Vrijeschoolonderwijs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Michael Park Rudolf Steiner School in Auckland

De vrijeschool (Nederland) of steinerschool (Vlaanderen) is een school voor kleuter- en basisonderwijs (onderbouw) en voortgezet onderwijs/secundair onderwijs (bovenbouw), gebaseerd op de antroposofische opvattingen van Rudolf Steiner. Een internationaal ingeburgerde naam voor dit soort onderwijs is waldorfschool. De vrijeschool krijgt in Nederland de denominatie, de levensbeschouwing of godsdienst die een school uitdraagt, antroposofisch. Als pedagogische richting wordt ze bestempeld als 'Vrije school'.[1] In Vlaanderen worden de steinerscholen ingedeeld bij het methodeonderwijs, met als pedagogische richting 'Steinerpedagogie'(ASO) of 'Duurzaam wonen' (BSO).

Geschiedenis[bewerken]

Rudolf Steiner in 1905

In 1919 kreeg Steiner in Stuttgart de leiding over de “Freie Waldorfschule”, opgezet door de fabrikant Emil Molt, eigenaar van de sigarettenfabriek Waldorf-Astoria, om de arbeiders en de directeuren nader tot elkaar te brengen. De Freie Waldorfschule is tevens ontstaan als uitloper van de sociale driegeleding, een door Rudolf Steiner opgerichte, politiek georiënteerde beweging waarvan Emil Molt een vooraanstaand lid was. De sociale driegeleding onderscheidt in de maatschappij drie levenssferen: 1. het geestesleven (cultuur), 2. het rechtsleven, en 3. het economisch leven. Het geestesleven omvat het culturele leven waartoe onder meer religie, wetenschap, kunsten, en opvoeding gerekend worden. Het 'vrij' in vrijeschoolonderwijs betekent dat het culturele leven zich in vrijheid moet kunnen ontwikkelen met een eigen ordening en inrichting. De staat of het bedrijfsleven dienen zich volgens Steiner niet met het onderwijs te bemoeien. In de antroposofie wordt, naast de vrijheid in het culturele leven, broederschap (solidariteit) gezien als de ideale grondslag van het economische leven en (rechts)gelijkheid als het hoogste ideaal binnen het recht. Naar het voorbeeld van de Stuttgartse Freie Waldorfschule werd in 1923 in Den Haag de eerste vrijeschool opgericht. De eerste Belgische steinerschool ging in Antwerpen - met de hulp van aan de vrijeschool van Den Haag verbonden Nederlandse antroposofen - van start in 1954.

Nederland[bewerken]

De eerste Nederlandse school op antroposofische basis, de in 1923 opgerichte Vrije School Den Haag, neemt binnen de antroposofische beweging een bijzondere plaats in. De Haagse vrijeschool kreeg bij de oprichting niet alleen hulp van Rudolf Steiner, maar ook van de Vorstand, het bestuur van de hoofdzetel van de Antroposofische Vereniging in het Zwitserse Dornach. Ook het bestuur van de Antroposofische Vereniging in Nederland was nauw betrokken bij de oprichting van de school. Op aangeven van Rudolf Steiner werd Henri Zagwijn tot directeur van de school benoemd. Tot de pioniers van de Haagse vrijeschool behoorden enkele prominente antroposofen, onder anderen: Daniel van Bemmelen en zijn echtgenote Emmy Smit, Elisabeth Vreede, Elisabeth Mulder,Max Stibbe, Willem Zeylmans van Emmichoven. De pioniers van de Haagse vrijeschool zijn later betrokken bij de totstandkoming van de eerste Belgische steinerschool.

