Coëfficiënt
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De term coëfficiënt betekent letterlijk "mede-uitwerker", naar het Latijnse efficere, uitwerken. Viète introduceerde de term in 1592.
In de wiskunde is een coëfficiënt een vermenigvuldigingsfactor van een zeker object. Dat kan zowel een variabele, een vector, een functie, een differentiaalquotiënt of iets anders zijn. De waarde van de coëfficiënt kan onafhankelijk zijn van het object (dan heet het een constante coëfficiënt), maar dat hoeft niet, bijvoorbeeld bij differentiaalvergelijkingen. In sommige gevallen zijn de objecten en bijbehorende coëfficiënten geindexeerd, wat tot expressies leidt, zoals
waar
een coëfficiënt is van de variabele
voor alle n = 1, 2, 3, …
In de rekenkunde en de algebra worden de twee operanda van een vermenigvuldiging, factoren genoemd. Wegens de commutativiteit van de vermenigvuldiging (de volgorde der factoren beïnvloedt het product niet) spelen de twee factoren a priori dezelfde rol. Toch maakt men vaak het onderscheid tussen enerzijds een factor die in de gegeven context als veranderlijk wordt beschouwd, en een andere die min of meer constant blijft. De constante factor wordt dan de coëfficiënt van de veranderlijke genoemd.
Niet altijd overigens is een vermenigvuldiging commutatief. Zo kunnen we wel spreken over "3 mensen", wat inhoudt: 3 keer een mens, maar niet over "mensen 3". Deze constructie komt ook in de exacte wetenschappen veelvuldig voor. Daarbij wordt een scalair product a.x gevormd van elementen van verschillende categorieën. Het symbool a kan bijvoorbeeld een geheel getal zijn en x een continue functie. Men noemt a de coëfficiënt van x.
[bewerk] Voorbeeld
In de veelterm
worden de getallen 3, 16 en -a, die als voorfactor voor de machten van de veranderlijke x staan, de coëfficiënten van de veelterm genoemd (respectievelijk van de tweede, eerste en nulde graad).



