Beowulf (gedicht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eerste bladzijde van Beowulf. De tekst begint met de regels
HWÆT WE GARDE
na in geardagum. þeodcyninga
þrym gefrunon hu ða æþelingas elle(n)
fremedon...

(vertaling:
Wat? Wij van de Speer-De
nen in de dagen van weleer van die koningen
hoorden van hun roem, hoe die edelen
moedige daden verrichtten...

Beowulf is een Oudengels heroïsch, episch gedicht in allitererende versvorm, en bovendien het vroegste voorbeeld van een in volkstaal geschreven Europees epos. Het gedicht bestaat uit 3182 regels en maakt 10% uit van de huidige bronnen met Angelsaksische literatuur. Het gedicht zoals het in het manuscript werd aangetroffen had geen titel, maar sinds het begin van de 19e eeuw staat het onder de naam Beowulf bekend. Het verscheen pas in 1815 in druk.

Oorsprong[bewerken]

Het is het oudste epische gedicht dat in een taal geschreven is die duidelijk een oude vorm van het huidige Engels is. Men is het niet eens over de precieze datum, maar men schat dat het manuscript uit de 10e eeuw stamt. Er is echter meer onzekerheid over de oorsprong van het gedicht zelf. Er komen enkele archaïsche woorden in het werk voor die suggereren dat het gedicht uit de 8e eeuw stamt, misschien zelfs de eerste helft ervan. Maar gezien het feit dat in poëzie - ook Oudengelse - vaak bewust archaïsche termen worden gebruikt, is dit geen doorslaggevend bewijs. Het gedicht staat, samen met o.a. het kortere gedicht Judith, in wat tegenwoordig het Beowulf-manuscript wordt genoemd. De tekst is door twee scribenten opgeschreven, de tweede neemt het halverwege het gedicht over. Wie de oorspronkelijke samensteller of auteur van het gedicht is valt niet te achterhalen, noch of de vorm waarin het manuscript ons heeft bereikt de oorspronkelijke is of een - door de monniken die het hoogstwaarschijnlijk hebben opgetekend - met christelijke elementen verrijkte versie. De oudste overgebleven 'Engelse' tekst is Caedmons Hymn of Creation, dat in Beowulf trouwens ook wordt aangehaald.

Aard[bewerken]

Het gedicht is over het algemeen een fictief werk, maar er komen personen in voor die mogelijk echt bestaan hebben, en gebeurtenissen die waarschijnlijk plaatsvonden tussen de jaren 450 en 600 in Denemarken en Zuid-Zweden. Het is een bron van informatie over Angelsaksische tradities zoals de Slag bij Finnsburg, Hygelac en Offa, koning van de continentale Angelen. Waarschijnlijk is het verhaal door Deense migranten mondeling overgebracht naar Engeland, en daar later pas vertaald en opgeschreven.

De taal waarin het werk geschreven is, laat-West-Saksisch, is een dialect van het Oudengels. Het gedicht doet echter ook vermoeden dat het oorspronkelijk in een Angels dialect, waarschijnlijk Mercisch of Northumbrisch, geschreven is. Het Oudengels is de voorloper van het huidige Engels, maar is sindsdien zo veranderd dat moderne Engelsen het niet zonder meer als Engels herkennen.

Er bestaat slechts één enkele versie van het gedicht, die bewaard wordt in de British Library te Londen. Het manuscript staat bekend onder de naam Cotton Vitellius A.XV; het was opgenomen in de achttiende-eeuwse catalogus van Robert Bruce Cotton. Het manuscript liep in 1731 brandschade op in Ashburnham House.

De IJslandse wetenschapper Grímur Jónsson Thorkelin maakte in 1818 de eerste transcriptie van het manuscript: dat wil zeggen, hij schreef letter voor letter het manuscript over. Dit deed hij in opdracht van een historische onderzoekscommissie van de Deense regering. Sinds die tijd heeft het oorspronkelijke manuscript nog meer schade opgelopen, en daardoor is de transcriptie van Thorkelin een waardevolle tweede bron geworden, waarin stukken tekst te vinden zijn die in het manuscript niet meer leesbaar zijn.

