Kleurenleer van Goethe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De kleurenleer van Goethe ("Zur Farbenlehre") is een natuurwetenschappelijk werk van Johann Wolfgang von Goethe, verschenen in het jaar 1810.

Kleurencirkel, in waterverf van Goethe, 1809, Origineel: Freies Deutsches Hochstift – Frankfurter Goethe-Museum

Goethe wijdde een groot deel van zijn leven aan de bestudering van kleuren en andere natuurwetenschappelijke verschijnselen. Hoewel Goethe vooral als dichter bekend is geworden, zag hij zelf zijn natuurwetenschappelijke werk als zijn grootste verdienste. Tegen zijn vriend en medewerker Johann Peter Eckermann zei Goethe aan het einde van zijn leven:

Aanhalingsteken openen

Auf Alles was ich als Poet geleistet habe, bilde ich mir gar nichts ein. [...] Daß ich aber in meinem Jahrhundert in der schwierigen Wissenschaft der Farbenlehre der Einzige bin, der das Rechte weiß, darauf tue ich mir etwas zu gute. (19 februari 1829).
Over alles wat ik als dichter gepresteerd heb beeld ik mij helemaal niks in. [...] Maar dat ik in mijn eeuw in de moeilijke wetenschap van de kleurenleer de enige ben die het juiste weet, dat verschaft mij genoegen.

Aanhalingsteken sluiten

Ook sprak hij:

Aanhalingsteken openen

Es gereut mich auch keineswegs daß [ich die Farbenlehre geschrieben]; obgleich ich die Mühe eines halben Lebens hinein gesteckt habe. Ich hätte vielleicht ein halb Dutzend Trauerspiele mehr geschrieben, das ist alles und dazu werden sich noch Leute genug nach mir finden. (1 februari 1827)
Het spijt me op geen enkele manier dat [ik de kleurenleer geschreven]; hoewel ik er de moeite van een half leven in gestoken heb. Ik had misschien een half dozijn treurspelen meer geschreven, dat is alles en bovendien zullen er nog genoeg mensen na mij komen.

Aanhalingsteken sluiten

Licht en donker[bewerken]

De vergelijking door Louis Bertrand Castel in 1740, van de beschrijving van de spectrale kleuren volgens Isaac Newton (boven) en daaronder Castels verklaring van de interactie van licht en duisternis, die door Goethe verder is ontwikkeld volgens zijn kleurenleer
Eerste en tweede regenboog te Vierhouten met donkere band van Alexander ertussen.

Goethe gaat uit van direct waarneembare verschijnselen: fenomenen. Het is een kleurenleer, geen theorie over kleuren. Hoewel de huidige wetenschap duisternis beschouwt als de afwezigheid van licht, ziet Goethe duisternis als een polaire tegenhanger van licht. Op deze dualiteit van licht en duisternis heeft Goethe zijn kleurenleer opgebouwd. Kleuren ontstaan volgens Goethe in de "strijd", de "ontmoeting" of "wisselwerking" van licht en donker.

Volgens Goethe zijn er twee basiskleuren: hemelsblauw (cyaan) en geel. Cyaan ontstaat door de aanschouwing van donker door het licht heen, zoals we overdag de hemel zien ('s nachts is die zwart, maar als de atmosfeer overdag door zonlicht iets wordt verlicht, nemen we die zwarte hemel als hemelsblauw waar). Andersom ontstaat geel door de aanschouwing van licht door het donker heen, zoals we het "witte" zonlicht waarnemen door de relatief donkere atmosfeer. Deze beide kleuren zijn oerfenomemen: fenomenen die niet tot andere fenomenen te herleiden zijn. Dat betekent dat ze dus voor onze ogen echt ontstaan als "ver-schijnsel" (van verschijnen) en dat ze daarvoor dus niet aanwezig waren. Hij stelde dat hetzelfde "verschijnsel" zichtbaar is bij een kaarsvlam in een donkere ruimte: hemelsblauw wanneer men door de vlam de donkere ruimte erachter waarneemt (onderaan de vlam) en geel, daar waar de verbranding het meest intens is (in de kern). Door bovenstaande waarnemingen kwam Goethe tot de conclusie, dat kleuren ontstaan door de wisselwerking van licht en donker. Anders gezegd: door vertroebeling van licht door donker enerzijds (geel dus) of vertroebeling van donker door licht anderzijds (blauw dus).

