Aktion T4

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
In de kelder van dit gebouw in Pirna-Sonnenstein werden in de jaren 1940/41 13.720 mensen met een cognitieve of psychische stoornis alsmede minstens 1.031 gevangenen uit concentratiekampen vergast.

Aktion T4 was de codenaam van nazi-Duitslands eugenetische euthanasie- en verplichte sterilisatieprogramma. Het programma werd in oktober 1939 gestart op bevel van Adolf Hitler.[1] Het bureau dat dit Sonderprogramm moest uitvoeren werkte onder de leiding van de rijksleider van de kanselarij van de Führer, Philip Bouhler, en van Hitlers lijfarts, dr. Karl Brandt. De naam T4 is afgeleid van het adres van het kantoor, Tiergartenstraße 4 in Berlijn.

Doel[bewerken]

Het doel van het programma was het behouden van de genetische zuiverheid van het Germaanse volk door het systematisch vermoorden van mensen die misvormd of gehandicapt waren of die leden aan een vorm van psychiatrische ziekte. Eén argumentatie om deze moord te rechtvaardigen was, dat het zinloze bestaan en het zinloze lijden van deze patiënten een reden was om tot deze nazi-euthanasie over te gaan. Deze genadedoding werd door de nazi-artsen gezien als een daad van barmhartigheid en werd voorgesteld als de meest humane methode om deze zieken om te brengen (deze stelling was van Karl Brandt, de lijfarts van Adolf Hitler; Brandt was Gruppenführer in de SS en Generalleutnant in de Waffen-SS. Hij werd ter dood veroordeeld in de Processen van Neurenberg en later opgehangen). Gehandicapte kinderen werden van hun familie gescheiden en naar speciale ziekenhuizen gebracht. Er werd via de toenmalige media ingespeeld op de angst dat binnen een aantal jaren een groot deel van het Duitse volk uit geestelijk gestoorden zou bestaan, en daarom moest er zo snel mogelijk gehandeld worden. Het woord euthanasie werd echter niet in de nazipropaganda gebruikt, waardoor de werkelijke bedoelingen van de nazi's (in het begin) onontdekt bleven. Het programma werd later uitgebreid met volwassenen, hoewel de meeste volwassen gehandicapten onder verplichte sterilisatie vielen.

Omstandigheden[bewerken]

De inrichting Hartheim.

De uitroeiing gebeurde in Grafeneck (vanaf 20 januari 1940), Hartheim (vanaf 6 mei 1940), Hadamar (vanaf januari 1941), Bernburg (vanaf 21 november 1940), Brandenburg an der Havel (vanaf 8 februari 1940) en Sonnenstein (vanaf juni 1940) door vergassing, verstikking, injecties, vergiftiging, verhongering en overdoses medicijnen. De eerste experimenten met mobiele gastrucks werden uitgevoerd in maart 1940 in het ziekenhuis in Kochanowka bij Łódź. Kort daarna voerden de nazi's verdere experimenten uit waarbij ze koolmonoxide uit de uitlaat van een vrachtwagen in een gesloten kamer lieten stromen. Veel van deze uitroeiingen stond onder toezicht van de psychiaters Carl Hans Heinze Sennhenn en Werner Villinger. Sennhenn leverde honderden hersenen aan nazi-onderzoekers. Werner Villinger voerde experimenten met mensen uit voor ze de dood in te sturen. Nog voor de holocaust werden de eerste gaskamers gebouwd in Hartheim waar vooral volwassenen verstikt werden met koolmonoxide.

Tijdelijke stop[bewerken]

Op 18 augustus 1941 liet Hitler het programma tijdelijk stoppen door druk van de Katholieke Kerk (Clemens August kardinaal von Galen[2]), de andere kerken en de families van de slachtoffers. 70.000 mensen waren toen al vermoord. De Duitse openbare weerstand leidde tot vertraging maar niet tot een totale stop, het werd in het grotere geheim uitgevoerd. Getrainde troepen bleven hun gang gaan. Sommige zaken van het Aktion T4-programma werden toen overgebracht naar militaire concentratiekampen.

Kampen[bewerken]

De meeste mensen betrokken bij het Aktion T4-programma, zoals Josef Mengele waren ook actief in de Shoah, ontwikkelden gaskamertechnologie en hielpen vernietigingskampen in Bełżec, Treblinka en Sobibór te bouwen, in het kader van Aktion Reinhard. Naast het beruchte Auschwitz-Birkenau waren dit de belangrijkste plaatsen van de moord op miljoenen mensen.

Resultaat[bewerken]

Tegen het einde van 1941 was elke derde inwoner van een psychiatrische inrichting in Duitsland al dood, ofwel door moord of door verhongering, wat leidde tot 93.000 vrije bedden. Een geschatte 200.000 mensen stierven onder het Aktion T4-programma. Ook een achternichtje van Hitler, Aloisia Veit, behoorde tot de slachtoffers. Duitslands euthanasie eindigde niet in 1941. Artsen en verpleegkundigen bleven het uitvoeren in ziekenhuizen in Duitsland, Oostenrijk en Polen. Het moorden werd zó uitgevoerd dat het wantrouwen van de Duitse bevolking geminimaliseerd werd. Zulke voorzorgsmaatregelen werden niet genomen toen mensen uit de bezette gebieden werden vermoord. Wreed en gewelddadig optreden werd gerapporteerd en opgetekend.

Na de oorlog[bewerken]

Artsen en verplegend personeel die betrokken waren bij het euthanasieprogramma werden lang niet altijd voor de rechter gebracht. Lang na de stichting van de nieuwe Duitse staten in 1949 ontsnapten hoge ambtenaren aan vervolging en bleven in de Duitse gezondheidszorg werken.

Op 8 juli 2013 heeft de bondsminister van cultuur de eerste steen gelegd van een monument voor de slachtoffers van dit project. Het verrijst in de Tiergartenstraat, waar het kantoor van de dienst heeft gestaan.

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (de) Biografie van Philipp Bouhler, met een kopie van de brief waarmee Adolf Hitler het programma startte, www.polunbi.de (Datenbank Schrift und Bild 1900-1960)
  2. (en) Homilie van kardinaal von Galen, 3 augustus 1941