In 1993 startte de British Library, onder leiding van dr. Kiernan, een project om van alle pagina's van Beowulf foto's te maken, gebruikmakend van verschillende opnametechnieken, om zo de tekst optimaal zichtbaar te maken. Deze Electronic Beowulf maakt de tekst in zijn oorspronkelijke vorm toegankelijk voor wetenschappers die het willen bestuderen.

Inhoud[bewerken]

Het gedicht verhaalt over de strijd van Beowulf tegen het monster Grendel. Dit monster tiranniseert al twaalf jaar lang Heorot, de grote zaal gebouwd door Hrothgar, koning der Denen. Als Beowulf, neef van koning Hygelac der Gauten (Geats[1]), hoort van de moorden gepleegd door Grendel, schiet hij te hulp met veertien van zijn mannen. Beowulf en zijn gevolg overnachten in Heorot, en in het holst van de nacht valt Grendel aan. Ook nu weer verrast hij een van de slapende mannen, rijt hem open en verslindt hem geheel. Als hij ook Beowulf wil grijpen, weet deze hem in een gevecht te doden. Later rekent hij ook nog af met Grendels moeder. Aan het eind van het verhaal, wanneer hij zelf reeds vijftig jaar lang koning der Geats is, moet hij het tegen een vuurspuwende worm (een draak) opnemen, die hem echter doodt. Zijn neef Wiglaf doodt de draak alsnog en wordt de nieuwe koning.

Het gedicht geeft een voorstelling van een voorchristelijke samenleving gebaseerd op oorlog, waarin de relatie tussen de koning en zijn onderdanen een zeer belangrijke rol speelt. Deze relatie bestaat hierin dat de koning zijn onderdanen beschermt in ruil voor wapens, voedsel, goud enzovoorts.

De in het gedicht geschetste samenleving heeft familiebanden tevens hoog in het vaandel staan: als een familielid gedood wordt, is het de taak van de nabestaanden om zijn dood te wreken op zijn moordenaar door hem ofwel te doden, of door hem te dwingen een som geld te betalen (weergeld). Als één van de misdrijven van Grendel wordt dan ook genoemd het feit dat hij niet wil onderhandelen over weergeld. Bovendien wordt de wereld van Beowulf geregeerd door de lotsbestemming. Zijn overtuiging dat het lot hem in zijn macht heeft is een belangrijk aspect van de handelingen van Beowulf in het gedicht, terwijl de verteller duidelijk vanuit een christelijk perspectief spreekt. Opvallend is daarbij dat de verteller de heidense rituelen die hij beschrijft niet veroordeelt, maar eerder blijk geeft van medeleven met deze mensen, die de christelijke god niet (er)kennen.

Wetenschappers zijn het er niet over eens of Beowulf een heidense of christelijke inslag heeft. De personages uit het gedicht zijn duidelijk heidens, maar de verteller plaatst de gebeurtenissen steevast in een christelijke context, door Grendel als nazaat van Kaïn te betitelen. Sommige theorieën poneren dat Beowulf een vertaling is van een ouder Germaans verhaal, opnieuw verteld voor een christelijk publiek.

Vertalingen en bewerkingen[bewerken]

