Ibn Battuta

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ibn Battuta in Egypte, getekend door Léon Benett voor het boek Découverte de la terre van Jules Verne.

Ibn Battuta (Tanger, 1304Fez, 1368 of 1369) was een Marokkaanse reiziger die in de veertiende eeuw van Tanger tot aan China reisde en onderweg als koopman, minister en ontdekkingsreiziger leefde. Hij wordt gezien als één van de grootste reizigers ooit. Hij stamde af van de Berberse stam Luwata. Zijn volledige naam luidde Abdullah Mohammed ibn Abdullah ibn Mohammed ibn Ibrahim al-Lawati ibn Battuta.

Biografie[bewerken]

In 1325 vertrok Ibn Battuta uit Tanger om een pelgrimstocht naar Mekka (de Hadj) te maken. Hij volgde de kust van Noord-Afrika tot aan Caïro, en reisde daarna de Nijl op alvorens over te steken naar de Rode Zee en Mekka, waar hij echter wegens een opstand niet kon komen. Hij keerde terug naar Caïro, en vandaar naar Damascus, waar hij de ramadan doorbracht. Hij bezocht Medina en Mekka, en had daarmee zijn hadj volbracht. Hij keerde echter niet terug naar huis, maar bleef reizen.

Hij bezocht nu eerst het Il-khanaat in Irak en Iran. Via Najaf, Basra, Isfahan en Shiraz bereikte hij Bagdad, waar hij een ontmoeting had met khan Abu Sa'id. Hij bezocht ook de handelsstad Mosoel, Diyarbakir en Tabriz voor hij naar Mekka terugkeerde (circa 1328).

Zijn volgende reis (circa 1331) bracht hem zuidwaarts vanaf Mekka. Hij bezocht Aden, en van daaruit verder langs de Afrikaanse kust naar Mogadishu, Mombassa, Zanzibar, Kilwa en andere steden. Hij bezocht Zuid-Arabië en trok het Arabisch schiereiland over voor een derde bezoek aan Mekka.

Via Egypte, Syrië en Anatolië reisde hij naar de Zwarte Zee, en vanuit Kaffa (op de Krim) volgde hij de Dnjepr en de Wolga naar Bulghar. Vanuit Astrachan keerde hij eerst om naar Constantinopel, waar zijn vrouw geboren was, en trok daarna rond de noordkust van de Kaspische Zee naar Centraal-Azië, waar hij Urganch, Buchara, Samarkand, Balkh, Kunduz en Kaboel bezocht, en uiteindelijk de Indus bereikte.

Ibn Battuta werd door Muhammad bin Tughluq, de excentrieke sultan van Delhi, aangesteld als qadi (rechter). Hij zou acht jaar (circa 1334-1342) in dienst van de sultan blijven. In 1341 vertrok hij in opdracht van de sultan als ambassadeur op een missie naar het hof van de Chinese Yuan-dynastie. De rijkbeladen karavaan raakte bij Jalali betrokken in schermutselingen met Hindoe-rebellen. Ibn Battuta werd zelf beroofd en gevangengenomen, maar werd ongedeerd vrijgelaten en kon na een dagenlange zwerftocht door vijandig gebied zich weer voegen bij zijn reisgenoten. De expeditie bereikte Cambay en vervolgde de reis overzee naar Calicut. Terwijl Ibn Battuta in april 1342 aan de wal verbleef kozen de drie schepen met de geschenken voor de Chinese keizer aan boord zee uit angst voor een naderende storm. Twee schepen vergingen voor de kust terwijl het schip met Ibn Battuta's eigen bezittingen en entourage zonder de ambassadeur wegzeilde. Dit schip zou later in Sumatra worden gekaapt door een lokale heerser. Uit angst voor de woede van Muhammad bin Tughluq over de mislukking van zijn missie besloot Ibn Battuta niet terug te keren naar Delhi.[1]

Enige tijd later besloot hij alsnog naar China te reizen, maar bezocht eerst de Maldiven, waar hij 9 maanden lang als qadi werkte. Hij leed schipbreuk voor de Coromandelkust, waar hij noodgedwongen een paar jaar aan het hof van de sultan van Madurai verbleef, Giyathuddin Damghani. De sultan was getrouwd met een andere dochter van Jalalluddin Ahsan Khan en dus een zwager van Ibn Battuta. Ibn Battuta beschreef in zijn verslagen de wreedheden van de sultan tegen de lokale hindoeïstische bevolking en diens oorlog tegen het hindoeïstische Hoysalarijk. In 1342 stierf de sultan aan cholera. De nieuwe sultan, Nasiruddin Damghani, stelde enkele schepen ter beschikking zodat Ibn Battuta zijn reis kon vervolgen.

Ibn Battuta bezocht Malabar, Ceylon en Bengalen voor hij uiteindelijk via Sumatra en Cambodja, Zayton (thans Quanzhou) bereikte (circa 1346). Hij beweerde ook via het Grote Kanaal naar Cambaluc (Peking) gereisd te zijn, maar dit deel van de reis wordt door moderne historici als verzonnen beschouwd. Via Calicut, Hormuz, Bagdad, en Caïro, bereikte hij voor de vierde maal Mekka. Daarna keerde hij, met nog een bezoek aan Sardinië, terug naar Marokko, waar hij aankwam in 1349, bijna 25 jaar na zijn vertrek.

In 1350 maakte Ibn Battuta nog een tocht naar Andalusië, waar de islamitische heersers bedreigd werden door koning Alfons XI van Castilië; deze stierf echter aan de pest, en Ibn Battuta bezocht rustig Valencia en Granada in plaats van tegen de christenen te vechten.

In 1352-1354 maakte Ibn Battuta zijn laatste reis. Hij stak de Sahara over naar de Niger, en bezocht het Koninkrijk Mali en Timboektoe. Hierna keerde hij terug naar Fez in Marokko, waar hij verder verbleef als qadi, en in 1368 of 1369 stierf. Ook 1377 wordt als sterfjaar opgegeven.

Ibn Battuta liet zijn reizen optekenen in een boek met de titel Rihla (Reizen). Lange tijd waren hiervan slechts delen bekend, maar in de 19e eeuw (1818) werd het geheel gevonden, en in 1853-1858 werd het gepubliceerd in het Arabisch met een Franse vertaling. Sindsdien is Ibn Battuta een bekend figuur in zowel de Islamitische wereld als de Westerse wereld. Een Nederlandse bewerking van zijn reisverhaal verscheen in 1997.[2]

Legenden[bewerken]

In zijn reisverhaal beschrijft Ibn Battuta een paar merkwaardige voorvallen. Zo bezocht hij in de Nijldelta een waarzegger. Die nacht heeft Ibn Battuta een droom en de volgende ochtend voorspelt de waarzegger dat Ibn Battuta veel verder zal reizen dan Mekka. Ook voorspelt hij dat Ibn Battuta in India gered zal worden uit een gevaarlijke situatie. Later in India, als hij als ambassadeur op weg is en de groep overvallen wordt, verbergt hij zich in een grot. Na drie dagen is hij zo uitgeput dat hij niet meer kan lopen maar wordt hij door zijn redder naar een dorp gedragen. Als hij daar wakker wordt is zijn redder verdwenen.

In China bezoekt hij een kluizenaar in een grot. De kluizenaar vertelt hem dat ze elkaar al eerder hebben ontmoet in een tempel in India en beschrijft een ontmoeting waar hij Ibn Battuta tien gouden munten geeft.[3]

Vernoemingen[bewerken]

De luchthaven van Tanger is naar Ibn Battuta vernoemd. Verder is er in Dubai de Ibn Battuta Mall, die ingericht is naar de verschillende locaties die Ibn Battuta bezocht. Op de Maan is een krater naar hem vernoemd.