Oostenrijkse School

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Oostenrijkse School is een stroming binnen de economische wetenschap die de praxeologie als wetenschappelijke methode gebruikt. De waarheden die men daar vanuit kan afleiden zijn kwalitatief van aard. Omdat individuele actoren centraal staan in het economische systeem van de Oostenrijkse School, wordt het vooral door klassiek-liberalen en libertariërs aangehaald om vorm te geven aan hun politieke overtuigingen. Het staat daarin lijnrecht tegenover de ideeën van het marxisme en van de volgers van Keynes.

Geschiedenis[bewerken]

De grondlegging van de Oostenrijkse school valt samen met het publiceren van het werk van Carl Menger in 1871, zijn Grundsätze der Volkswirtschaftslehre (Beginselen van de Economie). Aan het eind van de 19e eeuw vond ook de revolutie van het marginalisme plaats, de theorie van het grensnut. Menger, in tegenstelling tot de Brit William Stanley Jevons en de Fransman Léon Walras, ging daarin het verst, en meende dat de waarde van een economisch goed tot stand komt door een subjectieve afweging van een individuele actor die een bepaald nut voor dit goed heeft.

Deze publicatie veroorzaakte een heftige discussie met aanhangers van de Historische School, een voornamelijk Duitse beweging die meende dat kennis binnen de economische wetenschap slechts kon worden verkregen door cultuur-historisch onderzoek, en dat waarheden binnen de economie slechts aan de werkelijkheid konden worden onttrokken. Dit conflict wordt ook wel de Methodenstreit genoemd: hoe komt kennis binnen de economische wetenschap tot stand, en welke methodes dient men hiervoor te gebruiken?

Menger en zijn aanhangers, zoals Eugen von Böhm-Bawerk en Friedrich von Wieser, waren allemaal verbonden met de Universiteit van Wenen. De term Oostenrijkse School (soms Weense School) is de aanduiding die door hun tegenstanders van de Historische School gebruikt werd, wat toentertijd provinciaals overkwam.

De aanhangers van Oostenrijkse School behoorden tot de eerste tegenstanders van het marxisme en elke vorm van een centraal geleide economie of socialisme. Het werk Kapital und Kapitalzins (Kapitaal en Rente) van Böhm-Bawerk was een uitbreiding van het eerdere werk van Menger, waarin op systematische wijze de exploitatietheorie van Marx weerlegd werd. Ook de notie van Marx en anderen dat arbeid de basis vormt van waardevorming voor een economisch goed werd in latere werken weerlegd.

Voortbordurend op het werk van Böhm-Bawerk meende Ludwig von Mises de definitieve doodsteek aan het socialisme te kunnen geven, omdat socialistische systemen lijden onder het economisch calculatieprobleem. Zijn werk van 1922, Die Gemeinwirtschaft (Socialisme) gaat hierover. Hierdoor werd ook de interesse van klassiek-liberalen gewekt voor de Oostenrijkse School.

Friedrich von Hayek, Israel Kirzner en Murray Rothbard waren discipelen van Mises. Hayek breidde de theorie rond conjuncturen uit, en benadrukte het belang van informatie voor ondernemers die deel uitmaken van het economische systeem. Hayek was wel minder 'Oostenrijks', en iets meer neoliberaal (ordoliberalisme). Het waren juist Kirzner en Rothbard die na het bezoeken van seminaries van Mises in New York een nieuwe impuls gaven aan de Oostenrijkse School na de Tweede Wereldoorlog.

Recent[bewerken]

De Oostenrijkse school groeit momenteel in populariteit, dit ligt mede ten grondslag aan accurate voorspellingen die Oostenrijkse economen deden betreffende de Amerikaanse hypotheekcrisis. Bekende verkondigers hiervan waren Ron Paul en Peter Schiff.

Nederland[bewerken]

De Oostenrijkse School kon ook rekenen op een trouwe aanhang van Nederlandse economen, zoals N.G. Pierson en C.A. Verrijn Stuart. Later kwam in Nederland de econometrie op, en werd economie vooral op basis van het logisch positivisme bestudeerd. Deze invalshoek wordt door de economen uit de Oostenrijkse School volstrekt afgewezen.

Externe links[bewerken]