Vlaanderen[bewerken]

Het initiatief voor de oprichting van het steineronderwijs in Vlaanderen speelt zich af onder impuls van de Edegemse notaris Emile Gevers in de periode 1948-1954, ongeveer gelijktijdig met de Tweede Schoolstrijd. Formeel niet gebonden aan of verbonden met een politieke of religieuze strekking krijgt de zichzelf pluralistisch noemende steinerschool in 1954 - op het hoogtepunt van de schoolstrijd - groen licht van de toenmalige CVP-regering om in Antwerpen een school op te richten en wordt zo een kleine speler op de onderwijsmarkt. Voor de opening van de school zijn vanuit verscheidene Europese landen bekende namen uit de antroposofische beweging naar Antwerpen gekomen. Uit Duitsland Herbert Hahn en Ernst Lehrs, Werner Pache uit Zwitserland en Wilhelm Rath uit Oostenrijk. Maar vooral de Nederlanders waren sterk vertegenwoordigd: Willem Zeylmans van Emmichoven, Bernard Lievegoed, Max Stibbe, Frits Julius, Matthieu Laffree, Kees Van Der Linden, Daan van Bemmelen en Wim Veltman zijn enkele van de meest markante figuren. Van Bemmelen zal de Antwerpse steinerschool nog jaren op de voet volgen. In 1971 wordt tevens in Antwerpen de Parcivalschool opgericht, een school voor buitengewoon (Nl, speciaal) onderwijs, specifiek voor leerlingen van steinerscholen met leerproblemen.

Het duurt nog 22 jaar, tot 1976, voor een tweede Belgische steinerschool ontstaat, de Sterrendaalders Lier. Vanuit de steinergemeenschap ontstaan nu meer en meer initiatieven die tot de oprichting van antroposofische scholen leiden. Aanvankelijk in enkele provinciehoofdsteden: Gent (1978), Brugge (1979), Leuven (1982), later ook in kleinere steden en gemeenten. Momenteel telt Vlaanderen 18 vestigingen in kleuter-en basisonderwijs en 6 vestigingen voor het voortgezet (middelbaar) onderwijs.[2]

Hibernia Arrest[bewerken]

In de periode 1995-1997 dwingen de steinerscholen via gerechtelijke weg het recht af om voor hun onderwijs specifieke, van het reguliere onderwijs afwijkende leerplannen, ontwikkelingsdoelen en eindtermen te gebruiken.[3] Het recht op vrijheid van onderwijs is middels het zogenaamde Hibernia-arrest (1997)[4] afgedwongen, wat toenmalig minister van Onderwijs Luc Van den Bossche ertoe doet besluiten de gangbare eindtermen dusdanig te vereenvoudigen dat ze de grootst mogelijke vrijheid van onderwijs inhouden.[5]

Wallonië[bewerken]

In tegenstelling tot het steineronderwijs in Vlaanderen vindt dit onderwijs in Wallonië weinig tot geen weerklank. Wallonië telt 4 vestigingen waar kleuteronderwijs volgens de steinerpedagogie kan worden gevolgd, waarvan 2 vestigingen ook basisonderwijs aanbieden. Van 1999 tot 2006 heeft de Franse Gemeenschap van België in dispuut gelegen met de antroposofische beweging over de perceptie van de antroposofie door die Franse Gemeenschap.[6]

Pedagogiek[bewerken]

De 'G' van gans
De 'K' van koning
De Vrije School in Utrecht
Klaslokaal van een vrijeschool

De vrijeschool gaat uit van wat volgens Steiner de intrinsieke ontwikkeling is van het kind. Er is, aldus Steiner, een diep van binnenuit komende “zielekracht” die het kind zijn of haar eigen en unieke ontwikkeling doet doormaken. Het onderwijs dient hierbij stimulerend en ondersteunend te zijn. Een belangrijk element bij deze ontwikkeling vormt de ziel. Deze van oorsprong uit de geestelijke wereld stammende kern van het menszijn is de drijvende kracht achter de persoonlijke, individuele, gefaseerde ontwikkeling (7-jaarscycli). De ziel is op aarde gekomen, volgens Steiner, om “lessen te leren”. Alles wat de mens meemaakt aan intensieve aardse ervaringen vormt een levensles die opgenomen wordt in het totaal aan leerervaringen. Dit totaal is bepalend voor de geestelijke ontwikkeling waarmee de mens verder gaat (overgaat of sterft). In een volgend leven kan de les worden voortgezet, of kunnen correcties worden aangebracht. Dit grijpt terug op de van oorsprong hindoeïstische leer van het karma.

