Glazuur (biologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tandglazuur op de tand

Het tandglazuur,[1] soms tandemail, adamantine[1] of substantia adamantina[2] genoemd, is de buitenste laag van de tandkroon die rond de dentine gelegen is. Tandglazuur bestaat uit kristalvormig hydroxyapatiet en is gelijk in alle dieren.[bron?]

Vorming van glazuur[bewerken]

Glazuur wordt gevormd door ameloblasten. De ameloblasten maken actief glazuur, wanneer de tand of kies wordt gevormd in het kaakbot.

Afbraak van glazuur[bewerken]

  • Cariës: De calciumkristallen kunnen door inwerking van zuren, die zelf afkomstig zijn van de afbraakproducten van bacteriënsuikers, opgelost worden. Zo ontstaat cariës.
  • Erosie: Erosie wordt veroorzaakt door zuur vanuit eten en drinken. Zo kan het fosforzuur uit cola glazuur oplossen.
  • Abrasie: Wanneer er veel kracht op de tanden en kiezen wordt uitgeoefend tijdens het poetsen, kan het glazuur beschadigen en verdwijnen. Dit wordt abrasie genoemd. Vaak wordt abrasie waargenomen net boven de grens tussen het tandvlees en de tand. Omdat abrasie meestal door de tandenborstel veroorzaakt wordt, treedt abrasie dan ook vaak op op plekken waar de tandenborstel makkelijk bij kan.
  • Attritie: Wanneer de tanden bij eten of knarsen over elkaar heen schuiven, zal slijtage van het glazuur optreden. Dit wordt attritie genoemd.
  • Abfractie: Bij abfractie zien we vaak een stukje glazuur dat van de tand of kies breekt, veroorzaakt door interne spanningen in de tand. Deze interne spanningen worden b.v. veroorzaakt door klemmen.

Herstel van glazuur[bewerken]

Fluorionen kunnen zich binden met beschadigd glazuur, zodat fluorapatiet ontstaat dat als kenmerk heeft dat ze veel meer resistent is tegen zuren, en zo cariës tegengaan.[bron?] Deze vorm van tandbescherming is te vinden in fluoridehoudende producten zoals fluoridetabletten en fluoridehoudende varianten van tandpasta, mondwater en zelfs keukenzout.

Etymologie[bewerken]

Glazuur[bewerken]

De Nederlandse naam glazuur is afkomstig van het Hoogduits Glasur,[3][4] afgeleid van Glas.[3][4] In het Duits gebruikte men voorheen ook het woord Glasur voor tandglazuur.[5] De vorm glazuur is eventueel ontstaan onder invloed van het woord lazuur.[4] Glas is een harde stof[4] en kwam/komt in verscheidene talen voor in de huidige betekenis van glas (Oudengels:glæs,[4] Hedendaags/Middel-/Oudhoogduits: Glas [6]), maar ook eerder als barnsteen (Oudengels: glær,[6][3][4] Latijn: glaesum,[7][6][4] glesum [7][6][3] of glessum [7]). De oorspronkelijke betekenis was het glinsterende.[3] Dat is ook terug te zien in de verwantschap tussen glas en het Duits Glanz en Gleissen.[8] Het woord gaat terug op een Indo-Germaanse wortel glê-.[3]

De Romeinen gebruikte zelf het woord vitrum voor glas.[7] Afleidingen van vitrum voor tandglazuur vindt men terug in het medisch Latijn (substantia vitrea,[5][9] indumentum vitreum [9]), het Frans (substance vitrée [9]) en het Engels (vitreous substance [9]).

Daarnaast bestaat er in het medisch Latijn nog odonthyalus,[9] een woord afgeleid uit de Oudgriekse woord voor glas, ὕαλος,[10][11] en tand, ὀδούς.[10][11]

Adamantine[bewerken]

In het Nederlands wordt naast tandglazuur ook nog de term adamantine [1][12] gebruikt. Deze term kwam als substantia adamintina voor in de uitgaven van de officiële Latijnse nomenclatuur Nomina Anatomica, goedgekeurd in 1895[13] in Bazel en in 1935[14][15] in Jena. Aanverwante vormen komen voor in het medisch Latijn (adamantina,[9] substantia adamantina dentis,[16] stratum adamantinum,[16] crusta adamantina,[5] crusta dentium adamantina [17] ), het Engels (adamantine,[9] adamantine layer [16]), het Spaans (capa adamantina [16]) en het Duits (Adamantin [18][19]).