Intensivering[bewerken]

Vanuit de polariteit van de oerfenomenen van cyaan en geel, welke dus ontstaan uit de eerste ontmoeting van het licht en de duisternis, verklaarde Goethe de andere kleuren. Dat gebeurt door intensivering ("Steigerung"). Bij een intensivering van geel verschijnt de kleur rood. De ondergaande zon wordt rood als het witte licht door meer atmosfeer gaat, als er dus meer interactie is met de duisternis. Bij intensivering van blauw ontstaat violet: donker violet aan de oostelijke hemel tegenover de ondergaande rode zon, of het licht violet van de hemel hoog in de bergen. Door de grotere interactie van de duisternis met het licht. Ook kan men dit waarnemen aan de regenboog. Rood grenst aan de donkere zijde en violet aan de lichte zijde, zowel aan de eerste als ook aan de tweede regenboog. Zie de donkere band van Alexander. Ook bij de iris of het regenboogvlies van het oog is dat bij nauwkeurige waarneming naast de eigen kleur van het oog tussen het wit van het oog en de donkere pupil te zien. Zie ook hieronder bij de prismatische experimenten.

Aanhalingsteken openen Rot nehmen wir also vorerst als keine eigene Farbe an, sondern kennen es als eine Eigenschaft, welche den Gelben und Blauen zukommen kann. Rot steht weder dem Blauen als dem Gelben entgegen; es entsteht vielmehrs aus ihnen; es ist ein Zustand, in den sie versetzt werden können, und zwar wie wir hier vorläufig sehen, durch Verdichtung und durch Aufeinander drängung der Teile.
Rood kennen we niet als een zelfstandige kleur, maar als een eigenschap die bij geel en blauw past. Rood staat tegenover blauw noch geel, het onstaat juist uit beide. Het is een toestand waarin ze geplaatst kunnen worden, zoals we voorlopig zien, door verdichting en vervorming van de delen.
— Goethe
Aanhalingsteken sluiten

Geel verandert door intensivering in rood. Cyaan wordt door intensivering violet.

Hiermee gaf Goethe tevens de gevoelservaring aan, die innerlijk opgewekt wordt bij de mens. Een innerlijk fenomeen dus, tenminste voor de mens die zijn gevoel niet onderdrukt. Bijvoorbeeld de ervaring van warme en koude kleuren. Goethe luisterde bij de ontwikkeling van zijn kleurenleer ook veelvuldig naar kunstschilders, hoe zij de kleuren (psychologisch) ervoeren. De warme kleuren (geel, orange en rood) komen volgens hem van de zijde van het (warme) licht. De koude kleuren (cyaan, blauw en violet) komen van de zijde van de (koude) duisternis. De geelachtige kleuren en de blauwachtige kleuren worden in een kleurencirkel verbonden door groen en tevens aan de geintensifieerde zijde door magenta (door Goethe purper genoemd). Groen werd beschouwd als harmonisch en neutraal, als de groene natuur van de vegetatie, warm noch koud, tussen de oerfenomenen blauw en geel in. Magenta zag hij als een kleur die zowel warmte als koude in zich draagt, inliggende tussen de geïntensiveerde kleuren rood en violet. Het is de kleur magenta die als synthese van geïntensiveerde kleuren van de duistere en de lichte zijde, door sommigen als transcendent ervaren wordt.

Schematisch kunnen deze kleuren in een soort davidster weergegeven worden door twee gelijkzijdige driehoeken in elkaar:

  • een driehoek met de punt omhoog: links onder cyaan, rechtsonder geel, boven magenta.
  • een driehoek met de punt omlaag: links boven violet, rechtsboven rood, onder groen.

De bovenste driehoek zijn de primaire kleuren zoals in de subtractieve kleurmenging dient te worden gebruikt (zoals bij kleurendruk en schilderen). De onderste driehoek zijn de basiskleuren zoals bij additieve kleurmenging dient te worden gebruikt (zoals bij televisie of beamer). De kleuren die tegenover elkaar staan zijn complementaire kleuren. Bovenaan ziet men deze davidster in cirkelvorm door Goethe geschilderd, met daarin de menselijke gevoelswaarden.