De vrijeschool begeleidt het opgroeiende kind in de eerste drie van de door Steiner beschreven fasen van levenslessen. Daarbij is de aandacht voor de intellectuele ontwikkeling aanvankelijk slechts een onderdeel van de pedagogiek naast aandacht voor de ontwikkeling van het voelen en de wil. Vrije kunsten zoals muziek, bewegingskunst (euritmie), handenarbeid bijvoorbeeld boetseren met klei, handwerken en schilderen met aquarelverf, toneelspelen, declamatie en (voor-)lezen van bijvoorbeeld sprookjes, mythen en sagen worden evenzeer belangrijk gevonden, naast standaardvakken als lezen, schrijven en rekenen.

Verschil in opleiding[bewerken]

Vrijescholen zijn antroposofisch gedenomineerd maar worden in Nederland beschouwd als algemeen bijzonder onderwijs, niet als confessioneel bijzonder onderwijs. Het uitgangspunt is dat onderwijs ook opvoeden is, waarbij de aanname is dat men zich daarmee onderscheidt van andere (in vrijeschooljargon "reguliere") scholen. Op "regulier" onderwijs wordt in vrijeschoolkringen vaak neergekeken; men ziet zichzelf als meer spiritueel ontwikkeld.

De vrijeschool vergeleken met confessioneel bijzonder onderwijs[bewerken]

In het vrijeschoolonderwijs is de religieus-spirituele grondslag niet een aanvulling op het lesprogramma maar het uitgangspunt van de inhoud van het lesprogramma. Een overeenkomst met confessioneel bijzonder onderwijs is dat er vaak weinig tot geen ruimte is om de religieus-spirituele grondslag en de praktische implementatie daarvan ter discussie te stellen[7].

De vrijeschool vergeleken met algemeen bijzonder onderwijs[bewerken]

De vrijeschool onderscheidt zich van andere algemeen bijzondere scholen doordat niet alleen de lesmethode maar ook de inhoud van de lesstof geheel gebaseerd is op de ideeën van de grondlegger, Rudolf Steiner. Steiners ideeën worden van groter belang geacht dan wetenschappelijke inzichten, maatschappelijke omstandigheden of wettelijke kaders. Dat bleek onder andere uit de racismekwestie die voornamelijk in het laatste decennium van de vorige eeuw speelde.[8] Slechts na grote externe druk was men bereid te erkennen dat sommige van Steiners ideeën naar huidige maatstaven racistisch zijn. Men leek grote moeite te hebben met de onderliggende implicatie, namelijk dat Steiner niet onfeilbaar was. Steiner was een bewonderaar van de Duitse dichter Johann Wolfgang von Goethe. Niet alleen het literaire werk van Goethe genoot Steiners belangstelling maar ook diens meer filosofisch-wetenschappelijk getinte werk. Die bewondering speelt in de inhoud van het huidige vrijeschoolonderwijs nog steeds een grote rol.

Steiners inhoudelijke invloed[bewerken]

Onder andere op de volgende punten is de invloed van Steiner merkbaar in de inhoud van het vrijeschoolonderwijs:

  • Het vak aardrijkskunde beperkt zich grotendeels tot fysische geografie. Voorzover antropologische onderwerpen aan de orde komen is dat vaak in de vorm van clichematige stereotyperingen: "Italianen hebben gevoel voor design".
  • De kleurenleer van Goethe wordt behandeld bij het vak natuurkunde in plaats van bij de creatieve vakken. Goethes kleurenleer wordt daarbij gepresenteerd als wetenschappelijk gelijkwaardig alternatief voor moderne optica.
  • De alchemie wordt behandeld bij het vak scheikunde in plaats van bij geschiedenis. Alchemie wordt daarbij gepresenteerd als wetenschappelijk gelijkwaardig alternatief voor moderne scheikunde.
  • Bij geschiedenis is veel aandacht voor de klassieke oudheid, waarbij het onderscheid tussen geschiedenis en mythologie niet altijd scherp is
  • Bij wiskunde wordt veel aandacht besteed aan meetkunde, met name de Platonische lichamen komen uitgebreid aan bod. Deze aandacht voor meetkunde gaat ten koste van statistiek- en kansrekeninggerelateerde onderwerpen.
  • Voor economie had Steiner niet veel belangstelling, en derhalve de vrijeschool ook niet.