  • Er zijn verscheidene vertalingen gemaakt van het gedicht, de een geslaagder dan de ander. De Ierse dichter Seamus Heaney heeft een bekende vertaling in modern Engels geleverd.
  • Het verhaal van Beowulf is vanuit het gezichtspunt van het monster verteld door John Gardner in zijn roman Grendel.
  • Het oorspronkelijke gedicht werd tevens als uitgangspunt gebruikt voor Michael Crichtons roman Eaters of the Dead, die werd verfilmd met Antonio Banderas als The 13th Warrior.
  • Ook was Beowulf een belangrijke inspiratiebron voor J.R.R. Tolkien, die het essay Beowulf: The Monsters and the Critics schreef; het volk van de Rohirrim in zijn "In de Ban van de Ring" is deels geïnspireerd door het verhaal van Beowulf.
  • In 1999 kwam er een film uit met de titel Beowulf (met Christopher Lambert).
  • In 2006 kwam de speelfilm Beowulf & Grendel uit.
  • In 2007 verscheen ook een film met de titel Beowulf, waar ook een 3D versie van gemaakt is. Zie Beowulf (2007).
  • In 2014 werd J.R.R. Tolkien's lang verwachte vertaling (uitgegeven door zijn zoon Christopher) gepubliceerd in Beowulf: A Translation and Commentary.[2][3]

Een extract[bewerken]

Hier volgt een klein gedeelte van het gedicht. Het deel vòòr de rij puntjes omvat de regels 709 tot en met 753 van het origineel, het deel erna de regels 808 tot en met 819. De vertaling is echter nog niet volmaakt.

Ðá cóm of móre     under misthleoþum
Grendel gongan·     godes yrre bær·
mynte se mánscaða     manna cynnes
sumne besyrwan     in sele þám héan·
wód under wolcnum     tó þæs þe hé wínreced
goldsele gumena     gearwost wisse
faéttum fáhne·     ne wæs þæt forma síð
þæt hé Hróþgáres     hám gesóhte·
naéfre hé on aldordagum     aér ne siþðan
heardran haéle     healðegnas fand.
Cóm þá to recede     rinc síðian
dréamum bedaéled·     duru sóna onarn
fýrbendum fæst     syþðan hé hire folmum æthrán
onbraéd þá bealohýdig     ðá hé gebolgen wæs,
recedes múþan·     raþe æfter þon
on fágne flór     féond treddode·
éode yrremód·     him of éagum stód
ligge gelícost     léoht unfaéger·
geseah hé in recede     rinca manige
swefan sibbegedriht     samod ætgædere
magorinca héap.     Þá his mód áhlóg:
mynte þæt hé gedaélde     aér þon dæg cwóme
atol áglaéca     ánra gehwylces
líf wið líce     þá him álumpen wæs
wistfylle wén.     Ne wæs þæt wyrd þá gén
þæt hé má móste     manna cynnes
ðicgean ofer þá niht·     þrýðswýð behéold
maég Higeláces     hú se mánscaða
under faérgripum     gefaran wolde.
Né þæt se áglaéca     yldan þóhte
ac hé geféng hraðe     forman síðe
slaépendne rinc     slát unwearnum·
bát bánlocan·     blód édrum dranc·
synsnaédum swealh·     sóna hæfde
unlyfigendes     ealgefeormod
fét ond folma·     forð néar ætstóp·
nam þá mid handa     higeþíhtigne
rinc on ræste·     raéhte ongéan
féond mid folme·     hé onféng hraþe
inwitþancum     ond wið earm gesæt.
Sóna þæt onfunde     fyrena hyrde·
þæt hé ne métte     middangeardes
eorþan scéatta     on elran men
mundgripe máran·     
(...)
ðá þæt onfunde     sé þe fela aéror
módes myrðe     manna cynne
fyrene gefremede     --he, fág wið god--
þæt him se líchoma     laéstan nolde
ac hine se módega     maég Hygeláces
hæfde be honda·     wæs gehwæþer óðrum
lifigende láð·     lícsár gebád
atol aéglaéca·     him on eaxle wearð
syndolh sweotol·     seonowe onsprungon·
burston bánlocan·     Béowulfe wearð
gúðhréð gyfeþe·

