Bosnische Burgeroorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Bosnische Oorlog)
Ga naar: navigatie, zoeken
De Bosnische Burgeroorlog. Links: het brandende Bosnische parlement in Sarajevo, na inslagen van artillerievuur in mei 1992. Rechtsboven: Generaal Ratko Mladić met Bosnisch-Servische soldaten. Rechtsonder: een VN-militair in Sarajevo. Foto's van Michail Jevstafjev

De Bosnische burgeroorlog (1992-1995) is een van de oorlogen in Joegoslavië die uitbraken als gevolg van het uiteenvallen van de Federatieve Volksrepubliek Joegoslavië. De oorlog ontstond toen Bosnië en Herzegovina zich in 1992 onafhankelijk verklaarde.

Aanleiding[bewerken]

De aanleiding van de Bosnische Burgeroorlog heeft volgens historici meerdere redenen. In de voormalige republiek Bosnië-Herzegovina, dat onderdeel vormde van Joegoslavië, woonden meerdere etnische bevolkingsgroepen. De voornaamste waren de Bosniakken, Bosnische Kroaten en de Bosnische Serviërs. Een van de directe aanleidingen voor het escaleren van een conflict dat al meerdere jaren duurde is het uitroepen van de onafhankelijkheid van de republiek Bosnië-Herzegovina en het uiteenvallen van Joegoslavië.

De regering van de republiek Bosnië en Herzegovina had op 29 februari en 1 maart 1992 een referendum uitgeschreven met de vraag of Bosnië en Herzegovina onafhankelijk moest worden. De Bosnische Kroaten en Bosniakken, dit waren voornamelijk etnische moslims die in Bosnië en Herzegovina woonden, stemden in meerderheid voor onafhankelijkheid. De Bosnische Serviërs boycotten deze verkiezingen; zij waren tegen onafhankelijkheid en vonden dat het referendum ongrondwettelijk was. Aangezien de meerderheid van de uitgebrachte stemmen in het referendum voor onafhankelijkheid was riepen de Bosnische Kroaten en Bosniakken op 5 april 1992 de onafhankelijkheid uit. Als reactie hierop riepen de Bosnische Serven op 7 april 1992 een eigen republiek uit: de Servische Republiek (Republika Srpska) en claimden grote gebieden in het land waar een minderheid van Bosnische Serviërs woonde.

Al voor het referendum vormden de drie etnische groepen eigen legers en lokale milities, waarbij de Bosnische Serviërs werden gesteund door het Joegoslavisch Volksleger. Dit was destijds een van de grootste legermachten in Europa. De legers en milities bestonden, zeker in het begin van de oorlog, vooral uit criminelen, voetbalhooligans, nationalisten en paramilitairen en in mindere mate uit gewone soldaten; die laatsten waren namelijk vaak niet bereid te vechten, aangezien de etnische strijd ondanks de propaganda weinig steun onder de bevolking had, waardoor de desertiepercentages zeer hoog waren.[1]

Een van de eerste gewelddadige incidenten vond plaats op 30 september 1991, toen het Joegoslavische Volksleger, dat voornamelijk uit Bosnische Serviërs bestond, het door Bosnische Kroaten bewoonde stadje Ravno verwoestte, tijdens de strijd om het in Kroatië gelegen Dubrovnik. In afwachting van de resultaten van het referendum op 29 februari en 1 maart 1992 escaleerde de situatie snel. Op verschillende plaatsen braken gevechten uit, in eerste instantie tussen Bosnische Serviërs en Bosniakken. Met name in Oost-Bosnië, in de Drinavallei, en het noordwesten van het land pleegden milities van de Bosnische Serviërs vanaf april 1992 massamoorden en etnische zuiveringen op Bosniakken en Bosnische Kroaten. In de steden Bijeljina, Višegrad, Foča, Bratunac, Sanski Most, Prijedor, Kozarac, en andere werden de Bosniakken het voornaamste doelwit. De Bosnische Serviërs stichtten ook vele concentratiekampen, waarvan Kamp Omarska het beruchtste was. Andere voorbeelden van Bosnisch Servische concentratiekampen zijn Kamp Trnopolje, Kamp Manjača en Keraterm.

Het grootste drama voltrok zich in Srebrenica op 11 juli 1995. Daar zijn door Bosnisch-Servische milities op één dag meer dan 7000 personen, voornamelijk mannen met als etnische achtergrond Bosniak, vermoord. In de afgelopen jaren zijn veel van deze oorlogsmisdadigers berecht door het Joegoslavië-Tribunaal. Het wordt na de etnische zuiveringen in de Tweede Wereldoorlog als een van de gruwelijkste daden in Europa gezien.

Deelnemers[bewerken]

In het begin van de oorlog (1992) vochten de Bosnische Kroaten en de Bosniakken samen tegen de Bosnische Serviërs, die als gevolg van de onafhankelijkheidsverklaring een eigen republiek hadden uitgeroepen: de Servische Republiek, gesteund door de republiek Servië onder leiding van Slobodan Milošević.