In de moderne kleurendruktechniek worden de subtractieve kleuren gebruikt. Uit deze drie kleuren kunnen in principe alle kleuren worden gesynthetiseerd. Daarom krijgt men altijd het advies om naast (cyaan)blauw en geel, niet rood (volgens Johan Itten zoals geleerd op school) te nemen bij het schilderen. Men adviseert dan "diep-roze" omdat het "beter werkt" dan rood. Men bedoelt dan magenta en weet eigenlijk niet dat dit een referentie is naar de kleurenleer van Goethe.

Prismatische experimenten[bewerken]

Licht spectrum
Donker spectrum
Donker en licht spectrum
links: donker tegen lichte achtergrond
rechts: licht tegen donkere achtergrond

Wanneer een straal licht een prisma passeert, zal het prisma een licht spectrum projecteren, overeenkomend met de kleuren van de regenboog. Dit is het beste zichtbaar in camera obscura-opstelling in een donkere ruimte, waarbij het gat zich tussen de lichtbron en het prisma bevindt. Aan de andere kant van het prisma is vanaf een zekere afstand het spectrum zichtbaar. Houdt men het projectiescherm te dicht bij het prisma, dan zijn alleen geel en rood aan één zijde, en cyaan en violet aan de andere zijde te zien: de middenkleuren groen (of magenta in het donkere spectrum) ontbreken dan. Een donker spectrum ontstaat juist door in een lichte kamer licht te blokkeren door vóór het prisma een object te plaatsen dat een straal schaduw werpt. Het prisma laat dan een spectrum zien dat complementair is aan dat van de regenboog, met in het midden magenta in plaats van groen.

Bij een licht spectrum in de "donkere" kamer: neemt men waar dat eerst vanuit de kanten van de lichtstraal en het donker aan de ene kant rood en aan de andere kant violet ontstaan. Verder weg in de lichtstraal ontstaan naast rood het geel en naast violet het cyaan. Nog verder weg mengen deze kleuren zich tot groen in het midden.

Bij een donker spectrum in de "lichte" kamer: neemt men waar dat eerst vanuit de kanten van de "duistere straal" (als verschijnsel, fenomeen) en het licht aan de ene kant het geel en aan de andere kant het cyaan ontstaan. Verder weg in de "duistere straal" ontstaan naast geel het rood en naast blauw (cyaan) het violet. Nog verder weg mengen deze kleuren zich tot magenta in het midden.

Goethe verwijst in zijn historisch overzicht naar een artikel van Louis Bertrand Castel uit 1740. Daarin komt het verschil tussen breking en licht-donker dualiteit goed tot uiting (zie afbeelding). Volgens Newton wordt het witte licht "gebroken" in zeven kleuren: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo, violet. Een verondersteld continue gebeuren van uiteengaan van kleuren in verschillende ruimtehoeken. De daarentegen juiste waarneming van Louis Castel daaronder, laat zien hoe de kleuren ontstaan vanuit de overgang van licht en duister zoals hierboven beschreven. Deze kleurverschijnselen kan iedereen waarnemen en zijn de basis van Goethe's kleurenleer. Goethe nam waar dat uit de combinatie van het lichte en het donkere spectrum een kleurencirkel kan ontstaan. De beide mengkleuren groen en magenta, die complementair aan elkaar zijn, verbinden dan de beide eindige spectra tot een oneindige harmonische cirkel. In deze cirkel staan de kleuren: geel, groen, cyaan, violet, magenta en rood. De uitersten in deze opsomming passen weer naast elkaar, je kan niet van een begin en eind spreken. Bij Newton is dat wel het geval: zijn kleuren komen overeen met de golflengteschaal van het licht.

De innerlijke fenomenen, zielekrachten[bewerken]

Genoemd is hiervoor al de ervaring van koude en warme kleuren vanuit de duisternis en het licht. In de kleurencirkel bovenaan rechts staan andere innerlijke gevoelens die volgens Goethe bij die kleuren horen. Aan de kleur magenta, die dus niet in de lichte regenboog voorkomt, wordt door sommigen een speciale betekenis toegekend. Bij de rooms katholieken wordt magenta (purper) gebruikt voor de Advents- en de Vastentijd, op Goede Vrijdag, op boete- en voorbereidingsdagen alsmede bij begrafenissen. De naam magenta komt van het dorpje Magenta nabij het slagveld dat "rood" (magenta dus) zag van het bloed. Volgens Goethe draagt magenta de gevoelswaarde van zowel warm als koude tegelijk. Vandaar de relatie met het menselijk bloed qua kleur en de gevoelens van het hart dat het bloed doet stromen.

