Maria Tesselschade Roemers Visscher

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Maria Tesselschade Roemers(dochter) Visscher
19e-eeuwse lithografie van Tesselschade Roemers Visscher met een gedicht van Pieter Huisinga Bakker eronder
19e-eeuwse lithografie van Tesselschade Roemers Visscher met een gedicht van Pieter Huisinga Bakker eronder
Algemene informatie
Geboren 25 maart 1594, Amsterdam
Overleden 20 juni 1649, Amsterdam
Land Nederland
Beroep dichteres en glasgraveerster
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Maria Tesselschade Roemers(dochter) Visscher (Amsterdam, 25 maart 1594 – aldaar, 20 juni 1649), was een Nederlands dichteres en glasgraveerster. Ze was door haar vader zo genoemd vanwege door hem geleden averij op de rede van Texel van 44 volgeladen koopvaardijschepen op 24 december 1593.

Roemer circa 1625-1650 waarvan de diamantgravering 'Sic Soleo Amicos' wordt toegeschreven aan Maria Tesselschade-Rijksmuseum [1]
Originele prent van Hendrick Goltzius van jonge vrouw 1612 in het Amsterdam Museum
Vermeend portret van Maria Tesselschade naar Hendrick Goltzius. Prentmaker Johannes Körnlein onder supervisie van Cornelis Ploos van Amstel 1770.[2][3]
Zomerpostzegel 1938 ontworpen door Engelien Reitsma-Valença naar vermeend portret van Maria Tesselschade

Levensloop[bewerken]

Tesselscha(de)[4], of kortweg Tessel, gedoopt als Marritgen[5], was de jongste dochter van Roemer Visscher en Aefgen Jansdr. Onderwater. Haar zusters waren Anna (1583) en Geertruy (1588). Hun vader was graanhandelaar, scheepsassuradeur, dichter en lid van de rederijkerskamer De Eglantier. Ze woonden bij de Schreierstoren. Aanvankelijk was de ingang van hun woonhuis in het pakhuis aan de Oudezijds Kolk. Na de afbraak van de stadsmuur in 1594 werd de ingang verplaatst naar de Engelsche Kaey, de huidige Geldersekade 16. Het huis kreeg als naam 'in den Korendrager’. Geertruy trouwde in 1609 en Tesselschade werd meter van haar zoon in 1614.

Ze kregen een veelzijdige opvoeding, waar in 1612 bezoeker Ernst Brinck over schreef, dat de twee dochters zeer fraai muziek konden maken, schilderen, in glas graveren, dichten, borduren, zwemmen en 'emblemata inventeren' d.w.z. het bedenken van een pakkende boodschap in het Hollands bij een afbeelding (vaak van Claes Jansz. Visscher). De taal als spel leverde bijdragen aan een nieuwe vaderlandse woordenschat. Later opgenomen in het boek 'Sinnepoppen'.[6] Evenals hun vader kenden ze Frans en Italiaans.
Tal van literatoren kwamen te gast in het Roemershuis, onder wie Bredero, Hooft, Huygens, Reael en Vondel waarvan verwacht werd het spel mee te spelen en te zingen.

Brederode schreef liefdesgedichten voor Tesselschade ('Godinne die de naam van 't schiprijk eiland voert...') en droeg zijn vertaling van de Franse tragicomedie Lucelle (1616) aan haar op.[7]

Hun moeder (26 februari 1619) en vader (11 februari 1620) overleden snel na elkaar. Anna en Tesselschade bleven echter nog jaren in het huis wonen tot hun huwelijk. De twee dochters bleven het huis open houden voor hun leeftijdsgenoten.