In 1993 ontstond er ook een conflict tussen de Bosniakken en de Bosnische Kroaten, omdat er onenigheid was ontstaan. De Bosnische Kroaten kregen hierbij steun vanuit de republiek Kroatië, terwijl de Bosniakken vooral gesteund werden door Mujaheddien-strijders uit de arabische en islamitische wereld. Het bekendste voorval hierbij was de verwoesting van de oude brug in Mostar, de Stari Most, dat waarschijnlijk het bekendste symbool van Bosnië-Herzegovina was. In 1995 sloten de Bosniakken en Bosnische Kroaten vrede na tussenkomst van de Kroatische president Franjo Tudjman. De vrede werd vastgelegd in het Verdrag van Dayton, dat ook ondertekend werd door de Bosnische Serven en Bosniakken.

Verloop[bewerken]

Als gevolg van de oorlog in Bosnië en Herzegovina breidde de VN Veiligheidsraad het mandaat van de VN Vredesmacht UNPROFOR, die tot dan toe actief was geweest in Kroatië, in juni 1992 uit naar Bosnië en Herzegovina. UNPROFOR kon, gehinderd door een beperkt mandaat, beperkte middelen en het gebrek aan bereidheid van de internationale gemeenschap (met name landen als de Verenigde Staten en Frankrijk) om gewapenderhand in te grijpen, niet voorkomen dat de strijd doorging. Hoe frustrerend dit was voor de meeste VN-soldaten, kan men zien in de film Warriors: Bosnia 1992. Na de Val van Srebrenica en een mortieraanval op een markt in Sarajevo, waarbij vele inwoners van de belegerde stad omkwamen, veranderde het internationale politieke klimaat en werd door de internationale gemeenschap een Rapid Reaction Force ingezet, die werd gesteund met door de NAVO-bombardementen tijdens Operation Deliberate Force. Dit dwong de Serviërs tot het beëindigen van de gewapende strijd en bracht de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel in het Amerikaanse Dayton. Als gevolg van deze onderhandelingen en onder druk van verder ingrijpen door de internationale gemeenschap werd het Verdrag van Dayton bereikt.

Gevolgen[bewerken]

In het Verdrag van Dayton werd bepaald dat de republiek Bosnië en Herzegovina zou gaan bestaan uit twee afzonderlijke entiteiten: de Republiek Srpska en de Federatie van Bosnië en Herzegovina. Verder was in het Daytonverdrag ook aandacht voor verkiezingen, mensenrechten en een grondwet. Tegenwoordig kampt Bosnië en Herzegovina met twee verschillende problemen: de wederopbouw na de oorlog en de verandering van een communistisch systeem naar een kapitalistische samenleving.

Na afloop van de Bosnische Burgeroorlog werd de naleving van het Verdrag van Dayton gecontroleerd door achtereenvolgens de NAVO-vredesmachten IFOR en SFOR, en later de EU- vredesmacht EUFOR.

Vervolg[bewerken]

Ruim dertien jaar na het vredesakkoord van Dayton wordt in 2009 in Bosnië weer openlijk gepraat over de mogelijkheid van een nieuwe oorlog. De Bosnische Serviërs dreigden op 22 februari zich uit alle federale staatsorganen terug te trekken en op die manier de landelijke overheid lam te leggen.

Dit nadat de Bosnisch-Servische premier Milorad Dodik de dag ervoor boos was weggelopen van een overleg met de leiders van Bosniakken en Kroaten. De drie etnische groepen van Bosnië hebben onoverbrugbaar lijkende geschillen over een hervorming van de grondwet. „Als wij het niet eens worden, blijft alleen de optie oorlog”, aldus Bosniakkenleider Sulejman Tihic. Tijdens de oorlog in Bosnië van 1992 tot 1995 vielen meer dan 100.000 doden.

Sinds die oorlog hebben de twee entiteiten, Republika Srpska en de Bosniak-Kroatische federatie, vergaande autonomie. De EU eist juist een versterking van de centrale overheid als voorwaarde voor verdere toenadering tot Brussel. De Serven willen daar niets van weten: zij willen juist een uitbreiding van hun mogelijkheden om beslissingen op landelijk niveau met hun veto te blokkeren.

Ook wil Dodik dat de Serviërs in de nieuwe grondwet de mogelijkheid krijgen zich af te scheiden van Bosnië, met het oog op een mogelijke aansluiting bij 'moederland' Servië. Tihic wil daar niets van weten: „Niemand mag zich van Bosnië afscheiden of Bosnië opdelen.”

De Bosniakken vormen bijna de helft van de Bosnische bevolking van 4 miljoen, de Serviërs een derde en de Kroaten 15 procent. De Bosniakken waren de drijvende kracht achter de afscheiding van Bosnië van Joegoslavië in 1992. In Belgrado was toen de Servische president Slobodan Milosevic de sterke man.

De Serviërs wilden niet in een door Bosniakken gedomineerd Bosnië leven en begonnen op hun beurt een afscheidingsoorlog onder leiding van Radovan Karadzic en generaal Ratko Mladic.

Noten
  1. John Mueller: 'The Banality of Ethnic War', International Security, deel 25, nr. 1, p. 42-70.
Belangrijkste gebeurtenissen Specifieke artikelen Deelnemers Personen

Oorlogen en conflicten

Achtergrond:

Consequenties:


Buitenlandse sleutelfiguren:

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1999

2001

Lokale staten:

Niet erkende staten en entiteiten:

Leger:

Militaire formaties en vrijwilligers:

Externe staten en entiteiten:

Politici:
Slovenië

Kroatië

Bosnië en Herzegovina

Servië

Kosovo

Macedonië

Montenegro

Top militaire commandanten:

Andere belangrijke commandanten: