Bosnische Oorlog
De Bosnische Oorlog (1992-1995) is een van de oorlogen in Joegoslavië die uitbraken als gevolg van het uiteenvallen van de Federatieve Volksrepubliek Joegoslavië. De oorlog ontstond toen Bosnië en Herzegovina zich in 1992 onafhankelijk verklaarde.
Inhoud |
[bewerken] Aanleiding
De Bosnische regering had op 29 februari en 1 maart 1992 een referendum uitgeschreven met de vraag of Bosnië en Herzegovina onafhankelijk moest worden. De Bosnische Kroaten en Bosniakken stemden in meerderheid voor onafhankelijkheid. De Bosnische Serviërs boycotten deze verkiezingen; zij waren tegen onafhankelijkheid en vonden dat het referendum ongrondwettelijk was. Aangezien de meerderheid van de uitgebrachte stemmen in het referendum voor onafhankelijkheid was, riepen de Bosnisch-Kroatische en Bosnische Moslim parlementsleden op 5 april 1992 de onafhankelijkheid uit. Als reactie hierop riepen de Bosnische Serviërs op 7 april 1992 een eigen republiek uit: de Servische Republiek (Republika Srpska) en claimden ook grote gebieden elders in het land waar een Servische minderheid woonde.
Al voor het referendum vormden elk van de drie etnische groepen eigen legertjes en lokale milities, waarbij de Serven werden gesteund door het Joegoslavisch Volksleger. Daarbij moet worden opgemerkt dat de legertjes en milities zeker in het begin van de oorlog vooral bestonden uit criminelen, voetbalhooligans, nationalisten en paramilitairen en in mindere mate uit gewone soldaten; gewone soldaten waren namelijk vaak niet bereid te vechten, aangezien de etnische strijd ondanks de propaganda weinig steun onder de bevolking had, waardoor de desertiepercentages zeer hoog waren.[1]
Eén van de eerste gewelddadige incidenten vond al plaats op 30 september 1991, toen het Joegoslavische Volksleger het door Bosnische Kroaten bewoonde stadje Ravno verwoestte, tijdens de strijd om het in Kroatië gelegen Dubrovnik. In afwachting van de resultaten van het referendum op 29 februari en 1 maart 1992 escaleerde de situatie snel. Op verschillende plaatsen braken gevechten uit, in eerste instantie tussen Serviërs en Bosniakken. Met name in Oost-Bosnië, in de Drina vallei, en het noordwesten van het land vonden vanaf april 1992 massamoorden en etnische zuiveringen op Bosniakken en Bosnische Kroaten plaats. In de steden Bijeljina, Višegrad, Foča, Bratunac, Sanski Most, Prijedor, Kozarac, en andere werd de Bosnische burgerbevolking het doelwit. Serviërs stichtten ook vele concentratiekampen. Waarvan Kamp Omarska het meest beruchte is geweest. Andere voorbeelden van Servische concentratiekampen zijn Kamp Trnopolje, Kamp Manjača en Kamp Keraterm.
[bewerken] Deelnemers
In het begin van de oorlog (1992) vochten de Bosnische Kroaten en de Bosniakken tegen de Bosnische Serviërs, die als gevolg van de onafhankelijkheidsverklaring een eigen republiek hadden uitgeroepen: de Servische Republiek, gesteund door Servië onder leiding van Slobodan Milošević.
In 1993 ontstond er ook oorlog tussen de moslims en de Bosnische Kroaten, omdat ook de Kroaten een territorium van Bosnië wilden inlijven. De Kroaten kregen hierbij steun vanuit Kroatië. Het bekendste voorval in deze is de verwoesting van de oude brug in Mostar, de Stari Most, wat waarschijnlijk het bekendste symbool van Bosnië is. In 1995 sluiten de Bosniakken en Bosnische Kroaten vrede na tussenkomst van de Kroatische president Franjo Tudjman. De vrede wordt vastgelegd in het Verdrag van Dayton.
[bewerken] Verloop
Als gevolg van de oorlog in Bosnië en Herzegovina breidde de VN Veiligheidsraad het mandaat van de VN Vredesmacht UNPROFOR, die tot dan toe actief was geweest in Kroatië, in juni 1992 uit naar Bosnië en Herzegovina. UNPROFOR kon, gehinderd door een beperkt mandaat, beperkte middelen en het gebrek aan bereidheid van de internationale gemeenschap (met name landen als de Verenigde Staten en Frankrijk) om gewapenderhand in te grijpen, niet voorkomen dat de strijd doorging. Hoe frustrerend dit was voor de meeste UN-soldaten, kan men zien in de film: Warriors: Bosnia 1992. Na de Val van Srebrenica en een mortieraanval op een markt in Sarajevo, waarbij vele inwoners van de belegerde stad omkwamen, veranderde het internationale politieke klimaat en werd door de internationale gemeenschap een Rapid Reaction Force ingezet, die werd gesteund met door de NAVO-bombardementen tijdens Operation Deliberate Force. Dit dwong de Serviërs tot het beëindigen van de gewapende strijd en bracht de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel in het Amerikaanse Dayton. Als gevolg van deze onderhandelingen en onder druk van verder ingrijpen door de internationale gemeenschap werd het Verdrag van Dayton bereikt.
[bewerken] Gevolgen
In het Verdrag van Dayton werd bepaald dat de republiek Bosnië en Herzegovina zou gaan bestaan uit twee afzonderlijke entiteiten: de Republiek Srpska en de Federatie van Bosnië en Herzegovina. Verder was in het Daytonverdrag ook aandacht voor verkiezingen, mensenrechten en een grondwet. Tegenwoordig kampt Bosnië en Herzegovina met twee verschillende problemen: de wederopbouw na de oorlog en de verandering van een communistisch systeem naar een kapitalistische samenleving.
Na afloop van de Bosnische Burgeroorlog werd de naleving van het Verdrag van Dayton gecontroleerd door achtereenvolgens de NAVO-vredesmachten IFOR en SFOR, en later de EU- vredesmacht EUFOR.
[bewerken] Vervolg
Ruim dertien jaar na het vredesakkoord van Dayton wordt in 2009 in Bosnië weer openlijk gepraat over de mogelijkheid van een nieuwe oorlog. De Bosnische Serviërs dreigden op 22 februari zich uit alle federale staatsorganen terug te trekken en op die manier de landelijke overheid lam te leggen.
Dit nadat de Bosnisch-Servische premier Milorad Dodik de dag ervoor boos was weggelopen uit overleg met de leiders van Bosniakken en Kroaten. De drie etnische groepen van Bosnië hebben onoverbrugbaar lijkende geschillen over een hervorming van de grondwet. „Als wij het niet eens worden, blijft alleen de optie oorlog”, aldus Bosniakkenleider Sulejman Tihic. Tijdens de oorlog in Bosnië van 1992 tot 1995 vielen meer dan 100.000 doden.
Sinds die oorlog hebben de twee entiteiten, Republika Srpska en de Bosniak-Kroatische federatie, vergaande autonomie. De EU eist juist een versterking van de centrale overheid als voorwaarde voor verdere toenadering tot Brussel. De Serven willen daar niets van weten: zij willen juist een uitbreiding van hun mogelijkheden om beslissingen op landelijk niveau met hun veto te blokkeren.
Ook wil Dodik dat de Serviërs in de nieuwe grondwet de mogelijkheid krijgen zich af te scheiden van Bosnië, met het oog op een mogelijke aansluiting bij 'moederland' Servië. Tihic wil daar niets van weten: „Niemand mag zich van Bosnië afscheiden of Bosnië opdelen.”
De Bosniakken vormen bijna de helft van de Bosnische bevolking van 4 miljoen, de Serviërs een derde en de Kroaten 15 procent. De Bosniakken waren de drijvende kracht achter de afscheiding van Bosnië van Joegoslavië in 1992. In Belgrado was toen de Servische president Slobodan Milosevic de sterke man.
De Serviërs wilden niet in een door Bosniakken gedomineerd Bosnië leven en begonnen op hun beurt een afscheidingsoorlog onder leiding van Radovan Karadzic en generaal Ratko Mladic.
[bewerken] Noten
- ↑ John Mueller: 'The Banality of War', International Security, Vol. 25, No. 1, pp. 42-70.
| Zie de categorie Oorlogen in Joegoslavië van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |
| Zie de categorie War in Bosnia and Herzegovina van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |