Palmolie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Palmolie
Vetblok van palmolie
Kleinschalige productie in Kongo
Oliepalmplantage in Maleisië
Botanische prent van een oliepalm
bron: Koehler (1887)

Palmolie is plantaardige olie die hoofdzakelijk wordt gewonnen uit de vruchten van de oliepalm. Een andere soort die palmolie levert, is de coyolpalm. Palmolie bevat een hoog percentage verzadigde vetten en anti-oxidanten.

Palmolie wordt gebruikt in margarine, frituurolie, aardappelchips, tarochips, soepen, choco's, sauzen en koekjes, als grondstof voor de productie van zeep en andere detergenten, biodiesel en als brandstof voor de opwekking van zogeheten groene stroom.

Palmolie bestaat voor een belangrijk deel uit verzadigde vetzuren die het risico op cardiovasculaire aandoeningen verhogen. De Belgische Hoge Gezondheidsraad waarschuwt daarom voor het overmatig gebruik van producten met palmolie[1]

Productie[bewerken]

De oliepalm gedijt het best in een tropisch klimaat. Maleisië en Sumatra in Indonesië hebben de meeste plantages; in Indonesië is ruim zes miljoen hectare met palmbomen beplant en in Maleisië circa 4 miljoen hectare. Na het planten van de oliepalm duurt het circa vier jaar tot de eerste oogst. Als de palm een leeftijd van ongeveer 10 jaar heeft bereikt, is de productie maximaal. Dit hoge productieniveau kan de oliepalm nog acht à tien jaar volhouden en dan neemt de opbrengst af. Op één hectare kunnen ongeveer 150 palmbomen staan. De gemiddelde oogst per hectare is iets meer dan 20 ton op jaarbasis. De vruchten worden geperst waarna ruim vijf ton palmolie resteert.

De plantages zijn in handen van kleine boeren, maar ook van grote beursgenoteerde bedrijven. In Indonesië behoort Golden Agri-Resources tot de grootste palmolieproducenten met een totaal bebouwd areaal van 300.000 hectare. Ook in Amerika wordt veel palmolie verbouwd.

Handel[bewerken]

In 2008 bedroeg volgens het tijdschrift Oil World de wereldwijde productie 48 miljoen ton, gelijk aan 30% van de totale productie van oliën. De drie belangrijkste alternatieven voor palmolie zijn olie uit soja, koolzaad en zonnebloemen. De export van palmolie, die grotendeels via oceaanvaart verloopt, bedraagt zo'n 60% van alle oliënexport.

Maleisië is de grootste exporteur van palmolie, op de voet gevolgd door Indonesië. De twee landen leveren samen ca. 85% van de wereldproductie. Andere producenten zijn Thailand, Nigeria en Colombia. Grote gebruikers van palmolie zijn China, India en Indonesië. Binnen de Europese Unie is Nederland de belangrijkste importeur.

Voor- en nadelen[bewerken]

Grootschalige productie van palmolie wordt door diverse milieuorganisaties scherp bekritiseerd, omdat deze ten koste van oerwoud zou gaan. Op het door Indonesië en Maleisië gedeelde eiland Borneo bijvoorbeeld, vindt er zeer uitgebreide kap en afbranding van oerwoud plaats, voor een groot deel illegaal. De opbrengst is in het geval van kap primair bedoeld voor de handel in tropisch hardhout. Er bestaat een grotendeels illegale, bloeiende handel in het tropisch hout dat bij de kap wordt opgeleverd. Als secundaire bestemming worden gebieden ontwikkeld als palmolieplantage. Dit is een langjarig proces en vraagt grote investeringen. Bij dit alles worden voldongen feiten gecreëerd wat betreft de flora. Ook de oorspronkelijke oerwoudbewoners, zoals primaten, zijn hun natuurlijke habitat kwijt en worden in feite verdreven, zo schetsen de critici de situatie.[2] Daarnaast is de verbranding van tropisch regenwoud wereldwijd een van de grootste oorzaken van de uitstoot van koolstofdioxide.

Voorstanders van palmolie-productie stellen dat het hier gaat om een vorm van duurzaam landgebruik. Een van de argumenten die hiervoor worden aangevoerd is dat de palmen de bodem permanent bedekken, zodat deze is beschermd tegen bodemerosie. Het gaat hier dus alleen om een (mogelijk) voordeel ten aanzien van grond die van zichzelf niet met bomen begroeid was.

Verdere argumenten die door voorstanders worden genoemd:

  • Omdat de mens vooral geïnteresseerd is in de palmolie en deze door de oliepalm uit koolstofdioxide en water worden gemaakt, zouden in principe alle nutriënten in het systeem kunnen blijven. Hierdoor zijn weinig kunstmatige meststoffen nodig, zolang de uitgeperste oliepalmpitten maar als bemesting worden gebruikt.
  • De opbrengst per hectare is hoog, zodat één hectare oliepalm meerdere hectaren koolzaad zou kunnen vervangen en hierop tarwe verbouwd kan worden, zo wordt geredeneerd.

Ook zou er een milieuvoordeel liggen in het feit dat palmolie als biobrandstof gebruikt kan worden om fossiele brandstoffen te vervangen.

Bronnen, noten en/of referenties