Volgens Goethe was er niets zo volmaakt als wit licht (heel kan men ook zien als synoniem voor heilig). Zijn leer sluit aan bij de symboliek van de tegenstelling licht en duisternis (goed en kwaad, vreugde en verdriet enz.). Als fenomeen betrekt hij daar dan ook de psychologisch werking op het gevoel bij, ofwel de "stemming" die het in de "ziel" opwekt. Dus zowel objectie als subjectief.

Goethe heeft het dus niet over een reductionistische theoretische beschouwing van uitsluitend uiterlijk zichtbare kleuren, zoals die men die tegenwoordig kent als trillende energie van een bepaalde frequentie of golflengte. Dat zijn abstracties, net zoals men wit licht kan zien als een stochastische beweging van energie, in plaats van opgebouwd uit een aantal vaste frequentie's. Wiskundig kan men met fouriertransformatie's dit wel in elkaar omrekenen, maar het diepere wezen van het witte licht blijft toch verborgen. Dat kan men zich enigszins realiseren omdat sterrenlicht van verschillende sterren ook onderling verschillend is. De wisselwerking van energie en materie (licht en duisternis) van elke ster wordt mede gedeeld door zijn "eigen" uitgestraalde licht. Daarom heeft elke ster in zijn lichtspectrum zijn eigen "handtekening" ofwel zijn eigen "individuele heelheid".

In zijn autobiografische roman "Dichtung und Wahrheit" maakte Goethe meermalen melding van zijn bijzondere waarnemingsvermogen. Overigens werkte hij als vrijmetselaar o.a. met lichtsymboliek. Centraal staat daar "het licht dat schijnt in de duisternis", de bijbel opgeslagen op het Johannes evangelie. [1] "En de duisternis heeft het niet begrepen, en het licht is het leven der mensen."

In het hoofdstuk Allegorischer, symbolischer, mystischer Gebrauch der Farbe beschrijft Goethe hoe uit de oerfenomenen geel en blauw met zijn intensivering in rood (en de tegenhanger violet) en de vereniging daarvan (in magenta en groen), een derde transcendent duaal gevoelsfenomeen bij de aanschouwing ontstaat. Goethe beriep zich hierbij op theosofische leringen en natuurfilosofie die in zijn jeugd centraal stonden, zoals de lering van Elohim (god der goden) (ziele eigenschap van magenta: schoonheid, rede en fantasie) en zijn duale schaduwprojecties in de mens/ natuur, (complementair aan magenta dus groen: natuur, verstand en sensualiteit).

Aanhalingsteken openen Wenn man erst das Auseinandergehen des Gelben und Blauen wird recht gefaßt, besonders aber die Steigerung ins Rote genugsam betrachtet haben, wodurch das Entgegengesetzte sich gegeneinander neigt, und sich in einem Dritt en vereinigt, dann wird gewiß eine besondere geheimnisvolle Anschauung eintreten, daß man diesen beiden getrennten, einander entgegengesetzten Wesen eine geistige Bedeutung unterlegen könne, und man wird sich kaum enthalten, wenn man sie unterwärts das Grün und oberwärts das Rot hervorbringen sieht, dort an die irdischen, hier an die himmlischen Ausgeburten der Elohim zu gedenken. Doch wir tun besser, uns nicht noch zum Schlusse dem Verdacht der Schwärmerei auszusetzen, um so mehr als es, wenn unsre Farbenlehre Gunst gewinnt, an allegorischen, symbolischen und mystischen Anwendungen und Deutungen, dem Geiste der Zeit gemäß, gewiß nicht fehlen wird
Als men eerst geel en blauw goed scheidt om vervolgens vooral de intensivering naar het rood goed te aanschouwen, waarbij het tegengestelde er tegenover komt te staan en zich in een derde verenigt, dan zal men zeker een bijzondere en geheimzinnige intuïtie gewaarworden, wat een geestelijke betekenis heeft. Het is moeilijk te bevatten dat wanneer men aan de onderkant rood en aan de bovenkant groen ziet ontstaan, daar aan het aardse, het hier aan de hemelse scheppingen van Elohim doet denken. Maar we doen er beter aan om ons niet over te geven aan fanatisme, temeer omdat indien onze kleurenleer de voorkeur verkrijgt op gebied van allegorische, symbolische en mythische toepassingen en intepretaties, de tijdsgeest niet mag ontbreken.
— Goethe
Aanhalingsteken sluiten

Goethe's leer niet geaccepteerd[bewerken]

Toch hadden en hebben weinigen waardering voor Goethes natuurwetenschappelijke werk. In het algemeen accepteert de wetenschap de leer van Isaac Newton. Newton beschouwde wit licht als combinatie van verschillende kleuren, welke middels een door een prisma veroorzaakte lichtbreking zichtbaar gemaakt kunnen worden. Op alle scholen, behalve op de vrije school volgens Rudolf Steiner[2], onderwijst men die theorie van Newton en tevens de kleurencirkel van Johannes Itten.

Een verklaring voor het vele onbegrip kan zijn, dat Newtons leer naadloos past in het huidige wetenschappelijk materialistische paradigma. Het huidige paradigma heeft tot resultaat dat men Goethes kleurenleer uitsluitend vanuit zuiver fysisch oogpunt benadert. Goethes methode wijkt echter af van deze benadering, hij gaat uit van de totale feitelijk zintuiglijke waarneembare verschijningsvorm als fenomeen. Hij beschrijft datgene wat ieder mens met zijn zintuigen kan waarnemen, maar doet dat zeer zorgvuldig. Goethe gaat dan niet over tot een fysische verklaring, hypothese of theorie.

Goethe nam een prisma maar hij zag geen kleuren ontstaan terwijl Newton vastgesteld had dat een prisma het witte licht breekt in kleuren. Dat klopte dus niet met zijn eigen experiment. Goethe deed het experiment echter waarschijnlijk op een mistige dag en niet in de donkere kamer. Goethe was het daarom grondig oneens met de leer van Newton. Nauwkeurig herhaalde Goethe de experimenten van Newton en beschreef volledig en precies de waargenomen verschijnselen. Dus puur fenomenologisch als volgt: De zon scheen door een gaatje van de "donkere kamer". Daardoor was er een duidelijk afgebakende lichtstraal in de duisternis van de donkere kamer. Uitsluitend en alleen wanneer die straal licht én tevens de rand(en) van de lichtstraal beiden door het prima vielen ontstonden kleuren. Goethe was het met Louis Bertrand Castel eens dat de kleuren ontstonden op de scheiding van de lichtstraal en de duisternis. Qua kleuren (geel een cyaan) was dat geheel in overeenstemming met de verschijnselen die hij vaststelde aan bij de gele zon en het hemelsblauw. Hij stelde vast: er dient zowel licht als duisternis als oorsprong te zijn, er dient een "troebel medium" te zijn, de atmosfeer of het glas van het prisma. Daardoor kan er een interactie tussen het licht en de duisternis plaatsvinden. In volledig licht in leegte of volledige duisternis is dat onmogelijk. In die vermenging van licht en duisternis in een troebel medium ontstaat kleur. Dat troebel medium kan een gas, een vloeistof of vaste stof zijn: lucht, water en glas.

Goethe wijst op het feit dat Newton ten oprechte een "theorie" bouwt op prismatische experimenten. Dat wil niet zeggen dat de theorie van Newton onjuist zou zijn, maar het is een speculatief verklaringsmodel gebouwd op onjuiste waarnemingen. Dat wil niet zeggen dat de lichtbreking van stralen licht van een bepaalde kleur niet zou bestaan: dat is ook als fenomeen waar te nemen. Maar de oorzaak van de lichtbreking van verschillende kleuren licht is onkenbaar. Tegenwoordig zijn daar vele opvattingen over, zie afleidingen van de brekingswet. Auteur Ruud van Renesse beschouwde de theorie van het lichtbreking als bewijs dat wit licht opgebouwd is uit kleuren, als een drogreden. Dat is iets anders dan dat licht van een bepaalde kleur niet "gebroken" of "afgebogen" wordt.

Sommige moderne natuurwetenschappers (onder andere Henri Bortoft[3] en Reinhold Sölch[4]) krijgen weer meer begrip voor Goethes kleurenleer. Een duidelijke standpunt over de controverse tussen Goethe en Newton komt van de kleurenwetenschapper R.L. van Renesse[5].

Zie ook[bewerken]