Indeling[bewerken]

De bovenbouw wordt onderverdeeld in de middenbouw en bovenbouw. De klassennummering loopt vanaf de eerste klas van de onderbouw door tot het laatste jaar van de bovenbouw. De onderbouw loopt van klas 1 (groep 3 op de ‘reguliere’ Nederlandse school of het eerste leerjaar basisonderwijs in een Vlaamse school) tot en met klas 6. Daarna gaat het kind naar de middenbouw (klas 7 en 8), bedoeld om het kind een veilige overgang te laten maken van onderbouw naar bovenbouw. Na de middenbouw volgt de bovenbouw met klas 9 tot en met klas 12. Het is in Nederland mogelijk op een vrijeschool een vmbo-t-diploma, een havodiploma, of een vwo-diploma te halen, al wordt bij het behalen van een vmbo-t-diploma het vrijeschooltraject niet afgerond.[bron?]

In Vlaanderen kan een diploma Algemeen Secundair Onderwijs in de richting Steinerpedagogie of een diploma Beroeps Secundair Onderwijs in de richting Duurzaam Wonen worden behaald.

Toezichtkaders Inspectie van het Onderwijs[bewerken]

Nederland[bewerken]

Anno 2015 voldoet 95% van de Nederlandse vrijescholen [9] in het primair onderwijs aan de toezichtkaders van de Inspectie van het Onderwijs. Vrijescholen in het voortgezet onderwijs voldoen bijna allemaal aan de toezichtkaders. Enkel het Bernard Lievegoed College in Maastricht wordt door de Onderwijsinspectie als zwak bestempeld. De overige scholen staan onder basistoezicht en genieten daarmee het vertrouwen van de Onderwijsinspectie. Als een school geen risico's voor de kwaliteit van het onderwijs loopt en de wet- en regelgeving wordt nagekomen, krijgt ze zogenoemd basistoezicht. [10] In 2007 uitte de Inspectie van het Onderwijs nog kritiek op vrijescholen in het rapport De kwaliteit van het onderwijs op (zeer) zwakke vrijescholen in het basisonderwijs. [11]

Vlaanderen[bewerken]

In Vlaanderen ligt het aantal steinerscholen dat niet voldoet aan de kwaliteitseisen van Onderwijsinspectie procentueel hoger dan in Nederland. De steinerscholen voor voortgezet onderwijs voldoen bijvoorbeeld anno 2015 geen van allen aan de kwaliteitseisen van Onderwijsinspectie en moeten vanaf 06/2015 bewijzen dat ze een verbetertraject afleggen.[2]

Leerrendement[bewerken]

In een onderzoek uit 2009 van de Rijksuniversiteit van Groningen komt naar voren dat vrijescholen in het voortgezet onderwijs op de vakken wiskunde en Nederlands minder goed presteren ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Volgens het onderzoek is dit deels te wijten aan de achterstand die de leerlingen in de onderbouw oplopen en niet meer inhalen.[12] Een onderzoek uit 2013 van de universiteit van Leuven wijst in dezelfde richting. Met name voor wiskunde is de achterstand in de onderbouw opvallend.[13] Leerlingen van steinerscholen die een universitaite studie willen aanvatten kiezen in hun vervolgopleidingen dan ook meer dan gemiddeld voor alfarichtingen zoals geschiedenis en taalwetenschappen, dan voor bètarichtingen zoals wiskunde en natuurwetenschappen.[14]

Uit wetenschappelijk onderzoek aan de universiteit van Antwerpen en de universiteit van Leuven blijkt dat een afstuderende leerling uit het middelbaar steineronderwijs een slechter rapport voorlegt, gemiddeld slechtere resultaten behaalt voor wiskunde en Nederlands[15] en de slaagkansen universitair en hoger onderwijs beduidend lager liggen in vergelijking met leerlingen uit het regulier voortgezet (secundair) onderwijs.[16][17]

Onderzoek[bewerken]

Eind 2013 verscheen een onderzoek van Prof. C.Hueck naar de invloed van het vrijeschoolonderwijs op de gezondheid van leerlingen.[18]