Toen kwam vanuit het moeras     onder de mistige heuvels
Grendel gelopen,     Gods woede droeg hij;
de ongure verwoester was van plan     van de mensheid
iemand te grijpen     in de grote zaal;
hij waadde onder de wolken     tot hij de wijnzaal
--de gouden zaal der mensen--     zeer zeker zag,
     het was niet de eerste keer
dat hij Hrothgars     thuis had gezocht;
hij had nooit in zijn levensdagen,     ervòòr noch erna,
minder geluk     of onderdanen in de zaal gevonden.
Hij kwam toen naar de zaal     de reizende strijder,
afgesneden van vrolijkheid;     de deur opende spoedig,
stevig, door vuur gesmeden,     toen hij hem met zijn handen beroerde
kwaad in het zin hebbend, trok hij open,     nu hij woedend was,
de mond van de zaal;     direct daarna
op de betegelde vloer;     schreed het monster,
en ging woedend vooruit;     uit zijn ogen kwam,
als een vlam,     een verstoord licht;
Hij zag in de zaal     vele strijders,
een slapend gezelschap van bloedverwanten     samen bij elkaar.
een aanzienlijk leger van strijders.     Toen lachte zijn hart:
Hij was van plan om,     vòòr de dag aanbrak,
het wrede beest,     om bij elk van hen
het lichaam van het leven te beroven,     nu overkwam hem
de hoop op een groot feest.     Het was niet meer zijn lot
dat hij meer     van de mensheid
zo krijgen na die nacht;     de machtige man aanschouwde,
de bloedverwant van Hygelac,     hoe de wrede doder
door middel van een plotse aanval     wenste voort te gaan.
Het monster was hiermee     niet van plan te wachten,
maar hij greep snel,     bij de eerste gelegenheid,
een slapende strijder,     reet hem ongebreideld uiteen,
beet door de gewrichten,     dronk bloed uit de bloedvaten,
slokte grote stukken op;     al snel had hij
de on-levende     helemaal verslonden,
handen en voeten;     hij trad nader,
en pakte met zijn handen     een dappere
strijder uit zijn rust,     rijkte naar hem
de vijand met zijn handpalm;     snel bevatte hij [4]
de boosaardige gedachten     en greep de arm stevig vast.
Meteen merkte hij,     de schaapherder der gruweldaden,
dat hij niet ontmoet had     in Midden-Aarde,
in het wijde gebied van de wereld,     in een andere man
een sterkere hand-greep;
(...)
Toen merkte hij,     die eerder vele,
ellende in zijn geest,     op de mensheid
wreedheden had gepleegd     --hij, die vocht met God--
dat zijn lichaam hem     niet wilde gehoorzamen,
maar hij werd door de stoutmoedige     bloedverwant van Hygelac
aan de hand gehouden;     elk werd door de ander;
verfoeid zolang hij nog leefde;     lichaamspijn voelde hij,
de ontzagwekkende boeman;     op zijn schouder werd
een grote wond zichtbaar,     zenuwen sprongen,
spieren barstten;     Beowulf werd
oorlogs-lof gegeven;

Trivia[bewerken]

In regel 112-113 staat het woord orcnēas, dit wordt vertaald met Oger.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Beowulf in Cyberspace. A New Critical Electronic Edition of the Text, based on an examination of the original MS (hiervan is bovenstaand extract afkomstig).
  • Jonk, Jan, Beowulf, een prozavertelling. Amsterdam: Bert Bakker, 1977.

  1. De Gauten (Engels: Geats, Zweeds: Götar) waren een Scandinavisch volk uit Götaland, wat in het huidige Zweden ligt. Hun naam komt nog voor in de Zweedse streken Västra Götaland en Östergötland, en de stad Göteborg. De relatie tussen de Gauten en de Goten is onduidelijk.
  2. (en) Flood, Alison. "JRR Tolkien translation of Beowulf to be published after 90-year wait", The Guardian, 17 maart 2014. Geraadpleegd op 21 maart 2014.
  3. Acocella, Joan (2 juni 2014). Slaying Monsters: Tolkien's 'Beowulf'. The New Yorker . Geraadpleegd op 2 juni 2014.
  4. Dit is Beowulf
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina en:Beowulf op Wikisource