Eleonora van Oostenrijk (1653-1697)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eleonora Josepha van Oostenrijk
1653-1697
Eleonora Wiśniowiecka.jpeg
Koningin van Polen
Periode 1670-1673
Voorganger Maria Ludovica Gonzaga
Opvolger Maria Casimira de la Grange d'Arquien
Vader Ferdinand III van Oostenrijk
Moeder Eleonora van Mantua

Eleonora Maria Josefa van Oostenrijk (Regensburg, 31 mei 1653 - Wenen, 17 december 1697) was een lid van het huis Habsburg, aartshertogin van Oostenrijk, en (koninklijke) prinses van Hongarije en Bohemen. Zij was ook koningin van Polen en hertogin van Lotharingen. Zij was de dochter van keizer Ferdinand III en Eleonora van Mantua, zijn derde en laatste echtgenote.

Biografie[bewerken]

Jeugd[bewerken]

Eleonora van Oostenrijk was het negende van elf kinderen van de keizer, en zijn vierde dochter. Bij haar geboorte, had ze nog twee zussen die in leven waren: Maria Anna, koningin van Spanje (1634-1696), en Theresia Maria Josepha (1652-1653). Zij had ook drie broers: Frans Ferdinand, de zogenaamde Ferdinand IV Rijk, koning van Hongarije en Bohemen (1633-1654), Leopold (1640-1705) die na zijn broer troonopvolger werd en vervolgens keizer, en Karel Jozef, grootmeester van de Duitse Orde (1649-1664).

Haar vader stierf in 1657, toen Eleonora nog maar vier jaar oud was. Terwijl haar halfbroer op achttienjarige leeftijd aan het hoofd van Oostenrijk en het Heilige Roomse Rijk komt te staan, groeit de jonge aartshertogin op te Wenen, opgevoed door haar moeder, samen met haar zus Maria Anna Jozefa (1654-1689) en haar broer Ferdinand Jozef Aloysius (1657-1658).

Koningin van Polen[bewerken]

Portret van Eleonora als koningin van Polen (ca. 1670, kasteel Wawel, Krakau).

Op 27 februari 1670 wordt de dan zeventienjarige Eleonora in het Jasna Góraklooster - om staatsredenen - in de echt verbonden met Michał Korybut Wiśniowiecki, koning van Polen-Litouwen.

Ze verhuisde naar Warschau, waar ze Pools leerde (hoewel ze Latijn als taal prefereerde). Het koppel had een doodgeboren zoontje op 29 november 1670. In 1671 had Eleonora een miskraam.

De koning, die lichamelijk en geestelijk sterk aftakkelde, werd door het merendeel van de adel niet gewaardeerd. Zijn tegenstanders verspreiden de geruchten, dat hij homoseksueel of impotent was. Eleonara greep in deze conflicten slecht zelden in en bewaarde haar waardigheid. Daarnaast vergezelde ze haar echtgenoot op diens officiële tochten door Polen.

Op 10 november 1673 stierf haar echtgenoot. Eleonora blijft in Polen tot er een opvolger voor haar man was verkozen. Vervolgens trok ze terug naar Wenen, waarbij ze de eretitel van "koningin-douarière van Polen" (dewelke ze tot op het einde van haar leven zou dragen).

Hertogin van Lotharingen en Bar[bewerken]

Portret van Eleonora door Charles Brendel (1684, Kunsthistorisches Museum Wien, Wenen).

Teruggekeerd aan het Weense hof, komt ze de beste vriend van haar broer Leopold, de neef en erfgenaam van de hertog van Lotharingen en Bar, Karel, tegen, die op dat moment in ballingschap was aan het hof, daar zijn bezittingen waren bezet door de soldaten van Lodewijk XIV van Frankrijk. Ze worden verliefd. Op 6 februari 1678 vond in Wiener Neustadt hun huwelijk plaats. Karel werd daarop tot stadhouder van Tirol en Voor-Oostenrijk aangesteld en het paar werd de hofburcht in Innsbruck toegewezen.

Het paar kreeg zes kinderen:

  • Leopold (1679-1729), hertog van Lotharingen
  • Karel Jozef (1680-1715), bisschop van Olmütz en aartsbisschop van Trier (1711-1715)
  • Eleonora (1682-1682)
  • Karel Ferdinand (1683-1685)
  • Jozef Innocent (1685-1705), generaal in het keizerlijk leger
  • Frans Jozef (1689-1715), abt van Malmédy.

De oudste zoon, Leopold, zou vader zijn van de latere keizer Frans I Stefan, de stichter van de dynastie Habsburg-Lotharingen.

Weduwe[bewerken]

Na de dood van haar man, streefde de intelligente hertogin douairière er naar om de laatste wens van Karel te vervullen en de terugkeer van hun kinderen in hun erfland Lotharingen te bereiken. Op de Rijksdag van Regensburg diende zij een motie in om Lotharingen terug te krijgen. Met de vrede van Rijswijk in 1697 werd dit doel bereikt. De soevereiniteit van Lotharingen was echter wel aanzienlijk verzwakt, omdat de Franse koning het recht van een vrije militaire doortocht werd gegeven.

Slechts een paar maanden na dit verdrag, overleed de hertogin. Ze had Lotharingen, waarvan ze de naam droeg en waar haar tweede man was begraven, nooit bezocht en werd in de Kapuzinergruft in Wenen bijgezet.

Referenties[bewerken]