Pseudo-Dionysius

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Pseudo-Dionysius ("valse Dionysius", van Gr. ψευδειν, "liegen") is de naam die tegenwoordig gegeven wordt aan een vijfde-eeuwse christelijke theoloog en neoplatonistisch filosoof, die zichzelf in zijn werken voordeed als Dionysius de Areopagiet. Zijn werken worden aangeduid als het Corpus Areopagiticum.

Vooral in het oostelijk deel van het Byzantijnse Rijk had het oeuvre al snel grote invloed. Omstreeks 540 was er al een vertaling in het Syrisch. Omstreeks dezelfde tijd bracht Johannes van Scythopolis een uitgebreide en geannoteerde verste van het Corpus uit. Maximus Confessor (580-662) schreef uitvoerige commentaren op de werken van Pseudo-Dionysius. Het had verder grote invloed op onder meer Johannes Damascenus (676-649) en Gregorius Palamas ( 1296-1359). In het westen hadden zijn theologische opvattingen grote invloed in met name de veertiende en vijftiende eeuw op de mystiek van onder meer Margareta Porete (ca. 1250- 1310), Meester Eckhart (ca. 1260-1328), Johannes Tauler (ca, 1300-1361), Jan van Ruusbroec (1293-1381), Jean de Gerson (1363-1429), Juliana van Norwich (1342-1416) en Theresia van Ávila (1515-1582).

Achtergrond[bewerken]

Het kerkelijk klimaat in de periode van Pseudo-Dionysius werd in belangrijke mate bepaald door de uitkomsten van het Concilie van Chalcedon in 451. Op dit concilie werd de eutychische doctrine van het monofysitisme verworpen en de geloofsbelijdenis van Chalcedon aanvaard, waarin beschreven wordt dat Jezus als tweede persoon in de Heilige drie-eenheid in twee naturen, menselijk en goddelijk, wordt erkend. De kerk in het westen en een groot deel van de kerk in het oosten aanvaardde die beslissing. Er waren echter ook veel christenen die het onderscheid in twee naturen zagen als een scheiding binnen Christus. Vanaf eind vijfde eeuw groeide dat uit tot een controverse waarin ingewikkelde redeneringen werden gehanteerd om filosofische begrippen uit de geloofsbelijdenis als persoon, natuur en essentie zo nauwkeurig mogelijk te definiëren.

Bij een aantal christenen overheerste een verlangen naar de apostolische tijd van het christendom toen – naar men veronderstelde – alles eenvoudiger was. Pseudo-Dionysius situeerde zichzelf heel uitdrukkelijk in die apostolische periode van de tweede helft eerste en begin tweede eeuw. Er zijn auteurs op het vakgebied geweest die stelden dat Pseudo-Dionysius behoorde tot de monofysieten die de geloofsbelijdenis van Chalcedon bleven verwerpen omdat zij het idee van de twee naturen van Christus niet wensten te accepteren. Pseudo-Dionysius werd ook het eerst door monofysieten geciteerd. Er zijn echter ook auteurs die stellen dat hij feitelijk geen keuze tussen de beide kampen in de controverse wenste te maken.

Pseudo-Dionysius was zeer vertrouwd met en beïnvloed door het late neoplatonisme van de laatste leiders van de Akademeia of de Academie van Athene. Dat blijkt in zijn werken uit onder meer vrijwel letterlijke citaten van Proclus (412 – 485) en Damascius (ca. 462 - ca. 550), de laatste leiders van de Akademeia.

Meerdere Dionyssi[bewerken]

In de tweede eeuw kreeg Korinthe een bisschop met de naam Dionysius. Deze schreef een brief aan de christenen in Athene waarin hij meldde dat Dionyius de Areogagiet de eerste bisschop van Athene zou zijn geweest. Er was daarnaast een derde Dionysius. Gregorius van Tours (538-594) schreef dat deze derde Dionysius rond 250 de eerste bisschop van Parijs, (Lutetia) was en op Montmartre een marteldood vond. Deze Dionysius van Parijs is de patroonheilige geworden van de Franse koningen, de stad Parijs en het klooster van Saint Denis. De stad Saint-Denis is naar hem genoemd.

Tot begin negende eeuw werden deze drie Dionyssi ook duidelijk onderscheiden. Rond 825 schonk de Byzantijnse keizer Michaël II Psellos een kopie van het corpus aan de de Frankische keizer Lodewijk de Vrome. Deze kopie werd de basis van de eerste vertalingen in het Latijn. De eerste vertaling werd gemaakt door Hildouin († ca.855), een abt van de abdij van Saint-Denis. Hij schreef daarnaast een uitgebreide hagiografie waarin hij bewees dat Dionysius de Areopagiet uit de eerste eeuw dezelfde moest zijn geweest als de Dionysius van Parijs. Vanaf die periode begon men in Frankrijk de Dionysius van Parijs te vereenzelvigen met Dionyius de Areogagiet. De zeer slechte vertaling van Hildouin werd korte tijd later vervangen door een aanzienlijk betere van Johannes Scotus ( 810-877)

Petrus Abaelardus (1079 -1142)), een monnik van het klooster van Saint-Denis was de eerste die twijfel uitsprak of de man die in de traditie de schutspatroon van het klooster van Saint -Denis was wel dezelfde kon zijn als Dionysius de Areopagiet. Hevige tegenstand in het klooster had tot resultaat dat hij uit het klooster moest vluchten. Zijn conclusie had ook geen enkele invloed op verdere meningsvorming. Jacobus de Voragine (1228-1298) schreef rond 1265 zijn Legenda Aurea , dat een zeer populair werk zou worden. Hij voegde aan de bevindingen van Hildouin een aantal zaken toe, die hij als historische feiten presenteerde. Op basis hiervan kwam in de edities van het Martyrologium Romanum, de officiële lijst van martelaren en heiligen die door de Katholieke Kerk erkend worden, vanaf 1582 te staan dat Dionysius de Areopagiet door Paulus benoemd was tot bisschop van Athene, daarna naar Rome ging en vervolgens door paus Clemens I naar Gallië was gezonden om daar te prediken en uiteindelijk in Paris de marteldood was gestorven.

Authenticiteit van het werk[bewerken]

Tijdens de middeleeuwen werden door veel auteurs commentaren op de werken van het Corpus Areopagiticum geschreven. Er zijn uit die periode maar twee auteurs bekend die enige twijfel hadden over de apostolische datering daarvan. Dat waren Thomas van Aquino ( 1225-1274) en Nicolaas van Cusa (1401-1464).

De eerste die serieuze bewijzen aanvoerde dat Dionyius de Areogagiet onmogelijk de auteur van het corpus kon zijn was de humanist Lorenzo Valla (1405-1457). Zijn belangrijkste overweging was dat in het corpus veel materiaal voorkomt dat onmogelijk in de eerste eeuw geplaatst kon worden maar afkomstig was uit het neoplatonisme van de vierde en vijfde eeuw. Zijn conclusies hadden echter weinig invloed. Een andere humanist, Marsilio Ficino (1433-1499), bracht een nieuwe vertaling van een deel van het corpus uit. Ficino negeerde het werk van Valla. In zijn opvatting had juist de Dionysius uit de eerste eeuw de latere niet christelijke neoplatonici diepgaand beïnvloed.

Erasmus (1466-1536) verwierp in 1515 de stelling dat de Dionysius van Parijs dezelfde kon zijn als de Dionysius de Areopagiet. In hetzelfde jaar kwam zijn vertaling van het Nieuwe Testament uit het Grieks uit. In een noot bij het boek Handelingen verwoordde hij zijn opvatting dat Dionysius de Areopagiet onmogelijk de auteur van het corpus kon zijn en volgde daarmee de opvatting van Lorenzo Valle. Erasmus kreeg vanuit de kerk sterke kritiek op die opvatting en met name van de kartuizers. Dionysius de Karthuizer (1402-1471) en een van de belangrijkste middeleeuwse theologen had een uitgebreid commentaar geschreven op het corpus en Dionysius de Areopagiet daarbij als de auteur beschouwd.

De opvatting van Erasmus en de enige tijd later op dit punt geformuleerde identieke opvatting van Maarten Luther had ook relatief weinig invloed. Tot in de negentiende eeuw bleven auteurs van commentaren op het corpus vasthouden aan het auteurschap van Dionysius de Areaopagiet. Aan het eind van die eeuw waren het vooral Duitse geleerden als Johann Georg Veit Engelhardt, Hugo Koch en Joseph Stiglmayr die de afhankelijkheid van de auteur van het corpus van het neoplatonisme van met name Proclus overtuigend aantoonden. Vanaf begin twintigste eeuw is er op het vakgebied consensus dat het corpus rond 500 door een onbekende auteur moet zijn geschreven. Die auteur wordt dan ook vaak aangeduid als Pseudo-Dionysius.

Werken[bewerken]

Het Corpus Areopagiticum omvat vier verhandelingen en tien brieven. Alle werken zijn gericht aan specifieke personen. Pseudo-Dionysius situeert die in de apostolische periode. Alle werken zijn gericht aan personen uit de tweede helft van de eerste of begin tweede eeuw. De verhandelingen zijn gericht aan Timoteüs, een leerling van de apostel Paulus. Timoteüs wordt in het Nieuwe Testament genoemd in het boek Handelingen en in de Eerste en Tweede brief van Paulus aan Timoteüs.

De vier verhandelingen zijn :

  • Over goddelijke namen handelt over de betekenis van de verschillende in de bijbel gehanteerde namen voor God.
  • Over de hemelse hiërarchie handelt over de betekenis van beelden die zintuiglijk kunnen worden waargenomen en die in de Bijbel op de hemelse ordening zoals de wereld van de engelen worden toegepast.
  • Over de kerkelijke hiërarchie is een toelichting op en interpretatie van de in de kerk gehanteerde ceremoniën
  • Mystieke theologie is een uitleg van Pseudo- Dioniysius dat God alleen maar beschreven kan worden in termen van negatieve theologie, dus door te benoemen wat hij niet is.

Ook zijn brieven situeert Pseudo-Dionysius in de apostolische periode. Van de tien bewaard gebleven brieven zijn er vier gericht aan Gajus, die als reisgenoot van Paulus genoemd wordt in Handelingen. Andere brieven zijn onder meer gericht aan Polycarpus van Smyrna, Titus en de apostel Johannes. In die brieven vertelt Pseudo-Dionysius onder meer over de periode dat hij nog als heiden in Egypte leefde en een duisternis meemaakte op het moment van de kruisiging van Jezus. Hij meldt aanwezig geweest te zijn bij het overlijden van Maria.

In zijn bekende werk benoemt Pseudo-Dionysius nog zeven andere verhandelingen die hij zou hebben geschreven. Er is nooit iets gevonden van die teksten. Er was vanaf de zesde eeuw aanzienlijke belangstelling voor zijn werk. Naar zijn bekende verhandelingen en brieven werd dan ook vanaf die eeuw verwezen in het werk van andere auteurs. Er is echter ook nooit een verwijzing aangetroffen naar die onbekende werken. Er zijn auteurs op het vakgebied die uitgaan van de veronderstelling dat deze onbekende werken nooit geschreven zijn en het benoemen daarvan slechts een doel dient om indruk te wekken. Enkele auteurs op het vakgebied gaan ervan uit dat – in ieder geval een deel van – deze onbekende werken echt geschreven zijn maar al spoedig verloren zijn gegaan.