Het woord adamantine komt in het Oudgrieks voor als het stofelijk bijvoeglijk naamwoord ἀδαμάντινος, ijzeren/stalen,[10][11] maar ook overdrachtelijk als zeer hard.[10] Het is afgeleid van ἀδάμας, dat in twee hoofdbetekenissen voorkomt, namelijk als gehard ijzer/staal [10][11] en als diamant.[10][11] Het woord bestaat uit een alpha privans en het werkwoord δάμαω[17], zullen temmen of overweldigen.[10] Het woord ἀδάμας betekent dan eigenlijk ook onbedwingbaar.[10] Het werkwoord δάμαω is verwant met Duits Zähmen,[17][7] Engels to tame,[7] Nederlands temmen,[3] Latijn domare [17][3] (temmen [7]) en Sanskriet dam-.[17][7] In het Nieuwgrieks wordt ook de vorm ἀδαμαντίνη[20] voor tandglazuur gebruikt.

Email[bewerken]

Ook wordt er in het Nederlands gesproken over tandemail.[12] Het woord email is afkomstig van het Frans émail,[3][4] Oudfrans esmail [4]/ esmal [21] van de denkelijke Frankische vorm smalt,[21][3] met de betekenis gesmolten glas.[3] In het Frans wordt nog steeds de term email [16][22] of émail dentaire [23] gebruikt voor tandglazuur. Met de toevoeging en is het Engelse woord enamel (=tandglazuur[12]) ontstaan, via het Oudengels amel,[8] eveneens afkomstig van esmail.[8][6].

Het begrip substantia adamatina uit de Nomina Anatomica werd vervangen in de uitgave uit 1955 door enamelum,[24] gehandhaafd tot en met de laatste uitgave Terminologia Anatomica uit 1998.[2][25][26][27][28][29] In het klassieke Latijn bestaat echter geen vorm enamelum.[7][30] Het eerste deel en- kent een overeenkomstige vorm in- in het Latijn,[6] maar is zelf is geen Latijn. Van de relevante overige vormen in de moderne talen (Frans: émail, Spaans: esmalte,[9] Portugees: esmalte,[31] Italiaans: smalto,[9][16] Duits: Schmelz [16]) lijkt het Neolatijn enamelum het meest overeen te komen met het Engelse woord.

Afgeleid van de Oudengelse vorm amel zijn ook de namen ameloblast [32] en amelogenesis,[32] ook voorkomend in het Nederlands (ameloblast [1][12]), het Duits (Ameloblast [18][19]), het Frans (améloblaste,[22] amélogénèse [16][22]), het Spaans (amelogénesis [16]) en het Italiaans (amelogenesi [16]) Het tweede deel van de namen is echter afgeleid van het Oudgrieks βλαστός, spruit/loot [10] en γένεσις, oorsprong/ontstaan.[10]

In de huidige Terminologia Histologica (voorheen Nomina Histologica), de lijst met officiële Latijnse histologische nomenclatuur, komt de term ameloblastus [33] voor, in gebruik sinds de eerste uitgave van de Nomina Histologica.[34][35][36] Als voorkeursterm (en voor het eerst geïntroduceerd) wordt de term enameloblastus sinds de tweede uitgave van de Nomina Histologica gebruikt.[35][25][33]

Samenstelling met het Oudgrieks ἀδάμας komen echter ook voor buiten de officiële nomenclatuur zoals in het Nederlands (adamantoblast [1][12]), het Duits (Adamantoblast [18][19]), het Frans (adamantoblaste [1][22]) en het Engels (adamantoblast [22][32]).

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. a b c d e f Haan, H.R.M. de & Dekker, W.A.L. (1955-1957). Groot woordenboek der geneeskunde. Encyclopaedia medica. Leiden: L. Stafleu.
  2. a b Donáth, T. & Crawford, G.C.N. (1969). Anatomical dictionary with nomenclature and explanatory notes. Oxford/London/Edinburgh/New York/Toronto/Syney/Paris/Braunschweig: Pergamon Press.
  3. a b c d e f g h i j k Vries, J. de, Tollenaere, F. de & Persijn, A.J. (1993). Etymologisch woordenboek (18de druk). Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum B.V.
  4. a b c d e f g h i Veen, P.A.F. van, Sijs, N. van der (1997). Etymologisch woordenboek. De herkomst van onze woorden. Utrecht/Antwerpen: Van Dale Lexicografie.
  5. a b c Schreger, C.H.Th.(1805). Synonymia anatomica. Synonymik der anatomischen Nomenclatur. Fürth: im Bureau für Literatur.
  6. a b c d e f Klein, E. (1971). A comprehensive etymological dictionary of the English language. Dealing with the origin of words and their sense development thus illustration the history of civilization and culture. Amsterdam: Elsevier Science B.V.
  7. a b c d e f g h i Lewis, C.T. & Short, C. (1879). A Latin dictionary founded on Andrews' edition of Freund's Latin dictionary. Oxford: Clarendon Press.
  8. a b c Donald, J. (1880). Chambers's etymological dictionary of the English language.’’ London/Edinburgh: W. & R. Chambers.
  9. a b c d e f g h i Foster, F.D. (1891-1893). An illustrated medical dictionary. Being a dictionary of the technical terms used by writers on medicine and the collateral sciences, in the Latin, English, French, and German languages. New York: D. Appleton and Company.
  10. a b c d e f g h i j Muller, F. (1932). Grieksch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag/Batavia: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij N.V.
  11. a b c d e Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon. revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones. with the assistance of. Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press.
  12. a b c d e Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  13. His, W. (1895). Die anatomische Nomenclatur. Nomina Anatomica. Der von der Anatomischen Gesellschaft auf ihrer IX. Versammlung in Basel angenommenen Namen. Leipzig: Verlag Veit & Comp.
  14. Kopsch, F. (1941). Die Nomina anatomica des Jahres 1895 (B.N.A.) nach der Buchstabenreihe geordnet und gegenübergestellt den Nomina anatomica des Jahres 1935 (I.N.A.) (3. Auflage). Leipzig: Georg Thieme Verlag.
  15. Stieve, H. (1949). Nomina Anatomica. Zusammengestellt von der im Jahre 1923 gewählten Nomenklatur-Kommission, unter Berücksichtigung der Vorschläge der Mitglieder der Anatomischen Gesellschaft, der Anatomical Society of Great Britain and Ireland, sowie der American Association of Anatomists, überprüft und durch Beschluß der Anatomischen Gesellschaft auf der Tagung in Jena 1935 endgültig angenommen. (Vierte Auflage). Jena: Verlag Gustav Fischer.
  16. a b c d e f g h i j Sliosberg, A. (1975). Elsevier’s medical dictionary in five languages. English/American / French / Italian / Spanish and German. (2de uitgave). Amsterdam/Oxford/New York: Elsevier’s Scientific Publishing Company.
  17. a b c d e Kraus, L.A. (1844). Kritisch-etymologisches medicinisches Lexikon (Dritte Auflage). Göttingen: Verlag der Deuerlich- und Dieterichschen Buchhandlung.
  18. a b c Marle, W. (1930). Guttmanns medizinische Terminologie’’ (23. Und 24. Auflage). Berlin/Wien: Urban & Schwarzenberg.
  19. a b c Schaldach, H. (1975). Wörterbuch der Medizin. Berlin: VEB Verlag Volk und Gesundheit.
  20. Lindenburg, M.A. (1989). ‘’Woordenboek Nieuwgrieks-Nederlands. Delft: Eburon.
  21. a b Dauzat, A., Dubois, J., & Mitterand, H. (1964). Nouveau dictionnaire étymologique et historique.’’ Paris: Librairie Larousse.
  22. a b c d e Gladstone, W.J. & Roche, P. (1990). Dictionnaire anglais-français des sciences médicales et paramédicales/English-French dictionary of medical and paramedical sciences. (3rd edition). Québec: Edisem/Paris: Maloine.
  23. Leflot-Soetemans, C. & Leflot, G. (1975). Standaard Geneeskundig woordboek Frans-Nederlands. Antwerpen-Amsterdam: Standaard Uitgeverij.
  24. International Anatomical Nomenclature Committee (1955). Nomina Anatomica . London/Colchester:Spottiswoode, Ballantyne and Co. Ltd.
  25. a b International Anatomical Nomenclature Committee (1966). Nomina Anatomica. Amsterdam: Excerpta Medica Foundation.
  26. International Anatomical Nomenclature Committee (1977). Nomina Anatomica. Amsterdam-Oxford: Excerpta Medica.
  27. International Anatomical Nomenclature Committee (1983). Nomina Anatomica. Baltimore/London: Williams & Wilkins
  28. International Anatomical Nomenclature Committee (1989). Nomina Anatomica. Edinburgh: Churchill Livingstone.
  29. Federative Committee on Anatomical Terminology (FCAT) (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme
  30. Wageningen, J. van & Muller, F. (1921). Latijnsch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij
  31. Augusto, C. & Eck, K. van (2004). Prisma groot woordenboek Nederlands-Portugees. Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum B.V.
  32. a b c Anderson, D.M. (2000). Dorland’s illustrated medical dictionary (29th edition). Philadelphia/London/Toronto/Montreal/Sydney/Tokyo: W.B. Saunders Company.
  33. a b Federative International Committee on Anatomical Terminology (FICAT) (2005). Terminologia Histologica. International terms for human cytology and histology. Philadelphia/Baltimore/New York/London/Buenos Aires/Hong Kong/Sydney/Tokyo: Wolter Kluwers-Lippincott Williams & Wilkins.
  34. International Anatomical Nomenclature Committee (1977). Nomina Histologica. Amsterdam-Oxford: Excerpta Medica.
  35. a b International Anatomical Nomenclature Committee (1983). Nomina Histologica. Baltimore/London: Williams & Wilkins
  36. International Anatomical Nomenclature Committee (1989). Nomina Histologica. Edinburgh: Churchill Livingstone.