Opkomstplicht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De opkomstplicht is een wettelijke verplichting voor een onderdaan van een land om zich op een bepaalde dag, naar een door de overheid te bepalen plaats te begeven en zich aldaar te identificeren. Dit kan een kiesbureau zijn in het kader van verkiezingen, of een kazerne in het kader van de dienstplicht.

Opkomstplicht bij verkiezingen[bewerken]

De opkomstplicht voor verkiezingen is te onderscheiden van de stemplicht, waarbij men verplicht is ook daadwerkelijk een stem uit te brengen. De opkomstplicht bestaat nog in een beperkt aantal landen.

België[bewerken]

In België geldt een opkomstplicht voor alle Europese, federale, regionale, provinciale en gemeentelijke verkiezingen. Het niet naleven van deze opkomstplicht is een misdrijf, hoewel dit tegenwoordig niet meer wordt vervolgd.

In België bestaat desondanks geen stemplicht, aangezien men ook zijn stemformulier blanco kan laten (art. 62 en art. 68 §2 van de Grondwet zeggen 'De stemming is verplicht en geheim'). Maar het volstaat niet om zich louter aan te melden bij de voorzitter van het kiesbureau. Deelname aan de stemming is verplicht stelt artikel 249 van het Decreet houdende de organisatie van de lokale en provinciale verkiezingen en houdende wijziging van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005.

Absenteïsme bij de federale verkiezingen voor de Kamer[bewerken]

Ondanks de opkomstplicht daagt een steeds groter wordend aantal kiezers niet op bij verkiezingen. Bij de federale verkiezingen van 2014 bedroeg het aantal afwezigen 851.278 goed voor 10,63% van het totaal aantal stemgerechtigden (in 2010 was dit 10,8% en in 2007 nog 8,9%). Het aandeel verschilt zowel per gewest als per kieskring, waarbij vooral de hoge percentages in een aantal kantons van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest opvallen. Voor de Federale verkiezingen 2014 waren de cijfers als volgt:

Per gewest

  • Vlaanderen: 8,90%
  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: 17,12%
  • Wallonië: 12,35%

Per kieskring

  • Limburg: 7,34%
  • Oost-Vlaanderen: 8.24%
  • West-Vlaanderen: 8.67%
  • Vlaams-Brabant: 9,51%
  • Antwerpen: 9,98%
  • Brussel: 17,12%
  • Luxemburg: 10,17%
  • Waals-Brabant: 11.20%
  • Namen: 11,72%
  • Henegouwen: 12,41%
  • Luik: 13,58%

Wanneer men de cijfers per kieskanton bekijkt valt duidelijk op dat het absenteïsme systematisch beduidend hoger dan gemiddeld is in de grootsteden en lager in de landelijke kantons. Het absenteïsme over de laatste 30 jaar lijkt daarentegen zowel in de stad als op het platteland ongeveer verdubbeld te zijn, met uitzondering van Brussel waar het al in 1985 met 16,07% ver boven het nationaal gemiddelde lag en in 2014 met 18,45% slechts met 15% is toegenomen.

Per kieskanton (1985-2014)

  • Brussel: 16,07% - 18,45% (stedelijk)
  • Antwerpen: 7,46% - 12,80% (stedelijk)
  • Luik: 9,76% - 17,08% (stedelijk)
  • Bree: 2,82% - 5,45% (landelijk)
  • Neufchâteau: 4,61% - 7,87% (landelijk)

Evolutie van het absenteïsme bij de federale verkiezingen voor de Kamer[bewerken]

Het principe van de opkomstplicht is in de Belgische Grondwet ingeschreven in 1893, met de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht. Door de opkomstplicht wilde de wetgever vermijden dat op de lagere sociale klassen druk zou uitgeoefend worden door hun bazen om niet te gaan stemmen. Er gaat een aantal politieke stemmen op om deze plicht af te schaffen, maar daar bestaat geen meerderheid voor.

Nederland[bewerken]

Met de grondwetswijzigingen van 1917 werd in Nederland een opkomstplicht ingesteld, tegelijk met de invoering van de evenredige vertegenwoordiging en een passief vrouwenkiesrecht. De regering Cort van der Linden was van mening dat met de opkomstplicht de samenstelling van de Tweede Kamer een zo goed mogelijke afspiegeling was. De komst van de opkomstplicht bracht protesten op de been. Zo boden in 1916 43.000 vrouwen, voornamelijk van de protestantse ARP, een petitie aan bij de Tweede Kamer. Zij meenden dat de opkomstplicht in strijd was met de roeping van de vrouw. Voornamelijk de katholieken en groepen aanhanging aan de CHU waren voor de opkomstplicht, omdat zij meenden dat het staatsbelang in dit geval zwaarder woog dan het belang van het individu.

In 1922 werd ook het actief vrouwenkiesrecht in de grondwet geplaatst. Tegelijkertijd werd de opkomstplicht weggehaald, maar bleef wel in de Kieswet staan. Vanaf dat jaar tot 1940 werden verscheidende pogingen ondernomen om tot afschaffing van de opkomstplicht te komen. In de periode daarna hadden andere zaken prioriteit. Pas in 1965 kwam het onderwerp weer op de agenda met een voorgenomen wijziging van de Kieswet. Hoewel een amendement van indiener Schakel werd verworpen, werd door de regering wel een nader onderzoek ingesteld.

De uitkomst van het onderzoek onder leiding van Jan Berger was een advies om de opkomstplicht te schrappen, wat werd overgenomen door het kabinet. Een belangrijke motivatie was dat de bestaande plicht niet gehandhaafd kon worden. Daarnaast wekte de plicht meer afkeer dan positiviteit op. Op 19 februari 1970 werd een wetsvoorstel van minister Beernink met 91 tegen 15 stemmen door de Tweede Kamer aangenomen.

Bij de eerstvolgende statenverkiezingen kwam door afschaffing van de opkomstplicht 70 procent van de stemgerechtigden opdagen. Ook bij de gemeenteraadsverkiezingen was de opkomst lager. Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer bleef het aantal personen dat kwam opdagen rond de 85 procent hangen. De opkomstplicht is momenteel geen belangrijk politiek thema.

Overige landen[bewerken]

Een aan België gelijkaardig systeem is vandaag de dag ook nog te vinden in het Groothertogdom Luxemburg, Thailand en Griekenland.

Opkomstplicht bij dienstplicht[bewerken]

De opkomstplicht voor militaire dienst is in België in 1994 officieel opgeschort. In Nederland gebeurde dit op 1 mei 1997.