Nietzsche catastrofale gevolgen met zich meebrengen. Allereerst zal het de ondergang van het christendom betekenen. De zoektocht naar de waarheid (door Nietzsche de "wil tot waarheid" of de "waarachtigheid" genoemd) die in het christendom besloten lag, zal zich tegen zichzelf keren. We komen er uiteindelijk achter dat de metafysische, ware werkelijkheid die het christendom als losstaand van onze wereld postuleerde, een leugen bleek om de zinloosheid van het bestaan niet te hoeven inzien (zie ook de eerste twee betekenissen van nihilisme hierboven). Ten tweede wordt ook de moraal ondermijnd. Onze hele moraal berustte namelijk op de veronderstelling dat er een andere, ware werkelijkheid bestaat waaraan wij al het goed en kwaad in de wereld kunnen meten. Als die werkelijkheid wegvalt, heeft onze moraal ook geen grond meer om op te staan. Ten derde zorgt de ondermijning van de moraal ervoor dat de politiek en de economie niet meer goed kunnen functioneren. Beide zijn zeer moreel geladen praktijken, die zich bezighouden met waarden als rechtvaardigheid, gelijkheid en vrijheid. Maar dit zijn lege begrippen in het nihilistische tijdperk dat Nietzsche aankondigde. Ten vierde moeten ook wetenschap en filosofie het onderspit delven. In aforisme 344 stelt Nietzsche dat de huidige wetenschap nog te doordrongen is van het christelijke verleden:

"Maar men zal begrepen hebben waar ik heen wil, namelijk dat het nog altijd een metafysisch geloof is, waarop ons geloof in de wetenschap berust, – dat ook wij kennenden van tegenwoordig, wij goddelozen en metafysici, ook ons vuur nog stelen uit de brand die een millennia lang geloof ontstoken heeft, dat christelijk geloof, dat ook het geloof van Plato was, dat God de waarheid is, dat de waarheid goddelijk is… Maar wat nu, als juist dit steeds ongeloofwaardiger wordt, wanneer niets meer goddelijk blijkt, of het moest de dwaling zijn, de blindheid, de leugen, – wanneer God zelf onze langdurigste leugen blijkt te zijn?"[20]

Zowel wetenschap als filosofie zijn een zoektocht naar de waarheid, en wanneer we op zoek blijven naar een waarheid veronderstellen we steeds opnieuw een werkelijkheid die ideaal is en daarmee niet deze werkelijkheid is. Daarin verschillen wetenschap en filosofie niet van religie, en zijn vanwege de afwijzing van deze wereld dus net zo nihilistisch. En zoals we het christendom hebben ontmaskerd als een leugenachtige onderneming, zo zullen de wetenschap en de filosofie er ook een keer aan moeten geloven.[21]

De nihilistische kritiek die de leugen van het christendom heeft ontmaskerd, is zelf gefundeerd in de zoektocht naar waarheid die besloten lag in het christendom:
"… in ons wantrouwen herhalen we het schema: we veroordelen of verachten de werkelijke mens met zijn leugens en ficties uit naam van een waarheid, een ideaal waaraan we ons vastklampen en omwille waarvan we het in het leven uithouden."[22]

Al zulke veroordelingen van de feitelijke mens uit naam van een vereerd ideaal noemt Nietzsche ook nihilisme. En zelfs als we in een reactie daarop niet de feitelijke mens, maar de idealen veroordelen, veronderstellen we weer een ideaal: waarheid. Nietzsche noemde de mens met een reden "het vererende dier". Blijkbaar is de realiteit zoals die is zo onacceptabel, dat de mens het nodig blijft vinden om idealen te postuleren waarnaar gestreefd moet worden, zelfs wanneer we onze idealen bevragen of kritiek leveren op het nihilisme zelf. "Het nihilisme lijkt onontkoombaar op het moment dat we inzien dat de vraag die we stellen, zelf weer datgene herhaalt wat we bevragen."[23]

Nietzsche verwoordt dit in De Genealogie van de Moraal (Duits: Zur Genealogie der Moral[24], GM, uitgegeven in 1887, hetzelfde jaar als de toevoeging van het vijfde boek aan De Vrolijke Wetenschap) als volgt:
"Nadat de christelijke waarachtigheid de ene na de andere conclusie heeft getrokken, trekt ze uiteindelijk haar sterkste conclusie, haar conclusie tegen zichzelf; dit geschiedt namelijk wanneer zij de vraag stelt ‘wat betekent alle wil tot waarheid?’ (…) en hier raak ik weer aan mijn probleem, aan ons probleem (…): welke zin zou ons hele bestaan hebben, als het niet dit was, dat in ons die wil tot waarheid zichzelf als probleem bewust is geworden?"[25]

De dood van god heeft het besef ingeluid van de zinloosheid van de wereld en van elke zoektocht naar een hoger ideaal. Toch blijkt de mens zich niet te kunnen verenigen met deze realiteit en blijft zich vastklampen aan een ideaal, terwijl het tegelijkertijd beseft dat dat nu juist het probleem is.

Externe links[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Biser, Eugen. "Proclamation of God's Death." Philosophy Today 8, nummer 2 (Zomer, 1964), 133-144. http://search.proquest.com/docview/1301474603?accountid=11795.
  • Nietzsche, Friedrich. De vrolijke wetenschap (‘la gaya scienza’). Vertaald door Pé Hawinkels, herzien, geannoteerd en van nawoord voorzien door Hans Driessen. Utrecht [etc.]: Uitgeverij de Arbeiderspers, 2015.
  • Nietzsche, Friedrich. Sämtliche Werke: Kritische Studienausgabe in 15 Bänden (Dünndruck-Ausgabe). Heruitgegeven door Giorgio Colli en Mazzino Montinari. München: Deutscher Taschenbuch Verlag, 1980.
  • Nietzsche, Friedrich. Zo sprak Zarathoestra. Vertaald door Ria van Engel en van nawoord voorzien door Hans Driessen. Amsterdam [etc.]: Uitgeverij de Arbeiderspers, 2013.
  • Tongeren, Paul van, Het Europese Nihilisme. Friedrich Nietzsche over een dreiging die niemand schijnt te deren. Nijmegen: Vantilt, 2012.