Wapen van Friesland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het grote wapen
Het kleine wapen
1rightarrow blue.svg Zie ook: Vlag van Friesland

Het wapen van de provincie Friesland, sinds 1997 provincie Fryslân, werd officieel vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 11 februari 1958, no. 18. Dit gebeurde nadat de Provinciale Staten van Friesland op 9 juli 1957 hadden besloten een verzoek te richten aan Hare Majesteit de Koningin.

De voorgeschiedenis van het Friese wapen is nauw verweven met het streven van de graven van Henegouwen en de hertogen van Bourgondië om hun invloed vanuit West-Friesland uit te breiden naar de huidige provincies Friesland en Groningen. Volgens een bekende middeleeuwse traditie was Friesland ooit een van de legendarische 17 christelijke koninkrijken. Door terug te verwijzen naar deze mythische voorgeschiedenis wilde men aanspraak maken op de titel 'koning van Friesland'. Er is daarom tevens sprake van een pretentiewapen. Er waren twee varianten van dit gepretendeerde koningswapen in omloop:

Een derde variant van het Friese wapen, waarin een vrijstaande boom centraal staat, gaat vermoedelijk terug op de vrijheidstraditie van de Upstalsboom; hij komt voor in het wapen van de Ostfriesische Landschaft, in een aantal West-Friese gemeentewapens en mogelijk ook in het wapen van Zevenwouden. Vergelijkbaar hiermee is de traditie van het Magnusvaan.


Heraldische beschrijving[bewerken]

In azuur twee boven elkaar geplaatste gaande leeuwen van goud, vergezeld van zeven liggende blokjes van goud, geplaatst 2-2-3. Het schild gedekt met een gouden kroon van vijf bladeren en vier paarlen en gehouden door twee klimmende leeuwen van goud.

Leeuwenwapens[bewerken]

Ontstaan[bewerken]

De oorsprong van het leeuwenwapen ligt in het duister. Het is niet ondenkbaar dat de Hollandse graven zich na verovering van West-Friesland in 1289 bestaande heraldische symbolen hebben toegeëigend. Anderzijds noemden zij zich al langer graven van Friesland; hun aanspraken op Westerlauwers Friesland vererfden op de graven van Henegouwen en de hertogen van Bourgondië. Jancko Douwama bericht omstreeks 1520 over de sage dat Radboud zijn wapen met twee leeuwen uit handen van de koning van Denemarken zou hebben ontvangen, als een heraldische vermindering van het Deense wapen met drie leeuwen.[1] Het lijkt erop dat het leeuwenwapen aanvankelijk de betekenis had van een grafelijk wapen, ter onderscheiding van het koninklijke wapen met de schuinbalken en rode harten.

1385 In het Libro del Conosçimiento de todos los rregnos (Boek van Kennis van alle Koninkrijken) staat een schild met drie gaande leeuwen in zwart op een gouden veld met het bijschrift el rey de Frisia (de koning van Friesland). De afbeelding is, zoals de auteur opmerkt, identiek aan het afgebeelde wapen van de koning van Denemarken.

1404 - 1409 Een afbeelding, vergelijkbaar met die op de bovenvermelde banier, staat voor het eerst in een schild in de Hollantsche Cronike uit 1404-1409 van de bekende heraut Claes Heynensz. Hierin staat het wapen met de gaande en aanziende leeuwen op een blauw veld met zilveren penningen bezaaid. Als bijschrift staat vermeld: Raboldus der Vriensen coninc. Het mag duidelijk zijn dat deze Raboldus of Radboud dit wapen nooit heeft gekend, daar hij reeds in 719 was overleden, ver voor de ontwikkeling van de heraldiek dus.

1425 Het wapenboek van Charolais, wapenschout van hertog Filips de Goede uit 1425 (bewaard in een 17e-eeuwse kopie) geeft beide Friese wapens, zowel het koningswapen met de schuinbalken en de harten als het latere grafelijke wapen met twee aanziende leeuwen, hier op een blauw veld bezaaid met gouden blokjes. Dit laatste wapen is wellicht te beschouwen als het oudste wapen van West-Friesland.

1440 Omstreeks deze tijd moet het wapenboek Bergshammar zijn ontstaan. Hierin staat een wapen afgebeeld dat door Filips de Goede van Bourgondië als opvolger van de graaf van Holland (in 1433) voor zijn titel als Heer van Friesland wordt gebruikt. Het is kennelijk afgeleid van het wapen in de Hollandse Kroniek, die zich in de bibliotheek bevond van Willem VI en die inmiddels in het bezit van Filips de Goede was gekomen. In het blauwe schild staan twee gouden (uit courtoisie omgewende) aanziende leeuwen en een veld bezaaid met zilveren penningen. Met niet-omgewende leeuwen duikt het wapen ook op in andere wapenboeken als Le champion des dames en dat van Nicolas de Lutzelbourg.

1447 In dit jaar stelde de wapenheraut Hendrik van Heessel namens zijn heer Philips de Goede een instructie op, waardoor het Friese leeuwenwapen een vaste plek krijgt in de Bourgondische wapengalerij. Sindsdien siert het wapen de marge van verschillende kronieken. Het wordt bijvoorbeeld (zonder helm en met aanziende leeuwen) afgebeeld tussen de wapens van de overige gewesten van de Lage Landen in het Remissorium Philippi van Pieter van Beoostenzweene, dat in 1450 werd voltooid. Ook op het titelblad van de Gestes de Girart de Roussillon van Jean Wauquelin, dat eveneens in 1450 werd voltooid, staat het Friese wapen afgebeeld, hier de leeuwen weer uit courtoisie omgewend en zonder blokjes of penningen.

Uit het midden van de 15e eeuw dateert verder een afbeelding van een vaandel dat de West-Friezen zouden hebben gebruikt ten tijde van de Slag bij Hoogwoud in 1256. Deze komt voor in een afschrift van de Brabantse Yeesten, een manuscript dat op grond van de afgebeelde kleding gedateerd wordt op de jaren 1440 tot 1450. Het vaandel of banier is blauw met twee gaande, aanziende gele leeuwen en het veld bezaaid met witte penningen (eigenlijk een min of meer fictieve uitbeelding van de Friese vlag).

1468 – 1473 Het wapen van Friesland met de penningen is tevens te vinden op een prent in 1468, gedrukt ter gelegenheid van het huwelijk van Karel de Stoute met Margaretha van York. Voor het laatst komt dit officiële wapen voor in een krijgsverordening van de hertog uit 1473. De hertogen benoemden weliswaar functionarissen die hun Friese claims moesten ondersteunen, zoals een zekere Gilles Gobet, die zich 'wapenkoning van Friesland' noemde. Maar Friesland en Groningen wisten voldoende tegenkrachten te mobiliseren, zodat de veroveringsplannen op een laag pitje kwamen te staan.

1490 - 1530 In wapenboeken blijft het oude wapen van de heerlijkheid Friesland (met penningen) nog een tijdlang de ronde doen. We vinden het bijvoorbeeld in de Kattendijke-kroniek uit 1491 en het Thurnierbuch van Georg Rüxner uit 1530, waar het fictief wordt toegewezen aan graaf Floris III van Holland.

Provincie Fryslân[bewerken]

± 1493 - ± 1515 Voorafgaand aan de verovering van Westerlauwers Friesland in 1498 wordt een nieuw wapen voor dit gewest ontworpen. Dit wapen komt voor het eerst voor op een portret uit de jaren 1493-1495 van de dochter van koning Maximiliaan I, Margaretha van Oostenrijk. Het is een variant op het oude wapen met de (aanziende) leeuwen. De penningen zijn echter vervangen door onbepaald aantal gouden (staande) blokjes, waarmee het veld 'bezaaid' wordt.[2] Dit is mogelijk een verwijzing naar het Gelderse wapen en de aanspraken die daaraan vanouds verbonden waren.

De eerste beschrijving van het toekomstige provinciewapen dateert uit 1499, een jaar nadat Albrecht van Saksen Friesland in bezit heeft genomen: ein plaber schild, darynn ob einander zwin gelb leo met iren aufgeworffen swentzen zum ganz geschickt; underhalb und oberhalb der berurten leo in demselben schilde ausgesprayet gelbe spene.

± 1556 - 1579 Onder Filips II wordt het wapen nogmaals veranderd. Het aantal blokjes wordt teruggebracht tot zeven en liggend geplaatst 2, 2 en 3 (de plaatsing van de blokjes in het schild wisselt nog weleens op de diverse afbeeldingen in de loop van de tijd). Zo blijft het wapen van het gewest, later de provincie Friesland er daarna uitzien.

1958 Bij Koninklijk Besluit van 11 februari 1958, nr. 18 werd het huidige wapen vastgesteld. (zie boven)

West-Friesland[bewerken]

Wapen van West-Friesland
1rightarrow blue.svg Zie ook: Wapen van West-Friesland

± 1583 - 1798 Na de afzwering van Filips II nemen Staten van West-Friesland het bestuur in eigen hand. Tijdens het bewind van Frans van Anjou (1582 - 1584) wordt het oude wapen van Friesland aangepast door het aantal gouden blokjes terug te brengen van zeven naar vijf en deze zilver te kleuren. Daardoor wordt het verschil met het wapen van Westerlauwers Friesland benadrukt. In de loop van de achttiende eeuw worden de blokjes opnieuw van goud. Tot de opheffing van de Gecommitteerde Raden van Westfriesland en het Noorderkwartier in 1798 is deze wapencompositie in diverse varianten in gebruik gebleven.

1907 Na de splitsing van Holland in Noord- en Zuid-Holland in 1840, werd aanvankelijk in Noord-Holland nog het Hollandse wapen met de rode leeuw gebruikt. Een nieuw wapen voor deze provincie werd vastgesteld bij KB van 23 mei 1907, nr. 43. De beschrijving luidt: Gedeeld; I. in goud een leeuw van keel, getongd en genageld van azuur (Holland);II. in azuur, bezaaid met liggende gouden blokjes, twee gaande en aanziende leeuwen van hetzelfde, boven elkaar geplaatst (West-Friesland);het schild gedekt met een vijfbladige gouden kroon.

Wapens met schuinbalken en pompeblêden[bewerken]

Ontstaan[bewerken]

vanaf ± 1280 In Franse wapenboeken komen vanaf het einde van de dertiende eeuw verschillende wapens van de 'Koning van Friesland' (Le Roy de Frise) voor, meest met zilveren balken en zilveren munten, harten of waterleliebladeren op een blauw veld. Het wapenboek van Wijnbergen (±1280) verwisselt daarentegen het wapen van le roy de Frisonie met dat van Griffonie (Griekenland) en tekent daarbij een rode griffioen in een gouden veld.[3] Het Armorial du Héraut Vermandois geeft omstreeks 1295 een beschrijving van het wapen van le roy de Nesse, een fictief koninkrijk in India, dat volgens heraldici in werkelijkheid naar het Friese wapen verwijst: in azuur drie zilveren balken bezaaid met harten in dezelfde kleur (dasur a iij bendes dargent seme de coeurs de meismes).[4] Het wapen werd waarschijnlijk tevens gebruikt in muur- en plafondschilderingen, die de legendarische zeventien christelijke koninkrijken uitbeeldden.

De oorsprong van deze elementen is onzeker. Denkbaar is dat specifieke heraldische kleuren en motieven al langer werden gebruikt door Friese kruisvaarders en militaire contingenten. Blauw was rond 1200 een toonaangevende heraldische modekleur. De witte munten kunnen zijn ontleend aan Italiaanse mozaïeken waarin de Friezen het verhaal van de Magnusvaan herkenden. In een Luikse ridderroman van omstreeks 1220 figureert koning Redbad met drie witte vaandels, wat een verwijzing naar de drie witte schuinbalken kan zijn. De schuinbalk keert ook terug in het wapen van Westergo, afgebeeld op een zegel uit 1313; zeventiende-eeuwse weergaven gaan uit van een witte schuinbalk op een blauw veld.

± 1380 Vanaf het einde van de veertiende eeuw beschrijft men het Friese koningswapen als een blauw veld, beladen met drie zilveren schuinbalken en bezaaid met rode harten. De rode kleur van de harten is waarschijnlijk ontleend aan Scandinavische koningswapens; heraldisch gezien gaat het om een symbool dat als Seeblatt of søblad, oftewel het blad van de gele lis, de witte waterlelie dan wel de heilige lotus kan worden gekenschetst. Mogelijk hebben bekende afbeeldingen van het wapen van Magnus I van Zweden of een van diens opvolgers - met drie witte schuinbanden op een blauw veld bezaaid met rode leliebladeren - daarbij als voorbeeld gediend.

1425 De oudste afbeelding van het Friese wapen is die in het wapenboek van Charolais, wapenschout van hertog Filips de Goede uit 1425. Tien of twaalf rode harten worden hier geplaatst op drie witte schuinbalken (3 : 4 : 3 dan wel 3 : 5 : 4). Varianten met drie of vier witte schuinbalken en negen tot zestien harten komen later veelvuldig voor. Andere Franse wapenboeken projecteren de harten echter op de blauwe schuinbalken, zoals de wapenheraut van Berry (1454-1458) en het Armorial de la Mazarine (± 1475). Dat doet een eeuw later ook Jérôme de Bara, Le blason des armoiries (Lyon 1579), die elf harten op drie blauwe balken tekent.

1503 Het wapen van le roy de Frise wordt gedrukt in het wapenboek Blason des armes (Lyon 1503). De witte schuinbalken zijn hier veranderd in vier linkerschuinbalken (dus de andere kant oplopend) en het aantal harten of bladeren verhoogd naar elf, schuin geplaatst (dus haaks) op de schuinbalken 1 : 3 : 4 : 3. Dit voorbeeld wordt weer door andere wapenboeken overgenomen, zoals Barthelemy Chasseneux, Catalogus Gloriae mundi (1529), en duikt ook op in de genealogie van de Franse koningen, die zouden afstammen van Berthe de Frise. Deze variant vormt na 1577 de basis voor het Ommelander wapen.

1555 Een Habsburgse variant met schuinbalken en als bijschrift Frise is te vinden in het manuscript Le très admirable Triumphe de la Noble Ordre de la Toison Dor van Jacques le Boucq, kamerheer van Karel V. Dit manuscript beschrijft een feest dat koning Filips II in 1555 in Antwerpen gaf. Het wapen van het koninkrijk Friesland, waar de keizer aanspraak op maakte, laat zich als volgt beschrijven: In blauw drie schuinbalken van zilver, de balken beladen met rode harten, geplaatst in de lengterichting van de balken 2, 3 en 2.

Ommelanden[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Ommelanden: wapen en vlag

1577 – 1594 In 1577 besloot de Statenvergadering van de Groninger Ommelanden tot het ontwerpen van een eigen wapen en zegel, dat uiterlijk twee jaar later in gebruik werd genomen. Dit nieuwe Ommelander wapen met vier linkerschuinbalken en elf harten (1 : 4 : 4 : 2) werd vooral toegepast op zegels en munten. De kleurstelling en de vorm zijn niet altijd duidelijk. De schuinbalken met de harten liggen soms wel heel dicht tegen elkaar aan, wat beschreven zou kunnen worden als: "linksgeschuind van vier witte schuinbalken, de balken beladen met harten". Kennelijk zijn de (blauwe) 'tussenbalken' vanwege plaatsgebrek versmald tot strepen. Het wapen van de elf herten mitten blauwen ende witten dwarsz balcken komt tevens voor als hartschildje in het grootzegel van de Ommelanden uit 1579 en op het elf herten Secreet segel uit hetzelfde jaar. Hier wordt het omringd door de wapens van de vijf landschappen Hunsingo, Fivelingo, Humsterland, Langewold en Vredewold. Op deze zegelstempels wordt het wapen niet gespiegeld, waardoor de zegelafdrukken gewone schuinbalken tonen.

Een deel van de Ommelander afgevaardigden had overigens bezwaar tegen de keuze van dit elffherten wapen, omdat het volgens hen te veel aan de tirannie van de heidense koning Radboud en het tijdvak van de vikingen herinnerde en daardoor onvoldoende afstand nam van het Habsburgse bewind. Niet voor niets waren de rode harten nog te zien in de wapens van de Scandinavische vorsten. De kerkhervormer Doede van Amsweer had het later desondanks over de elf herten mynes vaderlandes.

De rode figuren werden vormgegeven als waterlelie- of lotusbladeren. Latere auteurs betoogden dan ook dat het inderdaad om waterleliebladeren en niet om harten ging. Het "zijn geen herten / gelijck de gemeene erreur seyt; maer het zijn ... bladeren van water-lelien / water-rosen / die wy gemeenlijck noemen pompen-bladeren. Gelijck onse Friesche Coningen gevoert hebben", aldus Bernard Alting in 1648. Ook Henricus Hofsnider meldt in 1737: "Het wapen der Ommelanden zyn drie witte [lees: blauwe] Baeren, verkeerde Banden ofte Sloden, op een wit veld, lopende van de rechter naar de slinkerhand neerwaards, waar tusschen zijn erf roode Mier- ofte Pompebladen, eerst een, vier, vier, en twee gesteld, gelykende zeer wel na het wapen der oude Koningen van Friesland".[5]

1649 – 1811 In de jaren 1649 tot 1652, toen de Ommelanden zich tijdelijk van Groningen hadden losgemaakt, werden opnieuw twee zegelstempels met het Ommelander wapen gemaakt; een dergelijk zegelstempel werd sinds 1672 gebruikt door de Hoge Justitiekamer. De gangbare uitleg bij het zegel was dat de blauwe banen de drie geprivilegeerde zijlvesten lieten zien, terwijl de rode figuren stonden voor elf onderdistricten. Aan het einde van de 18e eeuw werd het wapen een uitdrukking van toenemend zelfbewustzijn van de plattelandsbewoners tegenover de stad Groningen; van 1787 tot 1811 stond het in de kop van de Ommelander Courant. Het 'Wapen van de Ommelanden' was tevens een bekende herberg in de Nieuwe Ebbingestraat te Groningen. De patriotten vergaderden in de Ommelander Sociëteit te Appingedam, waar dit wapen tot uithangbord diende. Tegelijkertijd ontstond opnieuw twijfel over de betekenis van het Ommelander wapen. Jacobus de Rhoer betoogde als eerste in dat het wel degelijk om harten ging. Sindsdien benadrukt men de verschillen met het middeleeuwse Friese wapen.

Provincie Groningen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Wapen van de provincie Groningen

1598 Bij traktaat van 23 juli 1594 werden Groningen (stad) en de Ommelanden samengevoegd. Niet lang daarna moet het nieuwe provinciewapen van het gewest Stad en Lande zijn ontstaan. Het komt voor het eerst voor op een zegel aan een akte van 24 april 1598. Het wapen is gevierendeeld: I en IV (stad Groningen), in zilver een groene balk; II en III, het Ommelander wapen, nu van zilver met drie blauwe linkerschuinbalken en de elf rode harten, geplaatst 1 : 4 : 5 : 1. Ook nu zijn de zegelstempels niet gespiegeld. Na de omwenteling van 1795 blijft het Ommelander wapen deel uitmaken van het wapen van de provincie Groningen. Van 1805 tot 1811 komt het voor op het zegel van het 'departement Stad en Lande van Groningen'. Na de Franse tijd wordt in 1814 het oorspronkelijke provinciewapen weer in gebruik genomen.

1947 Pas bij Koninklijk Besluit van 30 december 1947, nr. 21 wordt het Groninger provinciewapen officieel bevestigd. Het heeft dan de volgende beschrijving: Gevierendeeld: I en IV, in goud een dubbele adelaar van sabel, dragende op zijn borst een schildje van zilver, beladen met een dwarsbalk van sinopel; II en III, in zilver drie linker schuinbalken van azuur, vergezeld van elf schuin geplaatste harten van keel 1, 4, 4, 2. Het schild gedekt met een gouden kroon van vijf bladeren en vier paarlen en ter wederzijde gehouden door een leeuw van goud. De vormgeving van de 'harten' bleef gelijk aan waterleliebladeren of Seeblätter en verschilt van het gebruik van harten in de heraldiek.

Friesland[bewerken]

1590 - 1622 De katholieke en koningsgezinde auteur Suffridus Petrus beschrijft het Friese wapen met drie zilveren schuinbalken, waartussen zeven rode waterleliebladeren tussen de schuinbalken (dus op het blauwe veld), 3 : 4. Het Friese wapen verschijnt vervolgens in meerdere varianten in de genealogie van de Friese koningen die Martin Hamconius in 1609, 1617 en 1620 publiceert. De kleuren laat deze echter aansluiten bij die van het Ommelander wapen: seven roode pompe bladeren, ghestelt in drie silveren balcken, schaen [schuin] ghetrocken door een blauw velt. Prins Friso en geeft hij een wapen met drie schuinbalken en zeven harten (2 : 3 : 2), diens opvolgers soms een wapen met een, twee of drie harten. Nadat deze koningen ook West-Friesland erbij hadden gekregen, gebruikten ze volgens hem een wapen met vier linkerschuinbalken en elf harten (1 : 3 : 4 : 3). De hertogen van West-Friesland hadden daarentegen een wapen met één blauwe schuinbalk en vier harten en de latere potestaten van Friesland het bekende wapen met de twee leeuwen. De drie schuinbalken zouden volgens hem drie waterstromen symboliseren. Ook Pierius Winsemius neemt dit over in zijn Chroniqve van Friesland uit 1622; in het handmatig ingekleurde exemplaar dat Tresoar bewaart is opnieuw de blasoenering van het Ommelander wapen overgenomen. Johannes Hillarides, rector te Dokkum, stelt tenslotte in it aade Friesche terp uit 1677: "En uit dat broekachtige en waterige land, schynt het, dat zy het oude Friesche Wapen hebben genomen, hetwelk bestond uit 7 Plompen, beteekenende de 7 Waterlanden, op 3 Zilveren balken, in een Blaauw veld. Gelijk die Plompen noch hedendaags in 't Wapen van Groningen te zien zyn. Hoewel de onwetende teekenaars daar nu 3 Herten van maken."

1830 Het was het bovenstaande wapen "met drie baren en zeven roode plompenbladen", dat het Friesch Genootschap in 1830 tot het zijne maakte en dat later ten grondslag kwam te liggen aan de vlag van Friesland.

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]