Euphyllophyta

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Euphyllophyta
Zonnebloem (Helianthus annuus), een typische vertegenwoordiger van de Euphyllophyta met grote, complex generfde bladeren
Zonnebloem (Helianthus annuus), een typische vertegenwoordiger van de Euphyllophyta met grote, complex generfde bladeren
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Clade: Tracheophyta (Vaatplanten)
Clade
Euphyllophyta
Kenrick & Crane (1997)
Portaal  Portaalicoon   Biologie

Euphyllophyta is de clade die de Monilophyta, de varens en varenachtige planten, en de Lignophyta, met als voornaamste subclade de zaadplanten (Spermatopsida), omvat. Het is een zustergroep van de Lycophyta, de clade van de wolfsklauwen en biesvarens.

De Euphyllophyta zouden zijn ontstaan in het Devoon, ongeveer 420 tot 380 miljoen jaar geleden.

De clade is voor het eerst beschreven door Kenrick en Crane in 1997. Ze wordt door sommige auteurs de rang van onderstam toegekend en wordt dan ook wel Euphyllophytina genoemd.

Naamgeving en etymologie[bewerken]

De wetenschappelijke naam Euphyllophyta is afgeleid van het Oud-Griekse eu (goed, echt), phyllo (blad) en phyton, (plant) en verwijst naar de aanwezigheid van 'echte' bladeren.

Kenmerken[bewerken]

Euphyllophyta onderscheiden zich door de aanwezigheid van eufyllen of macrofyllen, grote, vlakke bladeren met vertakte nerven, in tegenstelling tot de Lycophyta en oudere plantengroepen, die enkel microfyllen, kleine, lijnvormige bladeren met een enkele nerf, dragen. Het is nog niet duidelijk of de macrofyllen slechts eenmaal zijn ontstaan bij de eerste Euphyllophyta, of in beide subclades apart ontstaan zijn.

Andere morfologische kenmerken die de Euphyllophyta onderscheiden van andere plantengroepen:

  • De groei van de bladeren verloopt apicaal (aan de top) of marginaal (langs de rand) en is eindig; de nerven ontwikkelen zich vanuit de top van het blad (basipetaal);
  • De bladeren zijn spiraalvormig rond de stengel ingeplant, bij het afvallen laat het blad een litteken tot in het merg;
  • De stengel vertoont een pseudomonopodiale groei;
  • De wortels bevat exarch protoxyleem, de wortelharen ontstaan in de endodermis van de hoofdwortel;
  • De sporendoosjes of sporangia zitten in paren, gegroepeerd in eindstandige kegels;
  • Spermacellen met talrijke flagellen;

Genetisch is de groep gekenmerkt door een inversie van 30.000 nucleotiden in het 'Large Single Copy'- (LSC)- gebied van het chloroplastgenoom.

Fylogenie en taxonomie[bewerken]

Volgens de classificatie van Kenrick en Crane zijn de Euphyllophyta de zustergroep van de Lycophyta (wolfsklauwen en biesvarens). Samen met een aantal uitgestorven groepen vormen ze de clade Tracheophyta (vaatplanten). In tegenstelling tot wat op basis van de morfologie zou verwacht worden, zijn varens en varenachtige planten dus nauwer verwant aan de zaadplanten (beide hebben een gemeenschappelijke voorouder) dan aan de wolfsklauwen.

Stamboom van de Tracheophyta, de vaatplanten

 Stamboom van de Tracheophyta, vaatplanten[1][2][3]

De clade omvat twee subclades, de Monilophyta met ongeveer 9.000 soorten sporendragende varens en varenachtige planten zoals de paardenstaarten, en de Lignophyta. Van deze laatste bestaan momenteel enkel nog de Spermatophyta of zaadplanten, met ongeveer 260.000 soorten de meest succesvolle plantengroep.


Bronnen, noten en/of referenties