Vanaf de zomer 1621 werden Anna, Tesselschade en Huygens jaarlijks uitgenodigd om op het Muiderslot te komen logeren. Het eerst bekende gedicht van Tesselschade is van 1621 en onderdeel van de 'Schoncken-sonnetten', waar Huygens, Anna en Tesselschade elk dezelfde rijmwoorden gebruikten als in het begingedicht van Hooft. [8] Daarna (1622) hielp Hooft op verzoek van Tesselschade haar bij het dichten. Ze stuurde hem haar gedichten 'ter betutteling' d.w.z. voor commentaar en verbetering. In de winter 1622-1623 vertaalden ze in hun huis dagelijks met Vondel, Hooft[9] en Reael de tragedie Troades van Seneca, welke later door Vondel in verzen zou worden gepubliceerd als De Amsterdamsche Hecuba (1625). Vondel beschreef deze jarenlange gastvrijheid in Het lof der zee-vaert ['t Zalig Roemers huis, Wiens vloer betreden wordt, wiens drempel is gesleten Van schilders, kunstenaars, van zangers, en poëten.] (1623)

Ze maakten zo deel uit van de literaire kring rond P.C. Hooft in het Muiderslot, die in de negentiende eeuw de Muiderkring is gaan heten.[10]. Tesselschade werd beschreven als aantrekkelijk/bekoorlijk, prachtig te kunnen zingen, musiceren op viola da gamba en clavecimbel, kunnen maken van fraaie festoenen (kunstige slingers van bloemen, bladen en vruchten) en spitsvondig te kunnen discussiëren.
Waar ze zich zomers op het Muiderslot mee vermaakten dichtte Huygens in 1643:
Met Rhijnsche wijn en seckt/ Met singen en met rijmen/ Met sitten en met gaen/ In sonneschijn en maen/ Met kuijeren en praten/ Langs dijcken en langs straten.

Tesselschade trouwde 26 november 1623 te Amsterdam met Allart Jansz. Crombalch uit Alkmaar, officier van de Admiraliteit van het Noorderkwartier. Ze vestigden zich te Alkmaar, waar ze twee dochters kregen. Haar dochter Teetgen (pokken) en haar man (bloedbraken) overleden op dezelfde dag 28 mei 1634.

Ook op die dag schreef Hooft een uitnodigingsbrief aan Tesselschade en haar 'Crommetje', die nog door zijn echtgenote, die van het overlijden gehoord had, tegengehouden kon worden voor deze met de post meeging. Beginnend met 'Tesseltje, leef je nog? /Ik en verneem noch woord noch wind van 't behaegen van U.E. [Uwe Edele] in de gedichten van Huygens.'

Hooft probeerde haar weer te aktiveren met het (hier verkorte) gedicht uit augustus 1736: De pruimen beginnen te rijpen en te roepen/ Tesseltje, Tesseltjes mondje/ Deuntjes roepen: Tesseltje, Tesseltjes keeltje/ Op, op dan,/ Rozemond, hoor je spelen noch zingen?

De depressieve hoogleraar wijsbegeerte van het Athenaeum Illustre Caspar van Baerle, meestal Barlaeus genoemd, werd sinds 1636 door Hooft ook uitgenodigd om hem kennis te laten maken met zijn (vrouwelijke) gasten. Hij dichtte veel en voornamelijk in het Latijn.
Hooft maakte toen in een brief aan Barlaeus een anagram van haar naam: Sachte Sedeles.

Na het overlijden van haar man ontstond tussen Huygens en Barlaeus rivaliteit om de liefde van Tesselschade te winnen. Wat Barlaeus tegenstond na een bezoek aan haar in Alkmaar, zo schreef hij aan Huygens in 1636, was dat ze neigde naar het Rooms-katholieke geloof dat in Alkmaar algemeen was. Eind 1641 ging ze officieel over tot het de Rooms-katholiek kerk. Vondel, haar zus Anna met haar echtgenoot waren haar al voorgegaan.

Vondel droeg zijn vertaling van Elektra naar Sofokles in 1639 aan haar op.[11] In 1641 droeg hij zijn treurspel Petrus en Pauwels op aan Eusebia [Godvruchtige]. Tesselschade schreef in dat jaar een brief aan Barlaeus waarin ze schreef dat zij de 'Alckmaersce Eusebia' was.

Door een vonk van een smederij kreeg ze maart 1642 een ontsteking aan haar linkeroog. Tenslotte werd ze aan dat oog blind.

Ze overleefde ook haar dochter Maria Tesselschade, die kort na P.C. Hooft overleed in 1647. Barlaeus verdronk 14 januari 1648 in de put achter zijn huis (door suïcide, depressie of waan?)

Het motto wat Tesselschade bij haar ondertekening van gedichten en brieven sinds 1630 gebruikte was 'Elck zijn waerom' naar de afbeelding met tekst uit het boek van haar vader.[12][13]

Ze overleed in Amsterdam op 55-jarige leeftijd. Een familie-aantekening luidt: nicht maria tesselschae Salgr. overleet 20 Juni 1649, R.I.P., en het grafboek van de Oude Kerk heeft: 24 Juni 1649, Tesselscha Roemer Visschers, wed. van Allart Crombalck, comt van de [Nieuwe-Zijds?] Colck; is 2 uijren beluijt met de grote clock.[14]

Huygens dichtte op 15 juli 1749: Dit's Tesselschades graf. Laat niemand zich vermeten/ Haer onwaerdeerlickheit in woorden uyt te meten.

Een van Tesselschade's bekendste werken is Onderscheyt tusschen een wilde en een tamme zangster geschreven ter ere van sopraan Maria Pilt, dat door Joan Albert Ban op muziek is gezet (1642).

Varia[bewerken]

  • In Hardegaryp werd in 1870 de toneelvereniging MRV Tesselschade opgericht.[15]
  • De 19e-eeuwse vrouwenvereniging Tesselschade-Arbeid Adelt werd naar haar vernoemd in 1871.
  • In Amsterdam was op Tesselschadestraat 1 van 1920 t/m 1936 het Tesselschadeziekenhuis gevestigd.
  • Een bronzen beeld van Maria Tesselschade gemaakt door Gerarda Rueter staat sinds 1971 in de tuin van het Muiderslot (geïnspireerd op de vermeende tekening van haar door Hendrick Goltzius).
  • In 2013 werd in het Muiderslot en op Texel een tentoonstelling over Tesselschade gehouden onder de titel Tessel Schade – een ramp met een Gouden randje.[16]
  • In 2016 werd bekendgemaakt dat in Alkmaar bij archeologisch onderzoek haar trouwring met diamant uit 1623, gegraveerde glasscherven[17] en haar schoen in de beerput van haar huis aan de Langestraat 60 zijn gevonden.[18][19][20]

Werken, literatuur en liederen[bewerken]

  • Een onwaerdeerlycke vrouw. Brieven en verzen van en aan Maria Tesselschade, red. J. A. Worp, 's-Gravenhage, Nijhoff, 1918. XLXI, 373 p. (Facs. ed. Utrecht, HES, 1976)
  • De gedichten van Tesselschade Roemers. Uitgegeven en toegelicht door A. Agnes Sneller en Olga van Marion m.m.v. Netty van Megen. Hilversum, Verloren, 1994. 159 p. ISBN 9789065500182
  • Mieke B. Smits-Veldt, Maria Tesselschade. Leven met talent en vriendschap. Zutphen, Walburg Pers, 1994. 119 p.
  • Maria Tesselschade: haar 400ste geboortedag, Maandblad Amstelodamum 81 (1994) 2 [Themanummer met bijdragen van Mieke B. Smits-Veldt, Renée Kistemaker en Sebastien A.C. Dudok van Heel].
  • Muziek uit de Muiderkring. Liederen van en voor Maria Tesselschade. door Camerata Trajectina o.l.v. Louis Peter Grijp. Castricum, Globe, 1994. (Haar teksten en o.a. P.C. Hooft, Gerbrand Adriaensz. Bredero en Joost van den Vondel in het CD boekje)

Externe links[bewerken]