Uit het onderzoek kan de conclusie niet worden getrokken dat vrijeschoolonderwijs een positievere invloed heeft op de gezondheid van leerlingen dan het reguliere onderwijs. 'Our results showed that the prevalence of most widespread diseases including cardiovascular outcomes, diabetes, cancer, depression, COPD and asthma did not differ significantly between former Steiner school attendees compared to adults who attended public schools in childhood.'[19] Bij de perceptie van het onderzoek moet bovendien rekening gehouden worden dat onderzoeker Christoph Hueck als aanhanger van Rudolf Steiner, de grondlegger van de antroposofische school, niet belangeloos is. Hueck is zelf nauw betrokken bij de antroposofische schoolbeweging. Bovendien is hij ook antroposofisch leraar en docent aan een antroposofische hogeschool, Freie Hochschule Stuttgart'.[20]

In januari 2011 kwamen de resultaten van een onderzoek naar bewegen op school in het nieuws [bron?]. Er is al sinds de tijd van Aristoteles een verband merkbaar tussen beweging en concentratie op school [bron?]. Goed, systematisch onderzoek werd er nooit echt gedaan, tot nu toe. Er is bij 12 'gewone' basisscholen begin 2011 een proef gestart om dit verband verder te toetsen. Binnen het vrijeschoolonderwijs is een combinatie van bewegen en leren al vele jaren heel gewoon. Zo wordt bij taalles het gebruik van de komma en de punten in zinnen geoefend door bij een komma te stampen en bij een punt te klappen.

In de antroposofische pedagogiek wordt het leren gezien als iets dat best kan worden uitgesteld tot wanneer het kind schoolrijp is. Volgens de antroposofische leer is dit na de tandenwisseling.

Wetenschappelijk onderzoek heeft reeds in 1986 uitgewezen dat de antroposofische leesdidactiek pseudodyslectie in de hand werkt. Dit is een gebrekkige leesvaardigheid die ontstaat door een verkeerde leesmethode en die op het eerste zicht op dyslectie lijkt.[21]

Organisatie en structuur[bewerken]

Nederland[bewerken]

Nederland kende in 2007 zo'n 95 vestigingen (primair en voortgezet onderwijs) met circa 19.000 leerlingen en 1.500 docenten.[22] Bovenbouwen zijn gevestigd in Amsterdam, Bergen, Den Haag, Eindhoven, Groningen, Haarlem, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Prinsenbeek, Rotterdam, Zeist, Zutphen (twee verschillende scholen zijn gefuseerd tot één school). De meeste van deze scholen zijn aangesloten bij de Vereniging van Vrije Scholen. Ook zijn er vier speciale scholen voor basisonderwijs, zogenaamde tobiasscholen, voor leerlingen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden. In Driebergen bevindt zich de Bernard Lievegoed University, opgericht in 1971 als 'Vrije Hogeschool', een eenjarige opleiding als vervolg op het voortgezet onderwijs. Hogeschool Leiden biedt een pabo- of lerarenopleiding gespecialiseerd in het vrijeschoolonderwijs aan, “Vrijeschool Pabo” genaamd (voorheen Hogeschool Helicon Zeist).

Overheidsbemoeienis[bewerken]

Onder invloed van strenger wordende overheidseisen werd vanaf 2000 een aantal bestuurlijke en inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Per augustus 2000 hebben elf bovenbouwen vier scholengemeenschappen voor vmbo/havo/vwo gevormd. Ook een aantal onderbouwen is een samenwerkingsverband aangegaan of is bestuurlijk gefuseerd. Inhoudelijk betekent het overheidsbeleid dat een aantal door Rudolf Steiner ontwikkelde uitgangspunten moest worden verlaten. Met name het afnemen van toetsen en het differentiëren naar intelligentieniveau vormen concessies ten opzichte van het oorspronkelijke leerplan. Betrokkenen verschillen van mening of dit een goede ontwikkeling is en hoeveel aanpassing een school aankan zonder het vrijeschoolkarakter te verliezen. Individuele scholen proberen op verschillende manieren een nieuwe balans te vinden. Enkele scholen hebben zich tot het uiterste tegen inmenging door de overheid verzet. In 1997 is in Oosterhout (nu Breda) de Staatsvrije vrijeschool Anfortas als particuliere dagschool (z.g. B3-school) opgericht in een poging om zich aan te veel overheidstoezicht te onttrekken. De Onderwijsinspectie beoordeelde deze basisschool in 2007 positief, maar onder de nieuwe beoordelingscriteria die ter goedkeuring aan het parlement zijn voorgelegd, zou deze school een negatief advies krijgen. De inspectie tekent in haar rapport aan “de school wil zich niet verantwoorden”. In Culemborg is sinds 2004 de (uit principe) ongesubsidieerde Staatsvrije vrijeschool De WerfKlas gevestigd.

Was het vrijeschoolonderwijs oorspronkelijk verdeeld in een kleuterschool, een onderbouw (klassen 1 t/m 8) en een bovenbouw (klassen 9 t/m 12), sinds 2000 wordt er gedifferentieerd in basisschool voor vier- tot en met twaalfjarigen (een twee- of driejarige kleuterafdeling en een onderbouw van zes klassen), een middenbouw met een algemeen vormend karakter (klassen 7 en 8) en een bovenbouw waarin – naast een basisaanbod – in zogenaamde profiellessen wordt gedifferentieerd naar examenniveau. Leeftijdsgroepen blijven op die manier zo veel mogelijk bij elkaar, terwijl leerlingen op vmbo-t-niveau aan het einde van de tiende of elfde klas uit- of doorstromen, havo-leerlingen aan het eind van de twaalfde klas en vwo-leerlingen het onderwijstraject aan het einde van het twaalfde leerjaar afsluiten. De Vrije School Den Haag, de Stichtse Vrije School in Zeist en de Vrije School Zutphen doen dit voor wat het vmbo-t-traject betreft op basis van het Ivo-proevensysteem.[23] Er bestaat geen uniformiteit tussen vrije scholen in Nederland, iedere school is vrij het onderwijs op zijn eigen manier in te vullen en op eigen wijze aan overheidsnormen te voldoen.[24] Het Bergense Adriaan Roland Holstcollege heeft tot het schooljaar 2008/9 weten vast te houden aan het oude model van gelijk onderwijs tot en met de twaalfde klas, waarna in een dertiende klas op het havo- of vwo-examen kon worden voorbereid.

Spreiding scholen(gemeenschappen)[bewerken]

  • Scholengemeenschap voor Voortgezet Vrije Schoolonderwijs (Zeist-Nijmegen-Eindhoven)
  • Stichting Vrije Scholen Zuidwest Nederland (Leiden-Den Haag-Rotterdam)
  • Stichting de Vrije School Noord en Oost Nederland (Groningen en tweemaal Zutphen) (hier wordt oa objectvormgeving gegeven)
  • Stichting Vrije Scholen Voortgezet Onderwijs Noord-Holland (Bergen, Haarlem, Amsterdam)
  • De bovenbouw van de Bernard Lievegoedschool in Maastricht ressorteert onder het Bonnefanten College Maastricht en die van Breda onder het Michaëlcollege in Prinsenbeek

Vlaanderen (en Wallonië)[bewerken]

In Vlaanderen valt het steinerproject onder het methodeonderwijs en heeft het als type voor aso, richting 'Steinerpedagogie' gekozen. In Antwerpen is er tevens een steinerschool voor buitengewoon onderwijs (Parcival). In de steinerschool van Lier wordt sinds september 2008 tevens een richting 'Duurzaam Wonen' (beroepssecundair onderwijs) ingericht volgens de steinerpedagogiek.

Vrij onderwijs betekent in Vlaanderen dat een school niet door een “officiële” instantie wordt ingericht, zoals de staat, een gemeente of provincie, en komt dus overeen met het Nederlandse bijzonder onderwijs.

Afwijkende eindtermen en ontwikkelingsdoelen[bewerken]

Ook in Vlaanderen zoeken de scholen naar een evenwicht tussen wat de overheid als minimumeisen (de ontwikkelingsdoelen en eindtermen) oplegt, en wat de steinerscholen graag als kennis en wijsheid aan de kinderen willen meegeven. Groot voordeel is dat de steinerscholen in Vlaanderen gebruik mogen maken van afwijkende ontwikkelingsdoelen en eindtermen. Ook in het buitengewoon onderwijs (Parcivalschool in Antwerpen) is er een aanbod 'Steinerpedagogie'. Ook zijn steinerscholen sinds enkele jaren bevoegd om diploma’s secundair onderwijs uit te reiken die toegang bieden tot hogescholen en universiteiten.

Spreiding scholen(gemeenschappen)[bewerken]

In Vlaanderen zijn er steinerscholen kleuter- en basisonderwijs te Aalst (Michaëlisschool), Anderlecht (Rudolf Steinerschool), Antwerpen (Rudolf Steinerschool, Yggdrassil), Berchem (Het Speelschooltje), Borgerhout (De Kleine Wereldburger), Munte (Landelijke Steinerschool Munte) Brasschaat (De Wingerd), Brugge (Guido Gezelleschool), Geel (Novalisschool), Gent (Rudolf Steinerschool Gent, De Teunisbloem), Ieper (Koningsdale), Leuven (De Zonnewijzer), Lier (De Sterredaalders), Tervuren (Kristoffelschool), Turnhout (Michaëlschool) en te Wilrijk (Lohrangrin).

Steinerscholen voortgezet of secundair onderwijs zijn in Vlaanderen verenigd in de Scholengemeenschap Steinerscholen Secundair Onderwijs met vestigingen te Antwerpen (Hibernia), Berchem (De Es), Leuven (De Zonnewijzer), Lier (De Sterredaalders), Gent (Vrije Rudolf Steinerschool) en Brugge (Guido Gezelleschool).

In Wallonië zijn er steinerscholen te Court-Saint-Étienne, Bois-de-Villers (Le jardin des deux pays) en Doornik (L’Enfance de l’Art).

Kritiek[bewerken]

Rond het antroposofisch onderwijs bestaat al decennia lang veel controverse.[25] Kritische onderzoekers trekken de wetenschappelijkheid die door antroposofen aan de antroposofie en de daarvan afgeleide antropologie en pedagogiek wordt toegekend sterk in twijfel. Een van de zwaartepunten van de kritiek ligt daarin dat Rudolf Steiner zijn bevindingen zou hebben verkregen via helderziendheid; het zogenaamde schouwen in hogere, geestelijke werelden. Steiner beschouwde dit zelf als een wetenschappelijke methode. Steiners beweringen zijn echter niet falsifieerbaar en kunnen daardoor niet als wetenschappelijk worden aanzien. De Duitse professor Helmut Zander toonde in zijn historisch onderzoek naar de antroposofische beweging eveneens aan dat Steiner veel had overgenomen van tijdgenoten zonder aan bronvermelding te doen.[26] Zander wijst er bijvoorbeeld op dat Steiner zijn beschrijving van hoe de bewoners van Atlantis hun voertuigen op levenskracht deden zweven, heeft overgenomen uit de science-fictionroman The Coming Race van Edward Bulwer-Lytton.[27] De antroposofie wordt dan ook vaak verworpen als pseudowetenschappelijk en dogmatisch. Aanhangers van Steiner en zijn wereldbeschouwing baseren zich voor hun werk nog steeds zeer sterk op de theoretische grondslagen van Steiners antroposofische leer.

Een ander punt van kritiek is dat de antroposofische pedagogiek zich bedient van een antropologie die eenzijdig is gebaseerd op Rudolf Steiners inzichten en waarvan de spil een mens-en wereldbeeld is waarin een rassentheorie zit verweven.[28] In de jaren 90 kwam in Nederland aan het licht dat racistische en discriminerende inhoud uit Rudolf Steiners werk als leerstof werd aangeboden in de vrijeschool.[29] Dit leidde er uiteindelijk toe dat het vak 'Volkenkunde' van het lesrooster verdween en er een commissie werd ingesteld om te onderzoeken of er sprake is van racisme en discriminatie in het werk van Steiner.[30] De commissie - uitsluitend bestaande uit antroposofen - kwam tot de conclusie dat 16 passages in het werk van Steiner konden worden aanzien als racistisch of discriminerend.[31]

Externe links[bewerken]